Rechtsstaat Dat er systemisch geweld bestaat, is waar. Maar het antwoord daarop is niet het geweld van het oproer, schrijft Bernard-Henri Lévy. Het is de rechtsstaat. Het is gerechtigheid.
Een Parijse straat na een rustige nacht, dinsdagochtend. De uitgebrande auto’s zijn van eerdere rellen. AP Photo/Christophe Ena)
In het tumult van de Franse demonstraties van de afgelopen weken en onder invloed van Jean-Luc Mélenchons radicaal-linkse partij La France Insoumise doet een oud idee nu weer opgeld: de gedachte dat er in democratische samenlevingen sprake is van een vorm van onzichtbaar, sluipend en systemisch geweld, en dat je als burger het recht hebt om je daar met het zichtbare, open en eerlijke geweld van de relschopper tegen te verzetten.
Ik ken die gedachte maar al te goed. Het was de gedachte van Jean-Paul Sartre toen hij, in zijn voorwoord bij De verworpenen van de aarde van de antikolonialistische ideoloog Frantz Fanon, moord op de kolonisator neerzette als het antwoord op de onderdrukking door het koloniale systeem. Het was de gedachte van Jean Genet toen hij in een beroemd geworden artikel in Le Monde in 1977, ‘Violence et brutalité’, het terrorisme van de Duitse Baader-Meinhof-groep voorstelde als een noodzakelijk uitvloeisel van de strijd tegen het imperialisme. En het was in het begin van de twintigste eeuw al de gedachte van Georges Sorel toen hij in zijn boek Réflexions sur la violence (‘Overpeinzingen aangaande geweld’) de macht van de ‘burgerlijke staat’ afzette tegen ‘proletarisch geweld’, waarvan een helende kracht zou uitgaan.
Ik dacht dat er wel voorgoed met dit idee was afgerekend door de intellectuele beweging van na mei 1968, door de kritiek op het totalitarisme van de door mij aangevoerde beweging van Nieuwe Filosofen en de herinnering aan de catastrofes van het fascisme, het nazisme en het communisme. Maar blijkbaar is dat niet zo. Dus moeten we weer van voren af aan beginnen.
Het eerste probleem met dit zogenaamde ‘tegengeweld’ is dat het nooit het hart van het gehate regime zelf raakt, maar alleen de mensen die het kwetsbaarst zijn. De politieagent die 2.000 euro per maand verdient terwijl hij nachtdiensten draait en met gevaar voor eigen leven de bescherming op zich neemt van eigendom, mensen en het demonstratierecht. De winkelier die het voor zijn omzet vooral van de zaterdag moet hebben en wiens geplunderde winkel zijn enige kapitaal was. De eigenaar van de uitgebrande auto die al moeite had om een volle tank te betalen, en die nu aan het geld voor een nieuwe auto moet zien te komen of de hindernisbaan van een verzekeringsclaim moet trotseren. De rellen zijn zogenaamd gericht tegen ‘het systeem’, maar ze raken mannen en vrouwen die daar geen zeggenschap over hebben en er niet de vruchten van plukken, maar er de laagste onderdanen van zijn. Ze nemen het zogenaamd op voor de vernederden, maar brengen hun enkel angst, vernieling en het gevoel in de steek gelaten te zijn.
Het tweede probleem met het geweld dat La France Insoumise ‘soms gerechtvaardigd’ noemt, is dat het geen einde maakt aan het ‘systemische’ geweld, maar dat geweld juist de kans biedt om zich openlijk te tonen en al doende harder en wijder te worden verbreid.
Dat is het verhaal van de opstand van de zijdewevers van Lyon in 1834, toen soldaten het vuur openden op de menigte. Het is het verhaal van het Juni-oproer van revolutiejaar 1848, in bloed gesmoord. Het is het verhaal van de Commune van Parijs, die ten koste van duizenden levens keihard de kop werd ingedrukt. En als de opstand wel slaagt, leert de geschiedenis ons dat overal ter wereld het resulterende regime nog erger is dan het regime dat is gevallen. Bevrijdingsgeweld maakt geen eind aan systemisch geweld, het geweld gaat alleen over in andere, wredere handen. Het maakt geen eind aan de overheersing, het legt de grondslag voor een nieuw regime dat zich in naam van het volk en de geschiedenis nu alles meent te mogen permitteren. Tegengeweld belooft bevrijding, maar baart een dictatuur.
Het is uiteindelijk de filosofische keuze die beschreven werd door Thomas Hobbes, Jean-Jacques Rousseau en de andere adepten van het sociaal contract. Natuurlijk neem je een risico als je besluit nooit meer het recht in eigen hand te nemen en de staat het monopolie op geweld geeft. Daarom is het zo belangrijk dat de autoriteiten ter verantwoording kunnen worden geroepen over dit monopolie, over de manier waarop ze het gebruiken en het misbruik dat ervan gemaakt kan worden. Maar het alternatief is de jungle. Waarin alleen nog het recht van de sterkste heerst, de rechtsstaat plaatsmaakt voor de grillen en driften van het individu. Dan krijg je een wereld waar geen regels gelden, waarin iedereen zich het recht toe-eigent om straffen uit te delen en geweld toe te passen. Nu nog milities in Frankrijk. Morgen een burgeroorlog tussen extreemrechts en extreemlinks, allebei even opgefokt. Is de situatie in de VS, met de MAGA-beweging en de van haat voor Israël vervulde neo-Democraten nou zo anders dan wat wij in Frankrijk zien?
Dit is wat Sartre tegen het einde van zijn leven begon te dagen toen hij, in gesprek met zijn jonge kompaan Benny Lévy, de voormalige leider van de Franse maoïsten die later een Talmoedgeleerde werd, afstand nam van zijn geloof dat je de wereld kunt verbeteren met terreur. Dit is wat de intellectuelen van mijn generatie begonnen te begrijpen toen ze inzagen dat diezelfde Jean Genet die zich uitsprak voor de Baader-Meinhof-groep in zijn laatste geschriften niet alleen de Palestijnse strijd verheerlijkte, maar ook terugdacht aan zijn oude fascinatie voor de soldaten van de Wehrmacht en de SS uit zijn jeugd. En dat is wat ik zelf bijna een halve eeuw geleden in L’Idéologie française al betoogde over de filosoof Georges Sorel: begonnen als vurig pleitbezorger van revolutionair geweld, maar samen met enkele jonge volgelingen van Charles Maurras uiteindelijk een van de grondleggers van de al te weinig bekende Cercle Proudhon, de politieke beweging waarin voor het eerst in Europa rood en bruin samengingen.
Dat idee van zichtbaar geweld als antwoord op onzichtbaar geweld is veel te gevaarlijk voor onze samenleving. Dat er systemisch geweld bestaat, is waar. Maar het antwoord daarop is niet het geweld van het oproer. Het is de rechtsstaat. Het is gerechtigheid. De rechtsstaat maakt het mogelijk vast te stellen welk geweld door de overheid is gepleegd, wie daarvoor verantwoordelijk is en hoe het veroorzaakte onrecht kan worden rechtgezet. Hij biedt iedere burger de mogelijkheid de macht ter verantwoording te roepen zonder zelf een minimachthebber te worden, voor eigen rechter te spelen of als wreker op te treden. Dat is de les die de opstandige generaties van nu uit de vorige eeuw kunnen trekken. Zullen ze die ter harte nemen? Ik hoop het. Want anders staat de beschaving zelf ontwrichtingen van ongekende omvang te wachten.
Bernard-Henri Lévy is filosoof, journalist, activist en filmmaker.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie