Home

‘Men zegt weleens dat jongeren verharden. Nou, het spreken van politici over jonge delinquenten verhardt’

Jaap van der Spek | politiek filosoof Het jeugdstrafrecht hangt aan elkaar van goede bedoelingen, die het lang niet altijd waarmaakt. Jaap van der Spek onderzocht hoe de staat omgaat met jeugddelinquenten en ontdekte „een diepe tragiek”.

Jaap van der Spek sprak onder meer met jongeren in jeugdgevangenissen.

Wat doet een politiek filosoof in de wereld van de jeugdcriminaliteit? Jaap van der Spek (1984) kwam er ruim tien jaar geleden bij toeval in terecht nadat hij een tijd in het buitenland had gewoond. Hij dacht: ik ga dit een jaartje doen. Maar in de gesprekken met jongeren in jeugdgevangenissen voelde hij zich helemaal op zijn plek, vertelt hij in een Amsterdams café. „Kijk, die jongeren zullen heus niet beginnen over Nietzsche. Maar als je het hebt over de grote filosofische vragen – Wat is vrijheid? Ben ik een slecht mens? – dan zitten zij daar letterlijk in vast. Ik heb erg genoten van de gesprekken die ik met hen had.”

Eerst werkte Jaap van der Spek voor een stichting die educatieve programma’s maakt voor jeugddelinquenten, tegenwoordig is hij strategisch adviseur bij Halt, de organisatie die jongeren een ‘afdoening’ biedt om hen te behoeden voor een strafblad. En onlangs promoveerde hij cum laude aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op een onderzoek met de titel De staat en het delinquente kind. Daarin concludeert hij dat het jeugdstrafrecht aan elkaar hangt van goede bedoelingen, maar die lang niet altijd waarmaakt.

Zijn onderzoek bestaat uit twee delen. Eerst onderzocht hij hoe het jeugdstrafrecht vanaf 1900 tot stand kwam. Wat hem verraste? „Er wordt weleens gezegd dat we in gepolariseerde tijden leven. Nou, rond 1900 kon men er ook wat van. Alexander de Savornin Lohman, een christelijke politicus, noemde de invoering van het jeugdstrafrecht ‘terrorisme’. Niet dat hij tegen de berechting van minderjarigen was, maar menselijke beoordelingen van gedrag mochten niet in de plaats komen van Gods geboden. Kom daar nu maar eens om. In 2013, bij de laatste grote wijziging van het jeugdstrafrecht, was de consensus eigenlijk heel groot: je moet de wetenschap volgen en het jeugdstrafrecht dient de veiligheid van de samenleving.”

Vervolgens ging Van der Spek de theorie toetsen aan de praktijk. Dat deed hij door te praten met alle partijen in het jeugdstrafrecht: officieren van justitie, kinderrechters, advocaten en wat hij noemt ‘de adviseurs’. Tot die laatste groep behoren medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, de jeugdreclassering en de psychologen en psychiaters die rapportages maken over een jeugddelinquent. Behalve al die professionals interviewde hij ook de jongeren die te maken hadden gekregen met het jeugdstrafrecht.

Jongeren snappen wel dat de advocaat er is voor hem of haar, zegt Van der Spek. „Die kennen ze van tv-series.” Maar al die andere deelnemers aan het proces zijn voor de jongeren veel moeilijker van elkaar te onderscheiden. Voor hen hebben ze met elkaar gemeen dat er een zekere dreiging van uitgaat, omdat ze allemaal invloed hebben op de straf die de jongere mogelijk krijgt.

„Officieren van justitie vinden van zichzelf dat ze heel anders zijn dan rechters”, zegt Van der Spek. „Maar jongeren zeggen dan: ze lijken wel verdomd veel op elkaar. En dat is natuurlijk ook zo: cultureel en sociaal gezien zijn het gelijksoortige mensen. Ze spreken dezelfde taal. Kort voordat de jongere de zaal binnenkomt, zaten ze nog met elkaar te praten. En ze kennen elkaar natuurlijk ook allemaal.”

„Een voorbeeld”, Van der Spek zegt het regelmatig, omdat hij weet dat het verhaal dat hij vertelt abstract is: hij vroeg aan een jongere wat hij deed toen hij de rechtszaal binnenkwam. „Gewoon”, antwoordde die, „ik zette een capuchon op, ging boos kijken en zwijgen.” Die jongere had in een gesloten jeugdinrichting gezeten en was getraumatiseerd. Hij wist niet beter: dit was de manier om zich te beschermen. „Maar in het jeugdstrafrecht is de conclusie dan al snel: hij werkt niet mee”, zegt Van der Spek.

Kijkend naar de geschiedenis ziet hij een aantal lijnen in de ontwikkeling van het jeugdstrafrecht. Om te beginnen is de toon waarop gesproken wordt over jeugddelinquenten in de loop der jaren verhard. Rond 1900 zegt de liberaal Pieter Cort van der Linden, die later premier wordt, nog over misstappen van jongeren dat ze „met de mantel der liefde” moeten worden bedekt. „Dat hoor je later niet meer.” In 1960 heeft CHU-minister van Justitie Albert Beerman het over „shocktherapie”. En in 2013 zegt VVD-staatssecretaris Fred Teeven: „We gaan er bikkelhard tegenin.”

Van der Spek: „Men zegt weleens dat jongeren verharden. Nou, wat ik eerder heb gezien is dat het spreken van politici over jonge delinquenten verhardt.” Aanvankelijk was het jeugdstrafrecht onderdeel van de jeugdbescherming. Naarmate de tijd vordert komt het belang van de samenleving steeds meer voorop te staan: recidive voorkomen.

Een constante die Van der Spek ziet, door de jaren heen, is de veronderstelling dat het kind gekend kan worden. Dat wil zeggen: dat je weet wat het kind tot zijn daad dreef. „In al die wetgevingsdebatten is dat het uitgangspunt. Er is nauwelijks een politicus die denkt: misschien zal dat wel niet lukken. Waarom ze daar zo aan hechten? Kenbaarheid gaat vooraf aan maakbaarheid. En dat is in alle debatten een heilig beginsel. Zo lang het kind maakbaar is, verdient het zorg. Dat maakt dus wel dat het jeugdstrafrecht voorwaardelijk is in zijn barmhartigheid.”

Overigens is er wat betreft die kenbaarheid wel sprake van een ontwikkeling. In de beginjaren van het jeugdstrafrecht kreeg de rechter daarin een belangrijke rol toegekend: hij was het die verondersteld werd het kind ter zitting te leren kennen. In een wetswijziging in de jaren zestig was er sprake van een verwetenschappelijking: de psychologen deden hun intrede. En uiteindelijk, zegt Van der Spek, was het het kind zelf dat zich kenbaar moest maken. „Later, vooral in de jaren negentig, heeft men het voortdurend over het mondige kind. Dat is opmerkelijk, want mondigheid, taalvaardigheid, spreekvaardigheid, dat zijn bij uitstek kwaliteiten die we toekennen aan volwassenen.” 

Niet alle kinderen maken zich kenbaar, zegt Van der Spek. En dan blijkt het jeugdstrafrecht een harde kant te hebben. „Er zitten bepalingen in het jeugdstrafrecht die het mogelijk maken een sanctie uit het volwassenenrecht op te leggen. Ik sprak een officier die dat eens had gedaan, met pijn in het hart. Ik vroeg: ‘Waarom moest dat dan?’ Ze zei: ‘Niemand wist wat we met hem aan moesten. Hij bleef een raadsel.’ Dat is wat de politiek aan de praktijk heeft meegegeven: je moet het kind kennen. Maar vanuit de filosofie kun je heel goed het omgekeerde betogen: het kind is juist een raadsel.”

De gesprekken met jongeren raakten hem meer dan hij vooraf had verwacht. Een kind dat zei: „Ik zat daar te zwijgen want zo heb ik het geleerd, en dan doen ze me weg.” Van der Spek: „Zo zei hij het letterlijk: ‘Dan doen ze me weg.’ Daar zit een diepe tragiek achter.” Of neem een meisje dat in een crisisopvang zat en een verzorger advies vroeg over een seksueel contact, omdat ze niet goed wist hoe dat werkte. „Die vroeg dus eigenlijk om seksuele voorlichting. Maar vervolgens kwam dat verhaal de Raad voor de Kinderbescherming ter ore en ging die pleiten voor verplichte anticonceptie. Wat denk je dat dat doet met het vertrouwen van zo’n kind?”

Zou het ook anders kunnen? Jaap van der Spek denkt van wel. Wat volgens hem nodig is: liefde en hoop. Soft? Nee hoor, vindt hij, niet per definitie.

In het jeugdstrafrecht is altijd een spanning geweest tussen de juridische werkelijkheid en de pedagogische werkelijkheid, tussen straffen en opvoeden. Van der Spek pleit ervoor die twee nadrukkelijker te scheiden. Eerst heb je de schuldvraag en de strafoplegging, zegt hij. „Daarvoor moet je gewoon de politie naar camerabeelden laten kijken.” Maar daarna, als een eventuele straf is opgelegd, zou je het moeten hebben over de vraag: wat heeft het kind nodig? Daarover kun je het volgens hem pas echt hebben als „de dreiging ervan af is”. Bij het beantwoorden van die vraag zouden mensen die het kind het beste kennen gelijkwaardiger betrokken moeten worden. „Familieleden, vrienden, een tekenleraar – mensen die liefde hebben voor het kind. Je gaat in een kring zitten en bespreekt wat moet gebeuren. In Canada zijn daar voorbeelden van, restorative circles noemen ze dat.”

„Politici zijn er steeds van uitgegaan dat het jeugdstrafrecht heilzaam is. Je hoeft maar vijf minuten te googelen om te ontdekken dat dat niet zo is. Als ik dit verhaal vertel aan officieren van justitie en kinderrechters vind ik daarom een gewillig oor.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next