Waar lopen de correspondenten van de Volkskrant tegenaan in hun dagelijkse leven? Vandaag: Maral Noshad Sharifi krijgt in de aanloop naar de Amerikaanse tussentijdse verkiezingen maar geen voet tussen de deur bij de campagneteams. De kandidaten trekken liever op met nieuwsinfluencers.
is correspondent Verenigde Staten van de Volkskrant. Ze woont in New York.
‘Beste woordvoerder, ik hoop dat het goed met u gaat…’ De afgelopen maanden begon ik oneindig veel mails met deze woorden. Ze waren geadresseerd aan de persteams van politieke kandidaten in de hele Verenigde Staten. We leven in campagnetijd en natuurlijk wil ik zoveel mogelijk van dichtbij meemaken. Ik wil interessante kandidaten voor de midterms volgen, vragen kunnen stellen over de strijd en hun achterban beter leren kennen.
Nu weet ik ook wel dat ik kan fluiten naar een sit-down met een kandidaat – ze hebben weinig tijd en hun kiezers wonen niet in Nederland, maar in plaatsen als Nederland, Texas, of Nederland, Colorado. Dat ze geen tijd voor mij hebben, valt te begrijpen.
Toch is er tijdens deze tussentijdse verkiezingen iets veranderd. Want als ik perswoordvoerders vroeger mailde, werd ik op een perslijst geplaatst, kreeg ik informatie doorgestuurd over bijeenkomsten en kreeg ik – soms na enig aandringen – antwoorden op inhoudelijke vragen die zij vast irritant vonden. Dit jaar reageert niemand, zelfs niet met een ‘sorry, we zijn te druk’. Het enige wat ik terugkrijg is een oorverdovende stilte.
Hadden ze wel gereageerd als ik geen journalist was geweest, maar een nieuwsinfluencer met duizenden volgers die haar eigen politieke standpunten wilde uitdragen? Waarschijnlijk wel, blijkt uit onderzoek van The New York Times.
‘Kandidaten betalen in stilte influencers’, kopte de krant eind augustus. Uit het onderzoek blijkt dat Amerikaanse kandidaten soms honderdduizenden dollars aan influencers betalen om hun boodschap aan de man te brengen. Dat gebeurt niet heel transparant. Het publiek weet niet dat zij hiervoor worden betaald. Soms vragen de kandidaten hen expliciet om dat stil te houden.
Mij valt de groeiende rol van influencers ook al langer op. Jarenlang kwam ik bij persconferenties steeds dezelfde rondreizende groep schrijvende en tv-journalisten tegen. Die zie ik steeds minder. Accreditatie blijkt moeilijker verkrijgbaar. Vaker zijn het politieke influencers voor wie de rode loper wordt uitgerold.
Hoewel er in de VS regels bestaan voor het verspreiden van politieke advertenties in tv-spotjes, op billboards en in pamfletten, zijn er geen richtlijnen voor de manier waarop politici in campagnetijd reclame mogen maken op sociale media. Hoewel beide partijen hieraan meedoen, hebben vooral de Democraten nu iets goed te maken na hun verlies in 2024.
Donald Trump wist jonge mannen met zijn onlineoptredens te overtuigen om op hem te stemmen. Een van de redenen was dat hij en zijn entourage regelmatig aanschoven bij populaire podcasts met een miljoenenpubliek. Zo mochten Trump, vicepresident JD Vance en miljardair Elon Musk aanschuiven bij Joe Rogan, Andrew Schulz en de populaire Nelk Boys. Deze ‘brocasts’ speelden twee jaar een belangrijke rol in het succesverhaal van de Republikeinen.
Nu proberen de Democraten het socialemedialandschap beter te verkennen. Ze zijn een eigen programma voor influencers en creatievelingen gestart met meer dan 500 makers, in aanloop naar de midterms van 3 november en de presidentsverkiezingen van 2028.
‘Onze focus ligt op het maken van content die Amerikanen elke dag online bereikt’, zei Matt Rein, die leiding geeft aan het programma, tegen ABC News.
Ook bij gewone Amerikanen zie ik iets veranderen. Hoewel velen het kort geleden nog ‘cool’ vonden om in de krant te staan, lijken mensen er nu minder om te geven. Als ik interviewverzoeken uitzet, krijg ik steeds vaker de vraag of er ook een video voor ‘de socials’ kan worden gemaakt. Zo niet, dan bekoelt de interesse.
Maar wie controleert de macht nog, als traditionele journalisten moeten plaatsmaken voor betaalde influencers? Hoeveel irritante vragen stellen zij?
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant