Warning: Undefined variable $groupdata in /var/www/html/index.php on line 161

Deprecated: Creation of dynamic property Smarty_Internal_Template::$compiled is deprecated in /var/www/html/lib/smarty-3.1.30/libs/sysplugins/smarty_internal_template.php on line 612
Het is makkelijk verliefd te worden op de betoverende memoires van Tove Ditlevsen. Haar biografie vertelt een harder verhaal

Home


Deprecated: Creation of dynamic property Smarty_Internal_Extension_Handler::$_updateScope is deprecated in /var/www/html/lib/smarty-3.1.30/libs/sysplugins/smarty_internal_extension_handler.php on line 111

Het is makkelijk verliefd te worden op de betoverende memoires van Tove Ditlevsen. Haar biografie vertelt een harder verhaal

Internationaal Theater Amsterdam speelt De Kopenhagen-trilogie, naar de betoverende memoires van Tove Ditlevsen. Herien Wensink is verliefd op haar vertelstem en de wereld die ze daarmee tot leven wekt. Maar hoe moet je je vervolgens verhouden tot de ontluisterende biografie?

is chef-kunst van de Volkskrant. Ze schrijft over toneel, film, series en popcultuur.

Internationaal Theater Amsterdam speelt De Kopenhagen-trilogie, naar de betoverende memoires van Tove Ditlevsen. Herien Wensink is verliefd op haar vertelstem en de wereld die ze daarmee tot leven wekt. Maar hoe moet je je vervolgens verhouden tot de ontluisterende biografie?

is chef-kunst van de Volkskrant. Ze schrijft over toneel, film, series en popcultuur.

Donker is je kindertijd en hij huilt klaaglijk als een diertje dat in een kelder opgesloten zit en is vergeten. (Uit Kindertijd, 1967).

Dat schreef zij, deze vrouw, die nu gevelhoog uittorent boven haar geboortestraat, de Hedebygade in de wijk Vesterbro in Kopenhagen. Tove Ditlevsen, literaire heldin, een van de bekendste en geliefdste Deense schrijvers. In Nederlandse termen: iets tussen Connie Palmen en Annie M.G. Schmidt.

Het is een goedaardig portret in grijstinten, met vrolijke, kleurrijke accenten: een paar roze bloemetjes hier en daar, een blauwe vlinder boven haar hoofd en achter haar twee tortelduifjes op een telefoondraad. Deze zachtmoedige dame van middelbare leeftijd kijkt minzaam glimlachend neer op de schoongeveegde binnenplaatsen van haar jeugd.

Wat tussen haar vingers eerst een sigaret lijkt, blijkt bij nader inzien een potlood.

Het is een vredig, ongevaarlijk tafereel. In een pand tegenover de tekening juichen de speelgoedkleuren van een kinderopvang je tegemoet.

En ondertussen huilt dat diertje ergens klaaglijk in een kelder.

Barsten in een kindertijd

Tove Ditlevsen (1917-1976), de onverschrokken Deense schrijver die een jaar of zes geleden wereldwijd werd (her)ontdekt, schrijft adembenemend mooi over de pijn van het kind-zijn, een pijn die in haar geval nooit overging. ‘Alleen gedichten kunnen de barsten in mijn kindertijd bedekken’, schreef Ditlevsen, ‘als een tere, nieuwe huid onder een korstje dat er nog niet is afgevallen.’

Volwassen lezers die zulke korstjes kennen, kunnen onverwacht gevloerd worden door haar beschrijvingen en haar toon, die messcherp is, trefzeker en ontluisterend, maar ook héél grappig, empathisch, niet-oordelend en warmbloedig. Ze schrijft met superieure distantie én liefde vanuit de ernstige blik, grote dromen en verlangens van een kind.

Hier op de gevel is ze verworden tot vrolijke malle peetmoeder voor de blakende kindertjes van welgesteld Vesterbro. Maar waar is de drankfles? De injectienaald?

Sporen van vroeger

Kindertijd is een briljant boek, geschreven in een psychiatrische inrichting.

Tove Ditlevsen was verslaafd aan zware pijnstillers, alcohol en mannen. Ze trouwde vier keer en verwaarloosde drie kinderen en een pleegkind. Ze leed aan depressies en psychoses. Ze verbleef talloze keren in afkickklinieken en psychiatrische ziekenhuizen. Ze deed vier of vijf zelfmoordpogingen, waarvan de laatste, in 1976, succesvol was.

Ditlevsen schreef in haar leven zo’n dertig boeken – dichtbundels, verhalenbundels, jeugdboeken en romans – en ze had een enorm populaire adviescolumn in het weekblad Familie Journal. Ze werd 58 jaar.

Sinds haar werk werd herontdekt, geldt ze als heldin, icoon, feministisch boegbeeld. De geweldige vrouw op de gevel. Haar Kopenhagen-trilogie (1967-1971), die bestaat uit de boeken Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid, wordt wereldwijd gelezen en geroemd.

Regisseur Eline Arbo brengt de trilogie memoires nu als één lange voorstelling bij Internationaal Theater Amsterdam, met de onvolprezen Maria Kraakman als Tove. Kraakman staat bijna de hele voorstelling in meisjesnachthemd op het toneel. Aan het slot zet ze heel even haar kenmerkende hoed op.

En ik ben in Kopenhagen, op zoek naar… Ja, naar wat eigenlijk? Naar Tove?

Het sfeervolle Vesterbro, met zijn 19de-eeuwse arbeidershuizen van rode baksteen, is nu een welvarend hipsterwalhalla. Hier loopt de Istedgade, de voornaamste wijkader, van het Centraal Station van Kopenhagen westwaarts naar Enghave Plads, langs de straten en pleinen waar Ditlevsen haar jeugd doorbracht.

Ik wandel langs de Carlsbergvej, waar de kleine Tove op school zat. Het Søndermarken-park, waar ze haar getergde ouders één keer gelukkig zag, zoals ze in een gedicht beschreef. De Matthaeusgade, waar zedendelinquent Rode Carl een leeftijdsgenootje vermoordde. De Gasvaerksvej, die, zo schrijft ze, ‘de grens vormt tussen fatsoenlijke burgers en de zondaars’. De straatnamen hebben voor mij een vreemd aantrekkelijke, literaire klank, een beetje als Verona, Pemberley, Hobbitstee.

Pal naast het station tref je nog sporen van wat de wijk ooit moet zijn geweest: een armlastige arbeidersbuurt, geteisterd door werkloosheid, alcoholmisbruik, prostitutie en geweld. Een rijtje helverlichte avondwinkels, een paar shoarmazaken, een enkele verdwaalde stripclub.

De morsige Cristal Club aan de Istedgade 28 afficheert zichzelf ambitieus als ‘World Famous Gentlemen’s Club’. Ditlevsen schrijft, niet ontoevallig: ‘De Istedgade zie ik altijd voor me als een mooie mevrouw die op haar rug ligt, met haar haar bij de Enghave Plads.’

Maar al na twee blokken transformeert de Istedgade weer in een ‘straat vol gezellige horeca en trendy winkels’, volgens mijn reisgids.

Verderop, om de hoek van Enghave Plads, loopt de Hedebygade. Hier werd in 1917 op nummer 30A, vierhoog-achter, Tove Irma Margit Ditlevsen geboren.

Subtiel hartverscheurend

Op de eerste bladzijde van Kindertijd tref je meteen de Istedgade aan, als Ditlevsen de ochtenden beschrijft die ze als klein meisje samen met haar moeder beleeft. ‘(…) en als ik heel stil was en niets zei zou de diepe rust in haar ondoorgrondelijke hart voortduren, totdat de ochtend voorbij was en ze boodschappen zou gaan doen in de Istedgade, net als elke normale huisvrouw.’

Zo veel rijkdom, zo veel spanning, in die paar summiere zinnen.

Subtiel hartverscheurend beschrijft Ditlevsen het verlangen van het kind naar de liefde van haar onvoorspelbare, explosieve moeder, in broze, intieme momenten die altijd te kort duren, verstoord door haar moeders ‘duistere woede’ die altijd resulteert in ‘een klap in mijn gezicht of een duw tegen de kachel’.

De eerste zin van Kindertijd: ’s Ochtends was er hoop.

’s Avonds, als de kleine Tove probeert te slapen in de kamer die ze met haar ouders deelt, transformeert haar ‘kindertijdstraat’ in een angstaanjagend oord. ‘Verderop in de Istedgade (…) loeien politieauto’s en ambulances (…) Dronkenlappen liggen op straat met gebroken, bloederige hoofden en als je Café Charles binnenstapt, word je vermoord. Dat zegt mijn broer en alles wat hij zegt is waar.’

Op de geveltekening staan ook een kleine Tove en haar broer Edvin, hand in hand, zij in een kort geruit jurkje, hij in een matrozenpakje met keurige witte kniekousen, als de Deense Ot en Sien.

Vesterbro was toen een van de armste arbeidersbuurten in Kopenhagen. In de jaren twintig van de vorige eeuw woonden er op 1 vierkante kilometer meer dan tachtigduizend mensen in krappe etagewoningen. Tove Ditlevsen leefde met haar ouders en oudere broer in een tweekamerappartement van 30 vierkante meter. Uit haar boek De Kindertijdstraat: ‘Ik ben mijn familie zo beu, want elke keer als ik me vrij wil bewegen is het alsof ik me eraan stoot.’

Deel 1 van de trilogie, Kindertijd, beschrijft indringend en benauwend het fysieke en mentale ruimtegebrek van een slim, gevoelig, opgroeiend kind en haar verbitterde ouders, in een kansarm, uitzichtloos milieu. Er is naïef kinderlijk plezier, zeker, maar over alles hangt een dreigende, donkere waas. Ze verhongerden niet, schreef Ditlevsen, maar leefden soms wel een tijdlang op oudbakken, afgedankt witbrood. Tove leed in haar jeugd aan difterie, vitamine D-gebrek en rachitis.

Ernstig en op een bepaalde manier onthecht, met de stem van een kind voor wie dit alles tegelijk heel groot én alledaags is, beschrijft Ditlevsen de zedendelicten, tienerzwangerschappen, het alcoholmisbruik en het geweld om zich heen. Seksuele voorlichting, zo schrijft ze, vindt plaats op de morsige binnenplaatsen, ‘op de rand van de vuilnisbak’. Haar opmerkzame, onaangedane blik laat de ellende nog harder binnenkomen.

Onsentimenteel deelt ze het lot van onderbuurmeisje Rapunzel, wier ouders bij bierbrouwer Carlsberg werken, en ieder vijftig pilsjes per dag drinken. ‘(…) net als het voor mij bedtijd is, beginnen ze te schreeuwen en slaan ze Rapunzel met een dikke stok.’ Ook Toves grootvader van moederskant was alcoholist, tot hij zichzelf – ‘gelukkig’ – verhing.

Mijn reisgids stuurt me ondertussen monter naar de nieuwe chique woonwijk Carlsberg Byen, vernoemd naar het beroemde biermerk, ‘met zo’n 2.600 appartementen, restaurants, kantoren, scholen en dagverblijven’. In een speeltuin op de Enghave Plads gaan peuters met een fietshelm van de glijbaan.

Ontsnapping

Te midden van de ellende vindt de kleine Tove troost in boeken, en bij ‘lange, merkwaardige woorden (die) als een beschermend vlies over mijn ziel kruipen’. Tegelijk leidt die liefde voor taal en haar fantasierijke, speelse geest er ook toe dat ze verder van haar familie vervreemdt. Vanwege haar verzinsels noemt haar broer haar een leugenaar. Hij lacht haar uit omdat ze dichter wil worden.

De Hedebygade, waar het gezin woonde, is nu een lommerrijke, witgepleisterde straat. Aan de keurige voorkant van nummer 30, een fraai, vijf verdiepingen tellend pand uit 1884, herinnert niets aan haar meedogenloze weergave van het harde leven hier. Binnen schijnt een plaquette te zijn, alleen te zien als de antiekgroen geschilderde poort open is.

Pal naast nummer 30 zit een filiaal van babyspullenketen Baby Sam, met ergonomische wipstoeltjes, wiegjes en wandelwagens in subtiele Deense zandkleuren. Een glimmend, kastanjebruin pufferslaapzakje is in de uitverkoop, van 160 voor nu 128 euro.

Het is een vreemde gewaarwording, om onder het welvarende Vesterbro van nu de bittere armoede van toen te vermoeden. Maar hij is er, al doet de tijd nog zo z’n best om hem weg te poetsen. Aan het begin van de Istedgade, voor de opvang bij de Mariakerk, wiegt een dakloze man zijn drankflessen in een kinderwagen.

‘De Istedgade is de straat van mijn kindertijd – haar ritme zal altijd in mijn bloed kloppen.’

Dat Ditlevsen voortkomt uit deze omstandigheden, zich eraan ontworstelde en haar afkomst vervolgens zo schitterend vereeuwigde, is een klein wonder. Haar stem ontroert me keer op keer.

Je kindertijd is lang en smal als een doodkist, schrijft ze, en je kunt er niet zonder hulp aan ontsnappen.

De vraag is of het haar ooit is gelukt. In het tweede deel van de memoires, Jeugd, schrijft ze: ‘De wereld verandert aan één stuk door, het is alleen de wereld uit mijn kindertijd die beklijft.’

Maria Kraakman in de voorstelling: ‘Er woont een meisje in me dat niet sterven wil.’

Je kunt er niet zonder hulp aan ontsnappen. Ditlevsen vindt die hulp, denkt ze, bij mannen; in elk geval tijdelijk. Jeugd voert van een reeks onbeholpen baantjes tot een positie als echtgenote en gepubliceerd auteur. Op haar 20ste is ze het huis uit en getrouwd met de dertig jaar oudere Viggo F. Møller, redacteur bij een poëzietijdschrift, die haar helpt bij de publicatie van haar eerste dichtbundel, Pigesind (Meisjesziel). Nu krijgt Kopenhagen voor haar glans.

Op de laatste bladzijde houdt ze voor het eerst haar eigen boek in haar handen. ‘Mijn boek! Ik pak het op en voel een plechtig soort geluk dat op niets lijkt wat ik ooit eerder heb gevoeld.’ En de lezer voelt het ook.

Hier lijkt het leven even helemaal goed te komen.

Onvervalste horror

In het derde boek, Afhankelijkheid, verlaat ze Møller voor economiestudent Ebbe Munk, met wie ze een dochter krijgt. Maar ook Ebbe ruilt ze in, voor arts Carl Ryberg. Een man, zo schrijft ze sardonisch, met ‘vierenzestig tanden in zijn mond in plaats van tweeëndertig’.

En hier neemt haar leven een macabere afslag, alsof de blauwdruk van haar afkomst onvermijdelijk naar ellende leidt.

Vanaf het moment dat ze Carl ontmoet ontspoort de reeks in onvervalste horror. Carl heeft haar mogelijk zwanger gemaakt na een overspelige onenightstand, en hij biedt aan om haar dan ook maar meteen te aborteren – dat is dan nog illegaal. Daarbij voorziet hij haar intraveneus van een krachtige, morfineachtige pijnstiller, pethidine. En voor ze het weet ‘verspreidt zich een zalig gevoel door mijn lichaam zoals ik niet eerder heb ervaren’.

Even later: ‘Ik besluit de man die me zo’n onbeschrijflijk, zalig gevoel kan geven nooit meer te laten gaan.’ In het Deens heet het derde boek Gift, wat bizar genoeg zowel ‘huwelijk’ als ‘gif’ betekent.

Ditlevsen trekt met haar dochter Helle in bij Carl, die haar gewillig voorziet in haar steeds ernstigere verslaving. Steeds als ze wegglijdt in de verdoving heeft hij seks met haar. Met Carl krijgt ze nog een kind, en ondertussen injecteert hij haar systematisch, meermaals per dag, vijf jaar lang, tot ze geen goede ader meer overheeft en nog maar 30 kilo weegt. Uiteindelijk weet ze weg te komen met de hulp van een bevriende arts, die haar laat opnemen.

De horror van het afkicken overschaduwt de horror van de verslaving. Carl ziet ze nooit meer terug.

Na deze redding trouwt ze opnieuw, nu met journalist Victor Andreasen, in wat een lang, maar zeer drankzuchtig en destructief huwelijk zal worden, dat voor een groot deel in de openbaarheid wordt uitgevochten – via interviews, boeken en columns. Ook met hem krijgt ze een kind. En steeds weer is er een terugval in de verslaving, nu ook aan alcohol, methadon, barbituraten, amfetamine, ritalin. En herstel. En weer een terugval.

Het boek eindigt met: ‘(…) als ik alleen maar bloed moet laten prikken of langs een apothekersetalage loop, wordt het oude verlangen heel zachtjes in me gewekt. Het sterft nooit helemaal, zolang als ik leef.’

Afhankelijkheid verscheen in 1971. Haar zelfmoord vijf jaar later, op 58-jarige leeftijd, was met een overdosis slaappillen.

Op de Vesterbrogade toont een boekhandelaar mij zijn Ditlevsenplank, met een stuk of tien titels. ‘Great writer, sad ending’, zegt hij.

Bezoedeld door de feiten

Het gaat bijna vanzelf. Wie haar werk leest, moet met haar meevoelen. Moet van haar houden. Helaas ben ik hier in Kopenhagen ook aan de biografie (van Jens Andersen) begonnen. Hij beschrijft grotendeels dezelfde gebeurtenissen als zijzelf in de trilogie, maar hier ontbreekt haar magnetische, soms subtiel verhullende vertelstem.

Uit de kale feiten doemt een ander beeld van Ditlevsen op. Een verwarrend en soms zelfs afstotend beeld, van een vrij onmogelijke, onaangename vrouw. ‘Diva Thotlevsen’ werd ze smalend genoemd.

Lees ik de fictie van Tove Ditlevsen, dan voel ik iets dat op verliefdheid lijkt: haar stijl, haar woordkeus, haar vertelstem, ik vind ze betoverend en verslavend. Lees ik óver haar, dan voel ik weerzin, soms zelfs woede. Ik hou van het werk, maar de biografie brengt me in een soort artistieke gewetensnood. Mijn liefde raakt bezoedeld door de feiten.

Terwijl ik in Kopenhagen haar gangen naga, langs de Tove Ditlevsen Skole, en het postzegelmaatje Tove Ditlevsen Plads, word ik heen en weer geslingerd tussen fascinatie, empathie en afkeer.

Kort nog even die feiten, omdat we ze – helaas – kunnen kennen. Op latere leeftijd was Tove Ditlevsen absoluut onhandelbaar: onaangepast, provocatief, kinderlijk behoeftig, schaamteloos zelfzuchtig. Ze had een zeer ongezonde hunkering naar bevestiging en erkenning, en was pathologisch afhankelijk van aandacht en seks; een soort vrouwelijke kruising van Theo van Gogh en Joost Zwagerman, met een vleugje vroege Palmen. De laatste tien jaar van haar leven verbleef Ditlevsen langere tijd in psychiatrische ziekenhuizen, alwaar ze, dat dan weer wel, veel schreef. En hoe.

Maar de rest van de tijd was ze high, dronken, of allebei, en verkeerde in een haast permanente staat van decorumverlies. Biograaf Andersen beschrijft een gênant tafereel waarbij ze zich pijnlijk misdraagt op een feestje van haar uitgeverij, en noemt (of roemt?) haar ‘vaak grensoverschrijdende gedrag’.

Verderop, met een vreemd soort waardering: ‘Ze ging tot het uiterste, niet alleen in debatten maar ook in haar verslaving’ (Let op de merkwaardige gelijkstelling).

‘Zou je niet nog een kind willen?’, vraagt haar dealer-minnaar Carl in Afhankelijkheid. ‘‘Jawel’, zei ik direct, want een kind zou onze band nog hechter maken.’ Zo kan ze hem, en vooral zijn pethidine, voor de rest van haar leven aan zich binden.

‘Na elke scheiding verdeelden we de kinderen alsof het meubels waren’, noteert ze koeltjes in de roman Vilhems kamer (1975).

Getransformeerde uitwassen

Andersen, een beetje onmachtig: ‘Tove Ditlevsen gaf graag toe dat ze was mislukt als echtgenote, moeder en gezinslid.’

Meer dan eens moest ze ‘door gezinsleden of vrienden worden gered uit een bed of ligstoel, omdat ze diep in slaap was gevallen met een brandende sigaret tussen de vingers’.

Maar de peuk in haar hand op de geveltekening in Vesterbro moest een onschuldig potloodstompje worden. Het witwassen van de geschiedenis is hardnekkig. We verdoezelen de ellende, of we vieren die als iets lovenswaardigs.

Dat doet Andersen ook. Krampachtig transformeert hij de uitwassen tot iets positiefs, of op z’n minst heldhaftigs. Zo stelt hij haar compulsieve promiscuïteit voor als emancipatoire keuze; een prijzenswaardige, antiburgerlijke verzetsdaad. Haar suïcidale neigingen noemt hij eerbiedig ‘nieuwsgierig en onderzoekend’, en ‘vrij van taboes’. Zelfs van een tragisch doodsverlangen maakt hij een heroïsche daad.

‘Wanneer ze aanstoot gaf, provoceerde en zich misdroeg was ze altijd in haar element’, juicht hij. En ik krijg een steeds grotere hekel aan mijn Tove.

De vrouw die zich zo schitterend om haar eigen kinderlot bekommerde, werd zelf een moeder uit een nachtmerrie. Diep weggezonken in verslaving, of weer eens voor langere tijd opgenomen, liet ze de zorg voor haar kinderen jarenlang aan anderen over, zoals de vaak ook niet bepaald stabiele vaders. Slachtoffer werd dader. Twee van haar kinderen stierven vroeg, na nogal treurige levens.

Verschillende psychiaters hebben zich gebogen over haar… ja, zo mag ik het toch wel noemen, ziektebeeld. Erling Jacobsen, die haar lang behandelde, constateerde dat Ditlevsen ‘niet in staat was de kinderintensiteit van haar emoties te reguleren’.

In 1950 kreeg ze de diagnose bipolaire stoornis. Maar als ik even literair-forensisch mag psychologiseren, vermoed ik dat het oordeel tegenwoordig borderline zou zijn, die hachelijke persoonlijkheidsstoornis die vaak wortelt in jeugdtrauma, en waarbij de emotieregulatie blijft steken in de kindertijd. Zelf had Ditlevsen – verrassing! – weinig op met psychiaters.

Dochter Helle Munk schreef dat haar moeder ‘beschermd moest worden’.

En weer jankt daar ergens een diertje in een kelder.

Slecht mens, briljant kunstenaar

In 2023 kwam aan het licht dat dat Ditlevsens vierde echtgenoot zijn stiefdochter Helle jarenlang heeft misbruikt, van haar 15de tot haar 19de. En dat Ditlevsen dit waarschijnlijk heeft geweten, aangezien ze er in literair werk op zinspeelde.

In een brief uit 1962 schreef ze aan de toen 19-jarige Helle: ‘Als moeder verlang ik naar je, maar als rivaal kan ik wel zonder je.’ De onthulling, die te laat kwam voor Andersens biografie, veroorzaakte een schokgolf in Denemarken.

Ik wil dit ook allemaal liever niet weten. Maar ja, nu weet ik het.

Alice Munro, Doris Lessing, en ja, Tove Ditlevsen. Geniale schrijvers, gruwelijke moeders.

Is het burgerlijk, kleinzielig, onfeministisch om dit lastig te vinden? Ik vind dit lastig. (Ja, bij geniale gruwelijke vaders óók.) Niet omdat het niet zou kunnen dat een geniaal schrijver een slecht mens is natuurlijk; de literaire canon bewijst helaas keer op keer het tegendeel.

Maar omdat geschiedschrijvers, biografen en bewonderaars zich bij wangedrag zo fanatiek opwerpen als apologeten. Zij stellen het gedrag voor als onvermijdelijk of noodzakelijk: een voorwaarde voor, of zelfs de bron van, de genialiteit. Iets om te verdedigen. Iets om te beschermen. Wie van een oeuvre houdt, wil de maker blijkbaar toch graag als heilige zien: als een vriendelijke mevrouw met hoed en bloemen op een geveltekening. Als een slachtoffer of een bewonderenswaardige rebel.

Het liefst had ik ook nog onwetend van haar willen houden. Maar nu moet ik (wéér) proberen een onaangenaam persoon en een schitterend schrijverschap met elkaar te verzoenen. In Kopenhagen ben ik een beetje in de rouw.

Slecht mens, briljant kunstenaar. We leren braaf om ze te scheiden, maar op de een of andere manier gaan ze toch altijd op elkaar inwerken. Alsof we zo een uitweg zoeken uit een gevoelsmatig onmogelijke impasse.

Maar we hoeven die twee polen helemaal niet met elkaar te verzoenen. In haar leven kwam Ditlevsen het trauma van haar kindertijd nooit te boven, met alle schade, ook voor anderen, van dien. Maar ze schrijft erover op een manier die al dat pijnlijke, aardse, lelijke ontstijgt. Al het levensechte leed zit in haar werk, maar vormgegeven en vervolmaakt, en in die gesublimeerde gestalte is het onvergetelijk. Het is de ultieme, gezuiverde vorm van iets dat lelijk, treurig en rommelig was. De feiten verdwijnen niet. Maar die wonderschone vorm, die blijft óók. Die kunnen we blijven lezen, die kunnen we nu op toneel zien.

Die boekhandelaar op de Vesterbrogade zei het precies goed. Great writer, sad ending. De feiten naast elkaar vaststellen is genoeg. Ze blijven vaststellen.

De theaterversie doet een voorzichtige poging om iets van Ditlevsens zwarte kant te laten zien, eerlijker en kritischer dan ze die zelf beschreef. Terwijl tegelijkertijd volop de schoonheid van haar werk wordt gevierd. Dat kan dus.

De toneel-Tove van Maria Kraakman zegt het ronduit: ‘Ik heb mijn kinderen verwaarloosd, ik ben een verslaafde, ik heb mensen misbruikt.’

Maar ook: ‘Ik wilde mijn leven aan je geven.’

Dat heeft ze gedaan. En ik heb het aangenomen.

De Kopenhagen-trilogie is uitgegeven bij Das Mag, in vertaling van Lammie Post-Oostenbrink.

ITA speelt De Kopenhagen-trilogie tot en met 21 december.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next