Gedurende ‘De Kopenhagen trilogie’, naar de autobiografie van Tove Ditlevsen, vervloek je haar en ga je van haar houden. De uitmuntende acteurs dragen de voorstelling, samen met de perfect passende muziek.
schrijft voor de Volkskrant over theater en podcasts.
Ze wilde een normaal leven met een man en kinderen, maar ze wilde ook uitzonderlijk zijn. Tove Ditlevsen (1917-1976) werd het allemaal: vrouw, moeder, beroemd schrijver. Een groots leven had ze, hoe onbeduidend dat ook begon in een Kopenhaagse arbeiderswijk na de Eerste Wereldoorlog. De wervelend rauwe voorstelling De Kopenhagen trilogie van Internationaal Theater Amsterdam laat je van deze bijzondere vrouw houden, al vervloek je haar richting het eind ook.
Toen in 2020 de Nederlandse vertaling van Ditlevsens driedelige autobiografie Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid (1967-1971) verscheen, werd die geprezen vanwege de eerlijkheid en de literaire stijl. Regisseur Eline Arbo vertrekt vaker vanuit een boek, en deze nieuwe bewerking toont haar op haar best: het geschreven werk sprankelt meer door de rijke, aangrijpende beelden en het uitzonderlijke spel.
Wat een cadeau ook als je de prachtige zinnen van Ditlevsen als materiaal hebt: ‘Mijn kindertijd is lang en smal als een doodskist.’ Maria Kraakman speelt haar vol levenslust, ongeduld en humor. Als kind al wil ze het verstikkende arbeidersbestaan ontvluchten, wat haar tijdens haar tienerjaren lukt, als ze de zinnen die zich voortdurend in haar hoofd vormen verkoopt en haar eerste werk publiceert. Tegelijkertijd raakt ze voortdurend verstrengeld in relaties die behoorlijk zorgwekkend zijn.
Het decor (Pascal Leboucq) bestaat uit stukken herinnering: flubberige, vleeskleurige lappen latex hangen uit het plafond. Het lijken schaduwen van ruimtes die Ditlevsen ooit goed kende – ze maken je ervan bewust dat alles wat we zien is verteld vanuit haar perspectief.
De zeven andere acteurs vertolken de mensen in haar leven: haar narcistische moeder, haar kribbige vader, haar plagerige broer, haar vriendinnen, vriendjes, werkgevers en redacteuren. Deze acteurs dragen niet alleen het verhaal, maar ook de muziek, wat kenmerkend is voor Arbo’s werk. Componist Thijs van Vuure heeft een band opgetuigd met daarin de verrassend veelzijdige stem van June Yanez en Dim Koning op elektrische gitaar. De voorstelling voelt vanwege deze eenheid in muziek en spel als een magisch geheel.
In het eerste deel, als Ditlevsen hunkert naar vluchten, zijn de nummers dramatisch. Het tweede deel is uitgelaten en levendig, maar dan volgt het stillere, knerpende laatste deel, waarbij de andere spelers haast uit het zicht verdwijnen.
Want daar begint de ondergang. Ditlevsen ontmoet een arts die haar verslaafd maakt aan de pijnstiller pethidine. Ze is onheilspellend gelukzalig en klampt zich vanwege de injecties aan hem vast.
De manipulatieve gluiperd zegt: ‘Jij bent geen verslaafde’, als hij haar weer platspuit. Zij is Tove Ditlevsen, zij is bijzonder. Maar ze wordt al snel een ordinaire verslaafde. Zij, die alles had wat ze wilde: een man, kinderen, een carrière als schrijver. Nu verwaarloost ze het allemaal omdat ze in haar verslaving vlucht. Het maakt haar een afstotelijke schim van wie ze ooit was.
Maar ze blijft altijd eerlijk en spaart zichzelf niet – daardoor is ze toch weer bijzonder. Het einde van de voorstelling, als er een zekere aanzet is tot het afgeven van rekenschap, verloopt wat plotseling en snel. Maar Arbo heeft je dan al drie uur lang zodanig verliefd gemaakt op de schrijver dat je Ditlevsen sowieso al alles vergeeft.
Theater
★★★★★
Door Internationaal Theater Amsterdam. Naar Tove Ditlevsen Regie Eline Arbo, tekst Tove Ditlevsen, bewerking Eline Arbo en Peter van Kaaij.
20/10, Stadsschouwburg Amsterdam. Aldaar t/m 21/12.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant