Leven en dood, oorlog en klimaatverandering: in Als zee uit hond komen grote thema’s aan bod. Toch is de bundel van Lucas Rijneveld vooral een persoonlijke, existentiële worsteling.
is recensent voor de Volkskrant, gespecialiseerd in poëzie en Duitstalige literatuur.
Wie het als jonge ouder lukt om langs de roze brillenglazen naar het zopas geboren kindje te kijken, ziet niet alleen een beminnelijk mensje, maar eerst en vooral een hulpbehoevend diertje. Een wezentje om op te pakken, in doeken te wikkelen, te voeden.
Om die reden heeft de Zwitserse bioloog Adolf Portmann eens beweerd dat de mens van alle dieren dat dier is dat misschien wel het minst voorbereid op het leven ter wereld komt. Met amper haar, nauwelijks in staat om te zien of spreken, met hersenen die zich nog voor een groot deel moeten ontwikkelen, kortom met een weinig ontwikkelde lichaamsbouw én met een grote hulpeloosheid, komt de mens als een ‘fysiologische vroeggeboorte’ ter wereld. Het is een vreemd, gemankeerd wezen, de mens – tegelijkertijd nestvlieder, als een haas bereid te vluchten, én nestblijver, hulpeloos als een konijn in z’n geboortenest.
Wie de nieuwe bundel van Lucas Rijneveld opent, doet er goed aan Portmanns these in gedachte te houden. Als zee uit hond opent namelijk met het beeld van een haas die vlucht. Dat dier vlucht weliswaar voor het dreigende schot van de jagers, maar toch, het gaat op de loop. Het kan geen toeval zijn dat Rijneveld juist dit dier, deze nestvlieder, als zijn totemdier kiest.
Al gauw wordt duidelijk dat de vlucht waarover Rijneveld schrijft niet alleen een ontsnappen aan geweld, maar ook een existentiële, drijvende kracht in deze verzen is. Meer nog dan in zijn vorige bundels spreekt Lucas Rijneveld in heldere taal, in expliciete boodschappen, bij vlagen welhaast predikend vanaf een lyrische kansel. ‘Het volgende moeten we onthouden’, schrijft hij bijvoorbeeld in Een krijgszuchtige tijd, een gedicht dat eerder in deze krant verscheen, ‘dat we allemaal als/ vluchteling geboren worden, op zoek naar de juiste plek,/ naar veiligheid en wat voorspoed, een liefkozende blik.’
Het zijn eenvoudige regels die bepaald niet om uitleg smeken, slechts bij vlagen zoekt hij geheimzinnigheid, poëtische ambiguïteit op. Op een andere plek schrijft Rijneveld in al net zulke heldere woorden: ‘terwijl iedereen als concept ter/ wereld komt en een eindversie/ nooit definitief, nooit compleet is.’
De helderheid en bij vlagen ook eenvoud van zijn woorden is niet het enige wat opvalt aan Als zee uit hond. Tekenend voor hoe Rijneveld zijn verzen opbouwt is de veelheid aan dualismen die in deze bundel aan bod komt. ‘Bedenk op tijd dat je nooit te groot zult worden’, schrijft hij bijvoorbeeld, ‘voor klein geluk, vier het kind dat in je leeft.’ Vlucht versus bescherming, leven en dood, graatmager en vetter, lijmen en een messcherp oordeel, donker en lichter, begin en einde, liefde en strijd; soms weet je nog voordat je het tweede deel van het dualisme gelezen hebt al wat er komen gaat. Je kunt er dan ook beter niet al te veel op letten, anders kan het gebruik van dit soort tegenstellingen en omkeringen wat sleets, wat vermoeiend worden.
Een mens heeft vele redenen om te willen vluchten: voor zichzelf, voor de ouders, voor de anderen of voor bovenmenselijke, grootschalige catastrofes. Op dit moment zijn de twee belangrijkste redenen om op de vlucht gaan oorlog en klimaatverandering.
Maar in Als zee uit hond vormen ze eerder twee kleuren van het decor waartegen de gedichten worden opgebouwd. Ze gaan soms wel over oorlog, maar dan toch vooral op afstand, op de achtergrond, als de oorlog op een televisiescherm of in een computerspel. De gedichten gaan soms over klimaatverandering, maar dan wel op een haast ondraaglijk lichte manier: ‘Ik zou ook wat meer / Klimaathoop toevoegen, niet om te jennen maar uit nood,/ de wereld is namelijk ook ooit uit nood geschapen, omdat God/ een vriend zocht en daarin doorsloeg, en vervolgens kwam/ de mens, en nu, nu heeft de wereld ons nodig.’
Kiemers, bloemen en het boerenlandschap krijgen hun plek, niet omdat ze worden bedreigd door een veranderd klimaat, maar omdat ze iets weerspiegelen van het proces dat de ik-figuur doormaakt.
In de kern draait Als zee uit hond ook niet om dit soort grote, menselijke drama’s. Nee, in wezen draait deze bundel om een persoonlijke, existentiële worsteling. Het duidelijkst komt dit naar voren als Rijneveld aan het door hem opgezochte schematisme weet te ontsnappen. Op de momenten waarop hem dat lukt barsten zijn gedichten van tedere momenten, van momenten waarin de lyrische ik onomwonden z’n kwetsbaarheid toont.
Op dat soort momenten blijkt Als zee uit hond een bundel fidele verzen over iemand die worstelt met het opeisen van zijn plek, met het omarmen van wie hij is. Het zijn de momenten waarop Rijneveld Portmanns gemankeerde diertje in al z’n tegenstrijdigheid lijkt te omarmen. ‘O lief alleendier’, schrijft hij bijvoorbeeld, ‘daar zit je dan, / in een huis dat zich donker houdt, / op de achtergrond wat gemis, / wat oorlog, en jij die twee truien draagt, / niet alleen om zuiniger, maar ook voor alsof, / alsof een geliefde zich tegen je aan drukt.’
Als zee uit hond is een bundel die het leven als vluchtlijn beschrijft, we horen een stem van iemand die probeert in het reine te komen met de fysiologische vroeggeboorte die de mens is.
Lucas Rijneveld: Als zee uit hond. Atlas Contact; 64 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant