Frankrijk-EU Frankrijk is verzwakt. Het kampt met protesten en plunderingen, hervormt niet en betaalt torenhoge rentes op zijn staatsschulden. Maar juist nu krijgt de Europese Unie steeds meer Franse trekjes. Hoe kan dat?
„Sorry, maar de Fransen hebben gewoon gelijk. En ze hebben altijd gelijk gehad.” De Europese ambtenaar die dit zegt, deze zomer op een Brussels terras, is geen Fransman en ook geen francofiel. Maar wat hij zegt, hoor je van veel meer ambtenaren en diplomaten. Soms triomfantelijk, soms zuchtend, maar meestal zo: als nuchtere, zakelijke vaststelling.
Frankrijk als pionier in Europa, zou het? Een land dat deze maand op veel plaatsen letterlijk in brand stond, toneel van protesten, rellen en plunderingen? Dat op de kapitaalmarkten een rente op zijn staatsschulden moet betalen die doet denken aan de eurocrisis? Met een economie die al jaren stagneert en die het niet in staat lijkt te hervormen? En dan moeten de presidentsverkiezingen nog komen.
Toch is het zo. De Europese Unie van vandaag is Franser dan die van vijf of tien jaar geleden. Neem China. De EU verhardde haar toon tegen Beijing, nadat Frankrijk en Duitsland aandrongen om het Europese bedrijfsleven beter tegen Chinese concurrentie te beschermen. Daar ging een Duitse draai aan vooraf: Frankrijk drong al langer aan op actie.
Daarna kwamen Parijs en Berlijn met een gezamenlijk plan om de auto-industrie te redden, door strenge ‘Made in Europe’-regels toe te passen op autobouwers. Wie in aanmerking wil komen voor overheidsgeld, zoals subsidieprogramma’s, moet zijn auto’s straks zoveel mogelijk op Europese bodem produceren. Ook hier kreeg Frankrijk zijn zin.
Vaak hoeft Parijs er niet eens aan te pas te komen. In navolging van de Fransen heeft iedereen in Brussel het over ‘strategische autonomie’. Er wordt gewerkt aan regelgeving die industriepolitiek bevordert, de eigen markt afschermt en staatssteun mogelijk maakt. Er zijn nu eenmaal zaken, is de nieuwe consensus, die te belangrijk zijn om aan bondgenoten of aan de markt over te laten.
Dat is niets nieuws in Frankrijk, met zijn sterk gecentraliseerde staatsapparaat en een overheid die zich volop mengt in de economie. Maar Europa is altijd een compromis geweest, tussen dit Franse centralistische model, het op harde regels geënte marktliberalisme van de Duitsers en de Britse voorliefde voor vrijhandel.
Die balans staat op zijn kop, de verfransing neemt toe en het eigenaardigste is: dat gebeurt eerder ondanks dan dankzij Frankrijk.
Er is geen leider die het Franse denken beter belichaamt dan Charles de Gaulle. De Gaulle, president van het naoorlogse Frankrijk (1959-1969), wilde koste wat het kost voorkomen dat zijn land afhankelijk zou worden van de Amerikanen, die „niet te vertrouwen” waren en „niets begrepen van de geschiedenis van Europa”, zoals hij de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer toevertrouwde.
Daarom bouwde Frankrijk zijn eigen atoombom en hield De Gaulle de NAVO op afstand. De presidenten na hem deden dit ook. Terwijl de wereldeconomie liberaliseerde en globaliseerde, hield Frankrijk altijd oog voor zelfredzaamheid. Het stelde met kerncentrales zijn energievoorziening veilig en bleef de markt bijsturen. Overheidsuitgaven vormen er ook vandaag nog een veel groter deel van de economie dan elders.
Emmanuel Macron past in die traditie. Hij heeft het autonomieverhaal van De Gaulle wel opgefrist: Frankrijk redt het niet in zijn eentje op het wereldtoneel, Europa kan dat wél. Dat vereist een continent dat „soeverein, verenigd en democratisch” is, zoals hij het zei in een toespraak op de Sorbonne-universiteit in 2017, kort na zijn aantreden.
Er zijn nog steeds Europeanen die Macron, alleen al vanwege die speech, „visionair” noemen. Maar in Brussel rekent niemand meer op Frankrijk als drijfveer voor verandering. Macron staat er in eigen huis zwak voor, zijn bewegingsruimte is nihil. Economisch is Frankrijk achterop geraakt, het loopt steeds verder uit de pas. Van een Frans-Duits evenwicht is geen sprake meer: Duitsland torent boven de rest uit.
Zelf zullen de Fransen niet snel erkennen dat de EU naar hen luistert. „De EU is in Frankrijk heel lang beschouwd als een neoliberaal Duits project”, zegt Jeanette Süss, die de EU en de Frans-Duitse betrekkingen onderzoekt aan het Franse Instituut voor Internationale Betrekkingen (Ifri), een denktank in Parijs. „Er is veel voor nodig om dat beeld te veranderen.”
En dan is er de culturele neergang van de Franse invloed in Brussel. Van oudsher is de EU, en de Europese Commissie voorop, naar Frans model geschapen, met zijn hiërarchische ambtelijke verhoudingen en het Frans als een van de twee werktalen. Maar de taalstrijd heeft het Frans al lang van het Engels verloren.
Zelfs de Franse lunchcultuur is in de Brusselse bubbel op de terugtocht. Glazen wijn komen vaak niet meer op tafel. Er wordt steeds meer wandelend geluncht, of zelfs snel aan het bureau. Vraag het de Franse ambtenaren en diplomaten, en ze gruwen ervan.
Maar de tanende Franse invloed en de afnemende culturele rol in Brussel staan de verfransing niet in de weg. Volgens Charles Grant, de directeur van de in Londen gevestigde denktank Centre for European Reform, kun je inmiddels spreken van ‘de paradox van Franse macht’: Frankrijk heeft aan invloed ingeboet, maar het Franse denken is juist wijdverbreid.
Hoe dat kan? „De wereld is veranderd”, legt Grant telefonisch uit. Oude zekerheden zijn verdwenen. Grilligheid is de norm geworden. „Kijk naar de coronacrisis, de Russische invasie van Oekraïne, de concurrentiestrijd met China. Economische veiligheid is voor overheden belangrijker geworden dan economische efficiëntie.”
De afgelopen decennia ontwikkelde de Europese Commissie zich tot een strenge marktmeester. Een gezonde markt, was het idee, functioneert alleen met voldoende concurrentie, niet met een of twee grote spelers die één sector domineren in de hele EU. Daarom blokkeerde de Commissie de afgelopen jaren meermaals fusies van grote bedrijven, zoals die tussen de twee treinbouwers Alstom en Siemens. Dit tot woede van de Franse regering.
Maar sinds dit jaar heeft het concurrentiedepartement een nieuwe topambtenaar aan het roer en worden er nieuwe fusieregels opgesteld. Over gezonde concurrentie ín Europa gaat het niet vaak meer. Over concurrentie met Amerikaanse en Chinese megabedrijven des te meer. Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, pleit voor ‘Europese kampioenen’ die zich kunnen meten met de wereldtop.
Het afbouwen van streng toezicht op fusies is een langgekoesterde Franse wens. Hetzelfde speelt bij het toezicht op staatssteun. Daar is Brussel eveneens minder kritisch dan voorheen, met als motivatie dat bedrijven niet kunnen vergroenen of concurreren zonder hulp van de overheid. De strenge regels voor de binnenmarkt worden teruggeschroefd, om de strijd met de buitenwereld aan te gaan.
De meeste Europese hoofdsteden juichen dit toe. Zelfs in landen die de vrije markt altijd op één plaatsten, wordt nu met een veel kritischer blik gekeken, zo constateerde de vorige topambtenaar van het concurrentiedepartement, Olivier Guersent, vorig jaar bij zijn vertrek in NRC. „Zeker in een land als Duitsland, soms zelfs in Nederland.”
Dat de Duitse regering nu pleit voor een strengere China-koers is dus geen gevolg van Franse overtuigingskracht. Duitse bedrijven merken zélf dat ze door Chinese concurrenten verpulverd dreigen te worden. Er staan honderdduizenden banen op het spel. Bovendien zijn de zorgen over zoveel afhankelijkheid van China gegroeid.
Bij hun steun voor strikte Made in Europe-regels kunnen de Duitsers nog volhouden dat ze er iets voor terugkrijgen: Frankrijk staakt zijn verdediging van het verbod op de verbrandingsmotor. Dat wordt nu vrijwel zeker afgezwakt, een vurige Duitse wens. En de regels die productie in Europa verplichten, gaan alleen gelden voor bedrijven die publieke aanbestedingen en subsidies willen krijgen.
Toch is dat al een ongekende ommezwaai voor Berlijn. „Traditioneel zou Duitsland absoluut geen handelsbescherming, laat staan protectionisme willen. Maar nu is de economische situatie zó dramatisch dat het intern aan het schuiven is”, vertelt een Europese functionaris. „In rap tempo worden de Duitsers steeds Franser. Niet omdat Duitsland invloed verliest, maar omdat het Duitse denken zelf aan het kantelen is.”
Er is meer ‘Made in Europe’-beleid in de maak. De Europese Commissie wil dezelfde industriepolitiek gaan toepassen op andere sectoren. Over de invulling steggelen de Commissie en de 27 EU-landen nu al maanden. Welke sectoren mogen meedoen? Welke partnerlanden tellen er mee? Dat zulk beleid normaal wordt, daar twijfelt ondertussen niemand aan.
„Dat de Duitsers nu net als de Fransen praten over strategische autonomie in defensiebeleid is één ding”, zegt Jeanette Süss van Ifri, „Dat ze dat nu ook met hun industriepolitiek doen, is een doorbraak.”
Ook Nederland maakt zo’n draai. In 2023 verspreidde Den Haag nog een strategiedocument in Brussel dat pleitte voor ‘open strategische autonomie’. Maar dat woordje ‘open’ valt inmiddels vaak weg.
Het bedrijfsleven is er niet op tegen. Zo noemde ondernemersorganisatie VNO-NCW, doorgaans geen groot voorstander van overheidsbemoeienis, het zelfs „zorgelijk” dat Brussel zich met zijn Made in Europe-regels beperkt tot een klein aantal sectoren, en alleen als er belastinggeld mee gemoeid is. „De impliciete aanname lijkt te zijn dat vraagcreatie in andere sectoren aan de vrije markt kan worden overgelaten”, stelde de ondernemerslobbyclub teleurgesteld vast in haar reactie op de plannen.
Bevriende landen buiten het landenblok kijken lijdzaam toe. Dat geldt voor Zuid-Korea, Japan, Canada en in het bijzonder voor het Verenigd Koninkrijk. Iedereen moet lobbyen. Britse bedrijven in de auto-industrie haalden afgelopen maand opgelucht adem: zij zullen naar verwachting mogen meetellen als Europees voor de Made in Europe-regels.
Maar voor de Britse wapenindustrie ligt het weer anders. Brussel leent sinds vorig jaar goedkoop geld uit aan EU-landen om hun arsenaal te versterken, op voorwaarde dat ze hun geld grotendeels aan Europese fabrikanten uitgeven. Het VK mag daar niet aan deelnemen, of alleen tegen een hoog prijskaartje. Daardoor klapten de onderhandelingen. De Britten vrezen dat in andere sectoren hetzelfde dreigt te gebeuren.
Zulke episodes laten zien hoe zeer de Britten aan de zijlijn zijn komen te staan sinds de Brexit, en welke rol ze speelden toen ze er nog bij zaten. Charles Grant, van denktank CER, zegt daarover: „Zonder een Brits vertrek was het vrijhandelskamp sterker geweest. De Nederlanders en de Zweden zouden minder vaak alleen hebben gestaan.”
De Made in Europe-discussie is daarvan maar één voorbeeld. Zo is het de vraag of de EU het in 2020 eens was geworden over het coronaherstelfonds, met honderden miljarden aan gezamenlijke leningen om de economie uit de crisis te helpen, als het VK er nog bij zat. Ook dat was een Franse wens. Toen Duitsland het plan steunde, was het Nederlandse verzet gebroken. Met de Britten erbij had dat debat er heel anders uitgezien.
De Fransen doen nu actief hun best de Britten buiten te houden. Dat lukt soms, omdat Frankrijk nog altijd een formidabele diplomatieke dienst heeft in Brussel. De lijntjes tussen Parijs en Brussel zijn kort, en de Franse EU-ambassadeur geniet veel aanzien. Tegelijkertijd groeit door dit gedrag het wantrouwen van veel ambtenaren en diplomaten.
Ja, zeggen zij, dit tijdperk vraagt om meer autonomie, dat zag Frankrijk goed. Maar daar hoort ook het zoeken naar nieuwe partners bij, niet enkel protectionisme. De frustratie was tastbaar toen Frankrijk zich dit jaar met alle macht verzette tegen het Europese verdrag met de Zuid-Amerikaanse Mercosur-landen, omdat dat handelsakkoord slecht zo uitpakken voor Franse boeren. Was dit nou strategische autonomie?
Daar komt bij dat Frankrijk niet helemaal kan verhullen dat de nieuwe agenda ook zijn eigen belangen dient. Frankrijk mag dan principieel een soevereine koers bepleiten voor de defensie-industrie, de rest weet ook wat dat betekent: heel veel extra orders voor Franse wapenfabrikanten.
Niemand vertrouwt het Parijs dan ook volledig toe om de koers uit te stippelen. „Oké, we moeten allemaal een beetje Franser worden”, zegt een ambtenaar met aarzeling in de stem. „De vraag is hoe ver we gaan.”
„Het gevaar als je te ver meegaat in de Franse richting is dat je te veel economische efficiëntie opoffert voor economische veiligheid”, zegt Charles Grant.
En Parijs zal daar niet snel voor waarschuwen, voegt hij toe. „Iedereen is een beetje meer Frans aan het worden. Maar nog niet nog zo Frans als de Fransen zouden willen.”
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie