Literaire astrologie Er zijn miljoenen mensen serieus bezig met astrologie. Ook schrijvers blijven tegenwoordig niet achter. Wat trekt auteurs zo aan in de leer van de sterren en het bovenaardse? Dat is toch een pseudowetenschap? Dat kan zijn, maar de behoefte aan zelfkennis, zingeving en symboliek is daarom niet minder sterk.
De beroemdste astroloog uit de Nederlandse literatuur is een onooglijk mannetje. Hij heeft een kromme rug, ruikt als een kadaver, en iedereen die hem ziet krijgt een afwerende blik in de ogen. Hoewel hij afzichtelijk is, deze astroloog uit De wetten, de debuutroman van Connie Palmen uit 1991, palmt hij de verteller meteen in. De astroloog weet de persoonlijkheid van deze student in één oogopslag te duiden. „Boogschutter, Schorpioen”, is het eerste wat hij tegen haar zegt. En: „Je bent een filosofische hoerenengel.” De verteller is verrukt. „Zijn opmerkingen hielden een belofte in, een verhaal over mijzelf”, schrijft ze, al was dat verhaal, gelardeerd met „afflicties en sextielen en conjuncties van het dalende teken op de trichonen van het eerste huis” enzovoorts, „voor tachtig procent onbegrijpelijk”. Maakt niet uit: ze hunkert naar waarheid en vooral naar zelfkennis, precies wat haar horoscoop haar belooft te bieden.
Franca Treur: Kreeft. Lebowski, 80 blz. €15,-
Zou een astroloog in de literatuur van vandaag nog steeds zo’n vies, vreemd en nerderig personage zijn? Waarschijnlijk niet. Toen Palmen in de jaren negentig De wetten schreef, was astrologie – de studie van de hemellichamen als bron van kennis over de mens en wereld – een marginale bezigheid, waar intellectuelen en schrijvers zich verre van hielden. Het werd door de meeste mensen als pseudowetenschap beschouwd, het domein van kwakzalvers, zweverige new-age-types of glossy damestijdschriften.
Maar de tijden zijn veranderd. Er zijn tegenwoordig miljoenen mensen serieus bezig met de sterren, en die zijn net als de verteller in De wetten op zoek naar zelfkennis. Astrologen als Chani Nicolas (698.000 volgers op Instagram) zijn vandaag influencers die op heling gerichte, empowering boodschappen de wereld insturen. De chic ogende horoscopengenerator-met-een kwinkslag Co-Star heeft op Instagram 1,9 miljoen volgers, en de app werd al 8,6 miljoen keer gedownload.
De recente, grootschalige omarming van de astrologie – een bezigheid die vóór de moderniteit in allerlei culturen, regio’s en religies werd bedreven, van Mesopotamië (twee millennia voor Christus al) tot het oude Griekenland en Tibet, maar ook in de islam en het jodendom – lijkt vooral aangezwengeld door sociale media. Dankzij steeds verfijndere algoritmes weten internetplatformen als Instagram en X precies wat je sterrenbeeld is en stuurt het naadloos gepersonaliseerde aanbevelingen, voorspellingen en healing boodschappen uit de kosmos.
Gilles van der Loo: Maagd. Lebowski, 64 blz. € 15,-
Astrologie lijkt dan ook volledig te zijn geaccepteerd, vooral door jongere generaties die hun bijzonder verfijnde geletterdheid in de dierenriem danken aan hun schermverslaving. Het is usance om je sterrenbeeld (liefst zowel dat van de zon, maan én ascendant) in je profiel op een dating app te vermelden, om een screenshot van je dagelijkse horoscoop op Instagram te delen, om iemand na een eerste kennismaking te vragen of zij misschien een Maagd is. Óók wie zichzelf als intellectueel, atheïst of rationeel wezen beschouwt doet er wel eens aan mee, minstens als een lichtvoetig spel op een feestje, als een gezamenlijk proces van betekenisgeving.
Wil de literatuur relevant blijven, dan moet ze daar ook iets mee; misschien was dat de gedachte achter de nieuwe ‘Literaire astrologie’-reeks van uitgeverij Lebowski, bestaande uit twaalf boekjes, voor elk teken van de zodiac één. De twaalf schrijvers waren vrij om hun sterrenbeeld op eigen literaire wijze te benaderen. Zo nam Franca Treur Kreeft voor haar rekening, een autobiografische novelle over een geliefde oom met het syndroom van Down die net als Treur zelf een Kreeft is. Gilles van der Loo schreef met Maagd een kortverhaal over een zestiger die in Marokko zijn schrijverschap na tien jaar writer’s block herontdekt, en Hagar Peeters pende de gedragen dichtbundel Stier („Klaroenklank / in de kim van de nacht / waar het blauw nog zinkt.”).
De uitgeverij presenteert de reeks zonder een spoortje ironie, als een perfect kleinood voor een verjaardag. De uitgaves mogen klein van stuk zijn, en zeker geen literaire hoogstandjes, als cultureel fenomeen is het interessant en opvallend dat een literaire uitgeverij vijfendertig jaar na De wetten zich zonder scrupules met astrologie afficheert. Wat moet een schrijver eigenlijk met astrologie? Komt het niet neer op verraad aan de vrijheid van de kunst, om je uit te leveren aan de voorgeprogrammeerde verhaallijnen van het bovenaardse? Kunnen we uit de boekjes niettemin iets leren over wat de mens toch zo aantrekt in deze onbewezen kennisleer?
Van der Loo’s Maagd is een niet onaardig voorbeeld van een astrologisch vertrekpunt. Een Nederlandse man doet zichzelf voor zijn verjaardag een reis cadeau naar de Marokkaanse kuststad El Jadida, waar hij tien jaar geleden al eens was met zijn gezin. Nu betrekt hij dezelfde riad alleen, met het doel om eindelijk dat boek af te schrijven waar hij al jaren mee bezig is. Hij heeft al zo lang niets meer geschreven dat hij zich geen schrijver meer voelt. Kan hij de woorden weer vinden op die plek van gelukkige herinneringen? Elke poging om iets op papier te zetten straft hij gauw weer af. Dan ontmoet hij de jonge Amerikaanse Amanda, een mede-Maagd die hem enthousiast mee op sleeptouw neemt.
We herkennen in de man de typische trekjes van zijn sterrenbeeld: praktisch (hij adviseert Amanda over de juiste wereldstekker), opgeruimd (hij veegt dagelijks de vloer) en vooral kritisch, op zichzelf net zo goed als op anderen. Van der Loo benut astrologie dus op de manier die vandaag het meest gangbaar is: als typologie van persoonlijkheid. Zoals Hugo Claus in Het jaar van de kreeft (1972) een ‘superkreeft’ schiep met de wispelturige, afhankelijke Toni, zo is de schrijver in Maagd een supermaagd – zo kritisch en analytisch dat hij zelf nooit in astrologie zou geloven (tenzij hij een digital native van na het geboortejaar 1990 zou zijn geweest).
Zijn sterrenbeeld maakt inzichtelijk waarom hij zo lijdt en worstelt, maar pleit het hem niet ook vrij? Hij kan er niets aan doen dat hij zo is, de sterren zijn genadeloos. Dit is trouwens niet het probleem van de tekst an sich. Omdat Maagd verschijnt in een serie over astrologie, lezen we het verhaal in dat toch wat fletse licht. De lezer kan niet nieuwsgierig raken naar waarom het personage lijdt; het ligt gewoon aan zijn chart.
Maar misschien zegt die laatste conclusie toch weer iets over de mens van nu. Ontgoocheld over hoe weinig maakbaar onze levens zijn, of over hoe hard de mens gefaald heeft iets van de wereld te maken, richten we onze blik op de sterren, als berustende verklaring: het was allemaal al voor ons bepaald. Zie je wel.
In Kreeft verhoudt Franca Treur zich ambivalent ten aanzien van de sterrenwichelarij – gelukkig maar, zullen we zeggen. „Horoscopen maken me kwaad”, schrijft ze. „Ik weet niet waarom. Het zijn maar symbolen.” Treur brak in 2009 door met haar debuutroman Dorsvloer vol confetti, een semi-autobiografisch portret over haar streng geformeerde Zeeuwse jeugd. Treur viel van haar geloof, wat een rijke voedingsbodem voor de literatuur bleek. Als Treur de astrologie nu volledig zou hebben omarmd, zou ze onmiskenbaar een andere schrijver worden: minder nuchter, minder confronterend.
Treur trekt verbanden tussen de astrologie en het protestantse geloof: beide levensvormen leveren zich uit aan een hogere bron van kennis. Haar jeugd stond in het teken van de Bijbel en Heidelbergse catechismus. Voor Treur volstonden die teksten als vorm van zelfkennis echter niet. Ze zeggen niets over háár, maar over de mens in het algemeen. Bovendien is het mensbeeld te duister: „Onze keel is een geopend graf, staat er in de Bijbel. Met onze tongen plegen we bedrog.” Het mensbeeld van astrologie, vooral de Amerikaanse versie ervan die we via internet meekrijgen, is juist positief en gericht op persoonlijke groei. Maar ook de astrologie vindt Treur te algemeen. „Zeggen dat alle Kreeften trouw zijn, is net zoiets als zeggen dat alle Kreeften mens zijn.”
Ondertussen zit Franca aan het sterfbed van haar aan trisomie lijdende oom Jaap – ook een Superkreeft, al zal hij dat nooit weten. Treur schrijft een prachtig portret van deze vreugdevolle, gevoelige man. Zelf is ze in de jaren die ze beschrijft rusteloos. Op zoek naar zichzelf probeert ze vruchteloos verschillende studies uit, in Leiden en dan België. Ze gaat de confrontatie aan met het blinde geloof in het hogere van de kerk of de astrologie, maar evengoed met zichzelf. Uiteindelijk tasten we allemaal naar tekens, naar een plek in het grotere geheel.
Zo laat Treur alsnog ruimte voor verzoening tussen de kerk, de astrologie en een zoekend, kritisch modern mens als zijzelf. Ze toont daarmee iets wezenlijks over de horoscopen-hausse: symbolen zijn noodzakelijk voor de mens, omdat ze ons opnemen in een groter geheel. Daar kan geen individualisme tegenop. De behoefte aan zin en betekenis blijft terugkeren.
In deze voorbeelden is astrologie een ingang tot de menselijke psyche. Maar een schrijver kan de astrologie ook inzetten als plotstructuur: de stand van de sterren bepaalt dan de verwikkelingen van het verhaal. Dat is wat de Nieuw-Zeelandse Eleanor Catton deed met haar door de International Booker Prize bekroonde, vuistdikke Al wat schittert (2014). In deze goudzoekersroman-slash-detective, een pastiche op het realisme van negentiende-eeuwse literatuur, begint elk hoofdstuk met de cirkelvormige horoscooptekening van dat moment. De personages gedragen zich perfect naar hun constellaties als archetypen. Het effect is speels en gedurfd: astrologie is hier ingezet als literair experiment.
Een ander beroemd voorbeeld is Jaag je ploeg over de botten van de doden (2020, oorspronkelijk in het Pools verschenen in 2009) van Nobelprijswinnares Olga Tokarczuk, over een militant-veganistische zestiger in een dorpje aan de Tsjechische grens, die criminelen probeert op te sporen met hulp van astrologie. Opvallend is dat de hoofdpersoon Janina astrologie op heel andere manier gebruikt dan de optimistische, op heling en bevrijding gerichte toon van internethoroscopen; haar horoscopen zijn duister, grimmig, letterlijk onheilspellend.
Voor haar wantrouwige, lichtelijk krankzinnige karakter fungeert astrologie als alternatieve, oeroude kennisbron, tegenover de veel recentere, kille, onverschillige wetenschap van de Verlichting. Astrologie biedt een mogelijkheid van verzet tegen een gewelddadige, uitbuitende wereld. Op structureel niveau speelt Tokarczuk ook een slim spel met de lezer: via de horoscopen die Janina uittekent, zou een oplettende lezer al aanwijzingen kunnen vinden over de ontknoping van de moordmysteries.
illustratie Frann de Bruin
Dat ironische karakter in de omgang met astrologie van Catton en Tokarczuk, het spel tussen lezer en verteller, tussen verhulling en onthulling, die noodzakelijke lagen missen in de Literaire astrologie-reeks van Lebowski. De simpele omarming van astrologie in de literatuur is immers niet onproblematisch. Astrologie verbindt het kosmische aan het kleinmenselijke, het allergrootste aan het allerkleinste. Het wichelen van de sterren is het geloof dat we als mens niet zoveel invloed hebben op de wereld als we zelf graag zouden willen, en dat is misschien precies de reden voor het succes. Het is een antidotum tegen individualisme, en stelt daar een wereldbeeld tegenover waar iedereen aan elkaar verbonden is via de onwrikbare wetten van het heelal. Tegelijkertijd, en paradoxaal genoeg, wordt de individuele mens zo juist heel belangrijk, zo belangrijk dat het onbevattelijk grote – de kosmos – blijkbaar voor ieder mens iets in petto heeft.
Literatuur is een heel andere manier om verhalen te vertellen, zoekt naar betekenis door de worstelende mens centraal te stellen in een onverschillige wereld; ze vraagt wat het betekent om mens te zijn. Dat zijn verhalen die nog gemaakt moeten worden, niet verhalen die al miljoenen jaren klaarliggen in de stand van de sterren.
Dat is ook waarom Connie Palmen het niet goed laat aflopen met die arme astroloog in De wetten. Hij kwijnt steeds verder weg in een depressie. Het leven speelt zich immers af buiten hem om, volgens de wetten van de hemel. Toch heeft hij zich zo hardnekkig vastgeklampt aan de astrologie dat hij niet meer kan loslaten. „Hij had een weefsel over de wereld gelegd en de knopen van het weefsel hadden met de hemel te maken, met sterren, graden, getallen. Hij had zichzelf opgenomen in dit weefsel, en als ik aan een van de draden zou tornen vielen er gaten en zou de waanzin door alle mazen van het net naar buiten glippen.” Dat maakt hem tot een tragisch, confronterend figuur, nog altijd relevant voor de wereld van nu.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie