Warning: Undefined variable $groupdata in /var/www/html/index.php on line 161

Deprecated: Creation of dynamic property Smarty_Internal_Template::$compiled is deprecated in /var/www/html/lib/smarty-3.1.30/libs/sysplugins/smarty_internal_template.php on line 612
‘Je moet gewoon net doen alsof het makkelijk is’: een masterclass Beethoven bij grootmeester Ronald Brautigam

Home


Deprecated: Creation of dynamic property Smarty_Internal_Extension_Handler::$_updateScope is deprecated in /var/www/html/lib/smarty-3.1.30/libs/sysplugins/smarty_internal_extension_handler.php on line 111

‘Je moet gewoon net doen alsof het makkelijk is’: een masterclass Beethoven bij grootmeester Ronald Brautigam

Pianist Ronald Brautigam, dé Nederlandse Beethovenvertolker, staat zondag in het Concertgebouw. Waardoor klinkt bij hem alles zo superieur? Muziekredacteur (en beroepsmuzikant) Dennis Bajram bedwingt zijn zenuwen en volgt een masterclass bij hem.

schrijft voor de Volkskrant over hedendaagse muziek.

Pianist Ronald Brautigam, dé Nederlandse Beethovenvertolker, staat zondag in het Concertgebouw. Waardoor klinkt bij hem alles zo superieur? Muziekredacteur (en beroepsmuzikant) Dennis Bajram bedwingt zijn zenuwen en volgt een masterclass bij hem.

schrijft voor de Volkskrant over hedendaagse muziek.

Ik zit in de auto naar Delft. Gisteravond stuitte ik online op een mooie Kawai C7-piano, een degelijk studie-instrument, met een warme, houten toon en een stevige aanslag. Die piano is nodig. Echt nodig, want er moet gestudeerd worden. En flink ook, want ik heb nog maar twee weken de tijd.

Twee weken later zit ik met trillende vingers achter een 2,74 meter lange Steinwayvleugel in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Ik speel de Sonata Pathétique van Ludwig van Beethoven, over mijn schouder kijkt niemand minder mee dan Ronald Brautigam (72), een van Nederlands beroemdste pianisten en dé Beethovenvertolker.

Brautigams uitvoeringen op de historische fortepiano behoren tot de beste ter wereld. Hij werd in 1954 geboren in Amsterdam en groeide in de jaren tachtig uit tot pianofenomeen. Vanaf de jaren negentig nam hij alle pianosonates en -concerten van onder meer Beethoven, Mozart en Mendelssohn op.

Zondag 25 oktober en op 7 februari en 9 mei geeft hij Beethovenrecitals in diezelfde zaal van het Concertgebouw, het gebouw waarin hij zo’n driehonderd keer optrad en in 2024 werd onderscheiden met de Concertgebouw Penning.

Op beschaafde wijze ontleden

Het idee ontstaat tijdens de redactievergadering: kan de Volkskrant geen Beethoven-masterclass van hem krijgen, om één stuk helemaal door te nemen en te horen wat hij ermee doet? Wat voelt en denkt Brautigam bij het spelen van deze muziek? Zijn zijn opvattingen over Beethoven in de loop der jaren veranderd?

Als door te lichten sonate ligt de Pathétique het meest voor de hand. Het is een van Beethovens mooiste en beroemdste pianowerken. Bovendien, ook niet onbelangrijk, zijn de noten redelijk goed te spelen (anders dan bijvoorbeeld de sonate Hammerklavier).

Zo begin ik thuis vlijtig aan de Pathétique, Sonate nr. 8, opus 13. Het stuk uit 1798 bestaat uit drie afzonderlijke delen: een dramatisch openingsdeel (Grave – allegro di molto e con brio), een bloedmooi tweede deel (Adagio cantabile) en een rap, vurig slot (Rondo: allegro). Hoewel het tot Beethovens vroege, klassieke periode behoort, wijst de Pathétique, vol zware akkoorden, dynamische contrasten en expressieve melodieën, al vooruit naar de 19de-eeuwse romantiek.

Ik heb de sonate gespeeld in mijn conservatoriumtijd, maar nu, twintig jaar later achter de net aangeschafte Kawai, merk ik pas hoe hard mijn klassieke techniek achteruit is gehold. De versleten Nord Electro-synthesizer, die jarenlang dienst deed als oefenpiano, heeft daar niet bij geholpen.

Als ik Ronald Brautigam twee weken later opwacht bij de artiesteningang van het Concertgebouw, ben ik toch best tevreden over mijn resultaat. Daar komt hij de hoek om, precies zoals ik me hem had voorgesteld: een woeste, grijze haarbos, spijkerbroek, relaxte sneakers.

Brautigam heeft een zachte persoonlijkheid en gevoel voor humor. De Páthetique ‘op beschaafde wijze ontleden’, daar verheugt hij zich wel op. We schudden handen, hebben een gezellig gesprek, ik zeg ‘jij’ en ‘Ronald’, de zenuwen ebben weg.

Voor even dan, want zodra ik achter de lange Steinwayvleugel zit, slaat de paniek toe. De zaal is gapend leeg, uit mijn rechterooghoek zie ik Brautigam achter me staan. Ik spreid de uitgeprinte bladmuziek uit. Een vleugel van deze categorie heb ik nooit bespeeld. Alles is luider, soepeler, directer. Foutjes wegmoffelen zal niet gaan.

Ik adem in en sla het zware c-klein-akkoord aan. Nu is er geen weg meer terug.

Kwam ik thuis mooi foutloos door de sonate heen, in de Kleine Zaal voelt het alsof ik door een mijnenveld ren. Na een minuut of drie bereik ik het eind van de expositie* (zie de verklarende woordenlijst onderaan). Tot hier.

Dan volgen de twee seconden stilte waar ik vooraf tegenop zag. Tik. Eén... Wat gaat Brautigam zeggen? Tik. Twee...

‘Nou, niet slecht!’ Wat een opluchting! ‘Maar...’

Brautigam legt uit wat hij allereerst miste. ‘Je hoort hoe origineel en intens Beethoven met dynamiek omgaat. Hier worden toch wat van die scherpe randjes weggestreken.’ Natuurlijk had hij kunnen zeggen: ‘Jij strijkt die scherpe randjes weg’, maar daar lijkt hij veel te vriendelijk voor.

De masterclass is nu echt begonnen. ‘De kern van Beethoven is dat het heel ongemakkelijk moet klinken af en toe’, legt Brautigam uit. Hij wijst op maat 16, waar het eerste thema* begint: heftige tremolo’s* in de linkerhand, een rechterhand die katachtig op en neer klimt. ‘Dat crescendo* hier loopt helemaal door tot het subito piano* in maat 19. Dan valt het plotseling weg, alsof je de laatste trede van een trap mist.’

In mijn bladmuziek zie ik die abrupte terugval helemaal niet. Er staat juist een vloeiende afbouw, een diminuendo!*

Ik wil mezelf voor mijn kop slaan: ik heb de Godowsky-editie uitgeprint, in 1923 uitgebracht door de virtuoze Pools-Amerikaanse pianist Leopold Godowsky. Edities zijn (her)uitgaven, veel uitgevers namen vroeger meer vrijheid met aanpassingen. Fraseer dit zus, articuleer dat zo.

In mijn Godowsky-uitgave staan allerlei interpretatieve toevoegingen die Beethoven zelf nooit heeft genoteerd. Hij was echter al volledig voorzien van vingerzetting, wat mij uren studietijd bespaarde. Efficiënt dus, maar ook verwarrend.

‘Veel 19de- en 20ste-eeuwse pianisten maakten Beethoven nu eenmaal mooier dan hij is.’ Brautigam haalt zijn tablet tevoorschijn, met daarop een urtext* en neemt plaats achter de vleugel. ‘Kijk, soms moet je meedogenloos te werk gaan.’ Hij bouwt een woest crescendo op en laat het volume in maat 19 abrupt inkrimpen. Zo’n subito piano is prima in te studeren, ook voor pianisten uit lagere divisies, maar de kracht die uit Brautigams handen komt, is van een klasse apart.

Ik heb vaker naast musici gezeten die tot de wereldtop behoren. Wat je ziet, zijn twee handen die exact dezelfde noten spelen die ook jij hebt ingestudeerd. Wat je hoort, is iets compleet anders: een toon die vol en gedefinieerd is, zangerig wanneer die moet zingen, scherp wanneer er spanning moet zijn.

Iets nieuws, iets shockerends

Over spanning gesproken: ik vraag Brautigam naar het openingsakkoord van de sonate, een gigantisch c-klein-akkoord, met daaronder de aanduiding fp (forte-piano, oftewel luid en dan direct zacht). Veel pianisten spelen hem wat subtieler, terwijl Brautigam hem op zijn bekroonde cd-opname uit 2014 fel de fortepiano uit ramt. Hoe zit dat?

Als voorbeeld speelt Brautigam het begin van een vroegere Beethovensonate, Pianosonate nr. 5. Die zogenaamde ‘Kleine Pathétique’ begint ook met zo’n c-klein-akkoord, maar dan iets lichter. In een vlugge driekwartsmaat danst het thema direct verder.

‘Je hoort datzelfde c-klein-akkoord. Het verschil is dat die muziek gelijk verdergaat. Bij de Pathétique is het echt –’ Knal. Brautigams gekromde vingers geven een flinke tik aan de toetsen. Het pedaal laat het akkoord lang doorgalmen. Brautigams armen zweven boven zijn hoofd. ‘Je hoort de interferentie tussen de snaren, het klinkt onaangenaam.

‘Beethoven was 27 toen hij dit schreef. Hij wilde het Weense publiek laten horen dat het tijd was voor iets nieuws, voor iets shockerends.’

Hoe laat je de volgende vijf akkoorden soepel uit dat verwoestende beginakkoord opbloeien? ‘Ik probeer dat dan altijd zo te doen.’ De vijf akkoorden glijden uit Brautigams vingers, in een soepele boog aaneengebonden. ‘En dus niet zo.’ Hij herhaalt ze, dit keer sterker gearticuleerd. Ik begrijp het, op Brautigams manier klinken de akkoorden niet alleen zacht, maar ook vredig.

Al die details maken dat zijn Pathétique anders klinkt dan de uitvoeringen van hordes andere pianisten. Ik ben benieuwd of hij na al die jaren steeds weer nieuwe inzichten ontwikkelt. ‘Kijk, dat is het mooie van deze muziek’, Brautigam zet de urtext op de notenstandaard, ‘ik doe vanaf het eerste akkoord gewoon wat er staat. Voor mij voelt dat iedere keer anders. Voor iemand in de zaal klinkt het misschien elke keer hetzelfde.’

Ik mag het tweede thema vanaf maat 51 laten horen. De linkerhand speelt luchtige akkoordjes in es-klein, de rechterhand springt er soms overheen, de diepte in, en vliegt dan weer omhoog, waar een sierlijk geornamenteerde* melodie dartelt. Ik merk dat de zenuwen wat zijn weggezakt en sla dit keer geen foute nootjes aan.

Mijn uitvoering blijkt te dwepend. ‘Die melodietjes zijn heel onschuldig’, zegt Brautigam, ‘zo: tatata die, dadie, dadam.’ Zijn handen wuiven soepel op en neer. ‘Je moet er niet te veel van maken.’ Ik speel de regel nog eens, nu volgens Brautigams aanwijzing. Goed gelukt, denk ik tevreden. Thuis luister ik de opname terug. Het lijkt nergens op.

‘Kijk, mag ik even?’ Brautigam laat zich op de pianokruk zakken. ‘Niet dat het dan veel beter gaat klinken, hoor.’ Brautigam speelt de passage. Die klinkt natuurlijk wél veel beter.

Een waaier aan gebroken akkoorden

‘Pathétique betekende in die tijd iets anders dan het woord pathetisch nu. Het stond voor iets groots, iets meeslepends. Zijn uitgever had het voorgesteld en Beethoven was het er eindelijk een keer mee eens’, zegt Brautigam lachend. ‘Meestal vond hij het maar niets als mensen zijn stukken een naam gaven.’

Over meeslepend gesproken, we bekijken het slot van de expositie. Een waaier aan gebroken akkoorden ontvouwt zich. De muziek groeit: de handen bewegen snel van elkaar weg, de akkoorden worden luider en luider, totdat een climactische cadens* in Es-groot volgt. Het is maar goed dat het huis van de buren juist nu verbouwd wordt. Aan deze passage heb ik ochtenden, middagen en avonden besteed.

‘Concentreer je meer op je linkerhand, die moet het crescendo maken.’ Ik doe mijn best, maar mijn linkerhand is zwakker dan mijn rechter. Hoe zit dat bij Ronald Brautigam? Is de virtuositeit in zijn handen exact gelijk?

‘Ik denk het wel, inmiddels’, antwoordt hij. ‘Soms heb ik zelfs het idee dat mijn linkerhand nog beter is dan mijn rechter. Als je al zoveel jaren achter de piano zit, dan wordt het op een gegeven moment als eten met mes en vork.’

Best aardig gelukt

Aan het tweede deel, dat bloedmooie Adagio cantabile, beginnen we lachend. ‘Beethoven is niet zo van de mooie melodieën als bijvoorbeeld Schubert. Dus voor zijn doen is deze melodie best aardig gelukt’, grapt Brautigam als ik een van de mooiste melodieën speel die een componist ooit in noten heeft gevat.

Maar mijn lachen houdt op als Brautigam me met een schokkend feit confronteert. ‘Kijk naar de frasering* van de melodie’, zegt hij met de urtext in zijn handen. Ach, hoe kon ik dat hebben gemist? De legatobogen* boven de melodie beginnen en eindigen heel anders dan ik dacht. Totaal onlogisch, eigenlijk.

Net als bij een gesproken zin moet een melodie correct worden gefraseerd. Dat kun je doen met muzikale adembogen en komma’s. Plaats je een komma verkeerd, dan kan dat tot grote verwarring leiden. ‘Wacht, niet doorgaan’ betekent iets heel anders dan ‘wacht niet, doorgaan.’ Bij melodische zinnen werkt dat net zo.

Huis-, tuin- en keuken-adagio

In het Adagio cantabile plaatst Beethoven zijn muzikale komma’s op onlogische plaatsen. De melodie krijgt zo iets ongemakkelijks. Waarom doet hij dit? ‘Het is weer tegendraads. Ik weet niet of hij mensen expres wat tegenwerkte, maar hij wilde duidelijk niet dat die opmaat in maat 4 voelde als het begin van een nieuwe frase. Het wordt zo in elk geval geen huis-, tuin- en keuken-adagio.’

Ik doe een poging, maar mijn vingers stribbelen tegen. Kan Ronald Brautigam het eens voordoen? Ik sta op en hij gaat zitten. Ik merk dat ik constant uitkijk naar dat moment.

Hij gaat vloeiend door de melodie heen en houdt zich strikt aan Beethovens bogen, maar zonder diens ‘muzikale komma’s’ extreem te benadrukken. Ze liggen eerder verborgen in zijn spel. En toch, als je het eenmaal weet, hoor je Beethovens vreemde frasering.

En dan nu het verdrietigste moment van de masterclass. Ik probeer de hoofdmelodie van het Adagio cantabile te laten gloeien, de bas te laten zingen en de middentonen zachtjes te laten kleuren. De Steinway is te snel en te gevoelig, een elektrische fiets die je als een raket lanceert bij de lichtste trapbeweging. Op mijn Kawai moet je werken om de melodie erbovenuit te tillen. Op deze Steinway moet ik vooral de middelste tonen zien te onderdrukken. Tevergeefs. Ik geef het op.

Is zo’n vleugel wel geschikt voor deze muziek? Eigenlijk niet, vindt Brautigam. ‘Voor de latere Beethoven wel. Toen was hij al zo doof dat de piano in zijn gedachten waarschijnlijk al met de muziek was meegegroeid. Daar schrijft hij feitelijk muziek voor een niet-bestaand instrument.’

Zijn eerste twee recitals speelt Brautigam op zijn geliefde fortepiano, de voorouder van de piano uit Beethovens tijd. Die klinkt lichter en scherper dan een hedendaagse piano. Bij het derde recital, met de twee late Beethovensonates, gebruikt hij de moderne vleugel waar we nu op spelen.

‘Als ik die late sonates lees, hoor ik geen piano meer, alleen een soort absolute muziek. Ik denk dat dat ook voor Beethovens belevingswereld gold. Zijn late strijkkwartetten hebben eigenlijk ook niks meer met strijkinstrumenten te doen. Het is heel abstracte muziek.’

Een hobbelig zandpad

Deel drie. Allegro!* Ik zet in, rustig, want mijn linkerhand is bepaald geen fan van dit soort arpeggio’s*. ‘De melodie moet, tsja’, Brautigam denkt na, ‘niet vlak, maar wel een beetje naïef.’ Naïef, luchtig, onbezorgd. Mijn succesvolste poging doet meer denken aan een wandelende tak op leeftijd.

Hij neemt het van me over. Als mijn uitvoering een hobbelig zandpad is, is die van Brautigam een onbereden ijsbaan. Alles vloeit, vanaf zijn eerste ‘naïeve’ thema tot de aaneengeregen triolen* in maat 37. Belangrijke noten lichten op, kleurnootjes blijven onder water. Het staccato* is optimistisch, legatopassages zijn lyrisch. En natuurlijk zijn die linker- en rechterhand even virtuoos, even soepel. Dat wist ik wel, maar nu zie ik het op zeventig centimeter afstand gebeuren.

Hoeveel moet Ronald Brautigam nu studeren voor zo’n recital? ‘Dit loopt wel lekker’, antwoordt hij luchtig. ‘Je moet gewoon zorgen dat je geestelijk goed uitgerust bent.’ Op de noten hoeft niet meer te worden geoefend. ‘Maar je blijft bezig om die triolen zo soepel mogelijk te krijgen. Tidela, tidela, tidela-ti. Er zijn momenten waarop ik het thuis doorneem en denk: het is toch nog wat te hoekig.’

En zijn er in al die Beethovensonates passages die nooit zijn gegaan zoals Brautigam eigenlijk zou willen? Nee, zegt Brautigam. ‘Na zoveel jaren wordt het als het ware je eigen muziek.’ Toch vraag ik door. Ronald Brautigam ging niet als meesterpianist naar de peuterspeelzaal. Er moeten toch ooit venijnige passages zijn geweest?

‘Ja, dan dat es-klein-gedeelte.’ Hij bladert terug naar het eerste deel uit de Pathétique, naar de pagina waarop het tweede thema begint. Eerst speelt hij het overdreven vlak en lineair. De rechterhand maakt onrustige sprongen. Ik weet dat hij overdrijft, want zelfs ik kan dit mooier. Dan speelt hij de rijpe versie voor: klagender, met meer tijd om de sprongen met de rechterhand te maken. ‘Als je jezelf meer tijd gunt, maak je het zoveel makkelijker.

‘De ruimte tussen noten is heel belangrijk. Er moet lucht tussen zitten. Je hoeft niet langzamer te spelen, maar jezelf binnen het tempo meer tijd gunnen.’ Er valt een stilte, Brautigam denkt na tot hem iets te binnen schiet. ‘Je moet gewoon net doen alsof het makkelijk is.’

Na twee uur nemen we afscheid. Thuis laat ik alles bezinken. Handenvol tips en nieuwe inzichten heeft Brautigam meegegeven, en een reportage voor de Volkskrant, niet te vergeten. Maar wat nu? Dan herinner ik me wat Brautigam zei nadat ik de videocamera had uitgezet: ‘Volgend jaar Schubert.’

De Kawai is er klaar voor.

Allegro: ‘opgewekt’, levendig, snel spelen.
Arpeggio: ‘harpachtig’, een akkoord waarvan de noten na elkaar worden gespeeld.
Cadens: ‘vallend’, een opvolging van twee tot vier akkoorden die een muzikale frase afsluit.
Crescendo: ‘groeiend’, geleidelijk aan luider worden.
Diminuendo: ‘afnemend’, geleidelijk aan zachter worden.
Expositie: het eerste gedeelte uit een muziekstuk, waarin de thema’s worden gepresenteerd.
Frasering: de manier waarop muzikale zinnen worden gevormd en gespeeld.
Legato: ‘gebonden’, noten vloeiend aan elkaar binden.
Ornament: een muzikale versiering, zoals een triller of voorslag.
Piano: ‘klein’, zacht spelen.
Rondo: ‘rond’, een muziekvorm waarin een thema steeds wordt afgewisseld met andere delen.
Staccato: ‘gescheiden’, noten los, vaak kort spelen.
Subito: ‘plotseling’, een abrupte stemmingswisseling.
Thema: stukje muziek, meestal van meerdere maten, bouwsteen van de compositie.
Tremolo: ‘trilling’, twee noten snel blijven herhalen.
Triool: in deze context, vereenvoudigd: drie snelle noten achter elkaar.
Urtext: ‘oertekst’, een uitgave die de oorspronkelijke notatie volgt, zonder latere toevoegingen en interpretaties.

Beethoven! Ronald Brautigam speelt o.a. de Pathétique en Mondschein, 25/10, Concertgebouw, Amsterdam. Ook nog 7/2 en 9/5.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next