Honderden wetenschappelijke artikelen zijn geschreven over de maan die groter lijkt als-ie vlak boven de horizon staat.
Een zogenoemde supersneeuwmaan in 2019, wanneer de volle maan in de sneeuwmaand (februari) dichter bij de aarde staat dan anders.
Aristoteles schreef er al over in de 4de eeuw voor Christus: de maanillusie. Dat is het verschijnsel dat de maan vlak boven de horizon soms wel twee keer zo groot lijkt als hoog aan de hemel. Hoe kan dat? Is het een fysisch verschijnsel, of iets in ons brein?
Honderden wetenschappelijke artikelen zijn hierover geschreven. Aristoteles dacht dat het te maken had met de breking van licht in de atmosfeer. De lage maan zou daardoor écht groter op je netvlies vallen dan de hoge. Maar dat klopt niet. Meet maar eens met een gestrekte arm hoe groot de lage maan is ten opzichte van bijvoorbeeld je wijsvinger, of een liniaal. En doe een paar uur later bij de hoge maan hetzelfde. Geen verschil.
Tenminste, binnen die nauwkeurigheid. Want als je het écht goed zou meten, bijvoorbeeld met een digitale camera, dan zou je zien dat de lage maan juist kléíner op de foto staat dan de hoge. Ruim 5 procent, zelfs. Dat komt júíst door atmosferische breking: de atmosfeer werkt als een zwakke lens die de lichtstralen die van de maan richting ons oog weerkaatsen, een klein beetje naar elkaar toe buigt. Hoe verder het maanlicht door de atmosfeer reist, hoe sterker het effect. En hoe lager de maan aan de hemel staat, hoe langer die weg.
Dat verklaart overigens ook de warmere kleur van de horizonmaan: de atmosfeer verstrooit relatief veel blauw licht en laat vooral het rode en oranje licht door. Ook dat zie je meer naarmate de weg door de atmosfeer langer is.
Een supermaan in 2020, in de buurt van Pesse, Drenthe.
Maar wat laat de lage maan dan wél groter lijken? Een eerste verklaring is de ‘schijnbare-afstandstheorie’. Onze hersenen gebruiken afstandsinformatie om de werkelijke grootte van voorwerpen in te schatten. De afstand tot de horizonmaan zouden we groter inschatten dan die tot de hoge maan. Ons brein zou daarvoor corrigeren door het beeld groter te maken. Er is alleen één probleem: als je mensen vraagt welke maan dichterbij lijkt, dan zeggen ze juist: de horizonmaan. Maar dat kan weer het gevolg zijn van die breincorrectie. Deze theorie is dus niet goed te controleren.
Een tweede theorie gaat over referentiekader. De horizonmaan zien we vaak samen met bomen of gebouwen. Volgens de ‘afmeting-contrasttheorie’ lijkt een voorwerp groter wanneer het wordt omringd door kleinere voorwerpen. Maar sommige auteurs stellen juist dat ook de hemel een referentiekader vormt, en dat de maan juist dáár groter zou moeten lijken.
Andere onderzoekers zien de oorzaak in de fysiologie van het zien. Bij het omhoog kijken veranderen onder meer de oogstand en scherpstelling. Dat kan een kleiner beeld geven. Het zou wellicht ook dit mysterieuze feit verklaren: de maanillusie verdwijnt als je ondersteboven naar de horizonmaan kijkt, bijvoorbeeld tussen je eigen benen door. Maar een ander artikel verklaart dat weer doordat onze diepteperceptie ondersteboven niet goed werkt. Waarom niet? Vanwege het gebrek aan referentiekader!
Alles hangt dus met elkaar samen. Dat blijkt ook uit een groot overkoepelend artikel uit 2020, dat in feite álle verklaringen omarmt. Het stelt dat ons brein ruimtelijke beelden voortdurend optimaliseert op basis van sensorische informatie en verwachtingen. Maar de conclusie van dat artikel is ontnuchterend: de maanillusie is nog altijd niet verklaard.
Aldus ook NASA, in een fijne online video: „The short answer is: we don’t know.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie