Home

‘Het laatste woord’ – een kort verhaal van Marente de Moor

Allerzielen Maandag 2 november is het Allerzielen, de dag waarop de doden worden herdacht. Schrijfster Marente de Moor schreef voor NRC een kort verhaal over een oud verhaal dat zich heeft genesteld in een 2000 jaar oude olijfboom.

Die nacht was het precies tweeduizend jaar geleden dat de oude taal zich in de boom nestelde. Hij had de eeuwen geteld sinds hij sprakeloos rond de bast zwierf van wat toen nog maar een magere olijfstam was. Halverwege was hij blijven steken. Daar, op een vertakking boven de gevorkte wortelhalzen, had zich onder zijn gewicht een ovalen zetel gevormd. De oude taal vreesde dat hij er niet meer uit zou komen. Gereisd had hij genoeg; dit hele eiland rond en dat ernaast, over de golven en een tijdje aan vaste wal. Hij had zich tot de mensen verhouden als ze in zichzelf spraken en met anderen. Hij was ze op de voet gevolgd, had ze begeleid in hun opmarsen en aftochten, eenzaamheid en wanhoop. Er werden altijd meer woorden aan haat besteed dan aan liefde. Maar toen de oude taal alleen nog op de lippen lag van de stervenden, begreep hij dat het verhaal ook voor hem was afgelopen. Een binnensmondse flard kreeg hij nog toegeworpen, een laatste kreet uit de kussens. In de stilte die volgde was hij teruggekeerd naar het bos waar hij vandaan kwam, om zich in de boom te vestigen die van plan was de laatste zucht van de mens te overleven.

Ze behield hem, maar hij hield niet van haar. Bomen zijn niet te vertrouwen. Ze geven elk seizoen een nieuwe draai aan de geschiedenis, dikken verhalen aan. Goed beschouwd was zij niet eens de oudste van het land, en zeker geen vierduizend jaar, zoals op het bordje aan haar voet stond geschreven. Ze had valsgespeeld door zich met meerdere stammen uit andere tijden te vervlechten. Màtta, zouden de mensen dat in zijn tijd hebben genoemd; struikgewas. Sommige wortels waren duizenden jaren oud, sommige takken slechts een decennium. Alsof een huis zou oud is als haar stenen! De olijfboom deed er het zwijgen toe. Ze had de oude taal erop kunnen wijzen dat zij tenminste nog bloeide, maar het ontbrak haar aan woorden. Hooguit floot ze een beetje, waarop de honden aansloegen in het dal. Zo verhielden die twee zich tot elkaar, onder een sterrennacht die neerzag op hun ongelukkige huwelijk van tweeduizend jaar.

Woef. Woef. Waf. De gedachtelozen aan hun kettingen spraken eenlettergrepig. Hij wou dat ze eens stil waren, maar de boom bleef ze opjutten. Ze was bang in het donker. Alleen de getemde dieren reageerden, panisch in hun hokken. Wie door de ander heen blaft is bang, wist de oude taal. Dat gold ook voor mensen. Iedereen lag aan de ketting en vreesde de stilte die hem op andere gedachten kon brengen. Woef, waf-waf. Hij voelde de bladspanning onder zich toenemen. Mevrouw maakte zich op voor de laatste dag van dit jaar waarop ze zich kon koesteren in de bewondering van het publiek.

Van april tot november bezochten mensen vanuit alle windstreken het park om haar te bekijken. De meesten kwamen van het vasteland, maar sommigen spraken talen van veel verder weg. Acht maanden per jaar, zes dagen per week zag de oude taal neer op dat spektakel. Eeuwenlang had men haar olijven geoogst, in haar schaduw geslapen. Pas toen de dagen de mensen niet langer uitputten, kregen ze oor voor wilde verhalen. Daarna brak de tijd aan van het fotograferen. Ze fotografeerden zichzelf voor, naast en op de boom. Om haar te beschermen had de opzichter een hek neergezet. De boom miste de omhelzingen en de taal kon hun vreemde woorden niet meer kon opvangen. Sindsdien bracht hij zijn dagen hoofdzakelijk slapend door.

Maar hij was niet dood. Nee, ze hoefden hem maar wakker te maken. Andere talen waren hem voorgegaan. Er bestond een volk dat lang vergeten woorden nieuw leven inblies zoals ze dat met dadelpitten deed. Het was ze nog gelukt ook: van de woorden voerden ze gesprekken en schreven ze boeken, terwijl de pitten na een slaap van tweeduizend jaar waren uitgegroeid tot zeven mooie palmen. Elk volk bewaarde zijn woorden voor bomen het langst. Op het eiland noemden ze de hopbeuk nog steeds aurri en een jeneverbes orri. Golosti, zo heette de hulst en de echo van dat woord kwam vijftienhonderd kilometer verderop terecht, voorbij de besneeuwde toppen van een vreemde berg: gorosti. Wie blies welk woord naar wie? De wind heldert niets op. Wie wil weten waar mensen vandaan komen, moet de grond in en graaft naar de wortels van hun woorden. Lione, zo heette de aardbeiboom lang voordat de Romeinen kwamen. De oude taal was zeker niet dood, maar droomde van het volk dat hem ooit sprak.

Ohmmm…resoneerde het tot diep in de bast. De taal herkende de klank van een oude tijdgenoot. Een groep toeristen was onder het hek gekropen en vleide zich in kleermakerszit aan de voet van de boom. Ze vouwden plechtig hun handen voor hun borst en herhaalden de oersylabe, terwijl een ander diep door de knieën moest om alles op de foto te krijgen.

Ohmmm…

Helaas barstten enkelen van hen in lachen uit, waardoor de trilling verbrak. En de boom giechelde notabene mee, tot ergernis van de oude taal. Begreep ze dan niet dat de oorsprong van de hele schepping in dat woord lag besloten? Vannacht zou haar het lachen wel vergaan. Als de zon onderging zou ze haar angstigste uren beleven, en de honden zouden haar niet helpen. Deze nacht, die elk jaar toevallig samenviel met de wintersluiting van het park, vormde voor de oude taal juist een buitengewoon genoegen. Ze kon voor hem niet snel genoeg aanbreken. Hij verheugde zich, de boom maakte zich klein: zo slecht was nu het huwelijk van die twee, dat ze nooit samen hun hoogtepunt beleefden.

De opzichter had de laatste bezoekers naar de uitgang gesommeerd en volgde het gebogen silhouet van de schoonmaker die in de lage middagzon zijn schaduw betrapte op het legen van de vuilnisbakken. Twee kraaien zagen hoe de mannen uiteindelijk het hek op slot draaiden en bij hun afscheid naar de lucht staarden. Het jaar was omgevlogen maar ze wisten niet hoe. Aan hen had het niet gelegen, want zij hadden precies hetzelfde gedaan als het jaar daarvoor.

Met het klokgelui rolde de schemering over het dal. Boven in het dorp verzamelden de mensen zich bij een granieten kerk. Ze bliezen hun gebeden omhoog om de zielen van hun dierbaren een zetje te geven. De oude taal, hardhorend als hij toch wel was geworden, volgde het allemaal niet meer. Het was misschien niet sympathiek hoe hij zich zat te verkneukelen terwijl zijn gastvrouw op haar wortels stond te trillen, maar zelfs zij begreep dat dit zo’n beetje zijn enige verzetje was. De nacht die viel was uiteindelijk zo zwart dat zelfs de maestrale neerlag met de honden. De mensen haastten zich terug naar huis en huilden binnenskamers. Alleen de oude taal juichte zachtjes, wachtend op zijn verrijzenis.

Ze zeggen dat de doden niet kunnen spreken. Dat ze met stomheid geslagen in de hoek van de kamer staan te wachten tot de levenden een alfabet uitknippen om hen het woord te geven. Dat ze met hun slappe tandeloze monden alleen nog kunnen brullen als ze strompelend de achtervolging inzetten. Ze zeggen dat de spraak met de laatste zucht het lichaam verlaat, als ballastzand voor het opstijgen. Maar de waarheid is dat doden gewoon zuinig zijn op hun woorden. De oude taal zat klaar in zijn olijfhouten zetel om ze uit te delen aan wie hem wist te vinden. Soms waren dat er maar een paar; ongelukkigen die in eenzame verbijstering door hun levenseinde waren overvallen, spijtoptanten die uitspraken wilden terugnemen, verbitterden die nog een punt moesten maken. Andere jaren marcheerde hem een heel regiment tegemoet, de jongste infanteristen voorop, klaar om zich eindelijk van hun laatste schreeuw te bevrijden. Om welke reden dan ook zaten ze allemaal verlegen om het laatste woord.

Toen een grijze nevel zich losmaakte van de horizon, wist hij dat het moment was aangebroken. Daar kwamen de eerste gestalten. Het was een Nuraghische man en zijn vrouw voor wie de dood rond hun dertigste levensjaar was gekomen. Zij had hem nog iets te zeggen, maar toen de taal haar de woorden in de mond wilde leggen, drong haar man naar voren om een verwijt te maken. De toon voor de nacht was gezet. Na hen kwam een boer verhaal halen bij zijn buurman over een erfafscheiding, beschuldigden vier krijgers elkaar van desertie en legde een boogschutter uit waarom de hele geschiedenis van het eiland moest worden herschreven. Een hogepriesteres besteedde haar woorden aan een vloek voor het nageslacht van de Corsi en zelfs de kleine kinderen, die het spreken nauwelijks machtig waren geweest toen ze die gave alweer verloren, ruzieden over wie eerder had moeten sterven. De oude taal was moe. Hij besefte dat hij opeens, net als de olijfboom, hoopte op het einde van deze nacht. Dat hij uitkeek naar de winter, waarin zij samen zouden waken over een park zonder mensen.

„Laten we er maar het beste van maken, jij en ik”, mompelde hij, „we moeten immers nog een tijdje.”

De boom knikte. In den beginne was er het Woord, dacht ze, maar het was beter als dat woord ‘boom’ was geweest.

„B-oooohmmm.”

Voor ze er erg in had was de lettergreep, rond en volmaakt, uit haar binnenste opgeweld. De oude taal keek tevreden naar de zonsopgang. Hij had niets meer toe te voegen.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Taal

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next