Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk. Zoals bij meneer O., die ondanks zijn alcoholisme best tevreden was met zijn leven.
Buurman Ben rijdt een paarse Galaxy II. Best een snelle scootmobiel, merk ik als we ons op een dinsdag om 9 uur ’s ochtends naar de begraafplaats begeven. Ik op de fiets, hij op de Galaxy II.
Buurman Ben was niet echt een vriend van meneer O., eerder een bekende. Ze woonden bij elkaar om de hoek, in de Indische buurt. Meneer O. in de Molukkenstraat, buurman Ben in de Tweede Ceramstraat.
Daar, in die Tweede Ceramstraat, heb ik hem opgehaald, op verzoek van Team Uitvaarten. Aan de telefoon klonk buurman Ben zo fragiel dat ze vreesden dat hij op weg naar de begraafplaats zou verdwalen of bezwijken.
Ik dacht dat we onderweg zouden kunnen praten over meneer O., want ik weet het een en ander en hij waarschijnlijk ook. Toen ik hem gisteren belde, wilde het gesprek niet vlotten; in het huis aan de Tweede Ceramstraat stond de televisie hard aan en buurman Ben was de afstandsbediening kwijt.
Onderweg komt het evenmin tot een conversatie. In de Galaxy II raast buurman Ben, een geel petje van het gereedschapsmerk Stanley op het hoofd, over de stoepen van Amsterdam-Oost. Hij lijkt te vergeten dat ik daar op de fiets niet mag komen. Met de grootste moeite houd ik hem bij.
Hij weet ook precies waar de begraafplaats is, behendig ontwijkt hij wegafzettingen en obstakels. Ditmaal is de uitvaart op De Nieuwe Ooster, aan de Kruislaan, en dus niet op Sint Barbara.
Doorgaans is het op Sint Barbara, dat hebben we zo laten vastleggen, omdat Sint Barbara eenzame uitvaarten altijd aannam, ook toen de baten amper tegen de kosten opwogen.
Tegenwoordig willen alle begraafplaatsen wel een eenzame uitvaart, misschien omdat ze er goede sier mee denken te maken. Eenzame uitvaarten zijn populair terwijl ze ongewenst zouden moeten zijn.
Eigenlijk komt het door buurman Ben dat we naar De Nieuwe Ooster gaan. Op een tafel in de woning van meneer O. had Team Uitvaarten zijn telefoonnummer gevonden.
Behalve een halfzus die niet op brieven reageerde, was er geen familie te vinden. Mogelijk zou er nog een halfbroer in Canada zijn, maar die was niet te traceren. Daarom belden ze het nummer van buurman Ben.
Hij was verbaasd dat meneer O. bleek te zijn overleden. Maar vooral dat ze hem belden, want eigenlijk kende hij hem amper. Hij wilde best naar de uitvaart komen, als het maar niet te ver weg was.
Door het hoge tempo van de Galaxy II zijn we vroeg op De Nieuwe Ooster. Ik ga op een bankje zitten, buurman Ben parkeert ernaast. Uit zijn bevlekte jas diept hij een buidel shag op, rolt behendig met z’n gele vingers en begint te roken.
Meneer O. werd op 18 juli 1949 in Nijmegen geboren. Zijn moeder was 17, valt op te maken uit gegevens uit het Amsterdams Stadsarchief. Ze was afkomstig uit Batavia, Nederlands-Indië, maar had Surinaamse wortels.
Zijn vader, zoon van een Nijmeegse rioolreiniger, was tien jaar ouder. Mogelijk werd hij als dienstplichtige uitgezonden naar Nederlands-Indië en hebben de twee elkaar daar ontmoet. De aanstaande tienermoeder keerde met de al dan niet dienstplichtige terug naar het vaderland.
In 1951 verhuisde de vader met zijn jonge vrouw en het kleine kind van Nijmegen naar Amsterdam, waar hij in diverse fabrieken werkte. Hij was ook een poosje magazijnbediende en ijzerwerker.
Het huwelijk liep in 1955 op de klippen, de jonge moeder van meneer O. vertrok zonder hem naar Canada, waar ze met een andere man nog een kind zou krijgen.
De vader hertrouwde in 1959 met een uit Den Haag afkomstige naaister die zes jaar ouder was dan hij; alsof hij z’n bekomst had van zijn eerste, al te jonge bruid.
De oudere naaister uit Den Haag had al een dochter uit een eerder huwelijk: de nog levende halfzus die niet op de brieven van Team Uitvaarten reageerde. Mogelijk zouden er nog een zoon en een dochter uit dat eerdere huwelijk zijn voortgekomen, maar deze telgen hebben afgezien van een vermelding op de persoonskaarten van de ouders nergens sporen achtergelaten.
Dit alles vertel ik aan buurman Ben, die me wat glazig aankijkt. Hij herhaalt nog eens dat hij meneer O. amper kende. Toch zou het misschien kunnen dat meneer O. weleens iets heeft gezegd over Nijmegen en een moeder die hem in de steek liet, dat staat hem vaag wel ergens bij.
Vaag staat hem ook bij dat de oude naaister met wie zijn vader hertrouwde niet aardig voor meneer O. zou zijn geweest. Maar ik moet dat niet voor de absolute waarheid aannemen, want zijn geheugen is niet al te best.
Buurman Ben denkt dat het misschien wel 35 jaar geleden is dat hij kennismaakte met meneer O. Hij weet niet meer waar, vermoedelijk ergens op straat in Amsterdam-Oost.
Meneer O. was zeven jaar ouder dan hij. Buurman Ben keek best tegen hem op, zegt hij, want meneer O. was een imposante man, fors van gestalte, iemand die duidelijk niet met zich liet sollen.
Op een of andere manier slaagde meneer O. erin zijn leven lang werkloos te blijven. Volgens buurman Ben had hij makkelijk een baan kunnen vinden, maar wilde hij die simpelweg niet.
Zelf hield buurman Ben ook niet van werken, maar de uitkerende instanties wisten hem toch altijd ergens geplaatst te krijgen, terwijl meneer O. zich er telkens onderuit wist te draaien.
Het was echt een gave, en misschien kwam het wel, opper ik, omdat zijn opa, die dus kennelijk rioolreiniger was, en zijn vader hun leven lang allerlei rottige baantjes hadden moeten uitvoeren.
Zowel de opa als de vader was veel te jong gestorven. Zij hadden meer dan genoeg gedaan voor de maatschappij. Moest hij er dan ook aan onderdoor gaan? Nee, dat zou hem niet gebeuren.
Meneer O. hield wel van een slok. Dat was al zo toen buurman Ben hem leerde kennen. Misschien was dat trouwens niet ergens op straat, maar in het Oosterpark, want daar zat meneer O. graag.
Voor een werkloze hield hij er best een geregeld leven op na. Het was niet iemand die lang uitsliep. Hij keek graag televisie, maar altijd naar het nieuws en actualiteitenprogramma’s. Aan reclame en commerciële zenders had hij een hekel.
Voor een alcoholist was zijn huis verbazingwekkend netjes. De boel was spaarzaam ingericht, dat wel. Alles was verouderd, zoals de gaskachel die al lang door centrale verwarming vervangen had moeten zijn, maar niets was smerig.
Meneer O. hield het allemaal zelf bij, hulp in de huishouding wenste hij niet. De wc-pot reinigde hij met chloor, de primitieve douche ontvette hij zo nu en dan met ammonia in lauwwarm water.
Zijn haren waste hij met Andrélon, voor de rest van het lichaam was een groen stuk zeep afdoende. Hij kookte zelf, meestal soep uit blik. De oude gemeentelijke afvalbak stond op een lap stof, zodat het blauwe zeil schoon bleef en er geen afdruk in ontstond.
Aan het begin van de middag, vertelt buurman Ben, ging meneer O. de hort op. Bij de Albert Heijn aan de Molukkenstraat kocht hij halveliters Klokbier, bij de slijterij haalde hij een flesje Famous Grouse.
Hij streek neer op z’n vaste bankje in het Oosterpark en dan begon het hijsen. Dat ging de hele middag door. Als het regende school hij onder een boom. Al was hij nog zo lam, meneer O. wist altijd thuis te komen.
Dat was volgens buurman Ben ook echt een gave. Hij struikelde onderweg weleens, maar het was nooit echt een probleem om de Molukkenstraat te bereiken. ’s Avonds at hij dan z’n soep terwijl hij actualiteitenprogramma’s keek.
Meneer O. was best tevreden met zijn bestaan. Het werd er nog beter op toen er uit Canada een ‘erfenisje’ kwam. Waarschijnlijk was de tienermoeder overleden, maar buurman Ben weet het niet zeker. Hij vroeg er ook niet naar, want het was zijn zaak helemaal niet. Wel viel het hem op dat meneer O. na een slempsessie in het Oosterpark met de taxi thuiskwam.
Het geld vergrootte zijn actieradius. Bij slecht weer ging meneer O. niet meer onder een boom zitten, hij begaf zich naar een heuse kroeg. Buurman Ben weet niet welke kroeg behalve dat die kroeg zich ‘in de hoerenbuurt’ bevond.
Een tijdje zou meneer O. zelfs een vriendin hebben gehad, een dame uit de buurt die volgens buurman Ben soms bij hem sliep. Hij was er altijd wars van geweest, uit angst dat hij nakomelingen zou verwekken, maar op zijn leeftijd, en vooral ook op de leeftijd van de dame uit de buurt, kon dat helemaal niet meer.
Aan het begin van de zomer voelde meneer O. zich niet lekker, zijn benen waren enorm opgezwollen. Hij had krukken gekregen maar die gebruikte hij niet graag.
Op een zondag in juni voelde hij z’n ledematen niet meer, zijn mond stond in een vreemde positie. Hij belde met z’n ouderwetse telefoon, een vaste lijn, naar de huisartsenpost, maar kon zich nauwelijks verstaanbaar maken. Een ambulance kwam, in het ziekenhuis kreeg hij een beroerte.
Hij herstelde, de artsen wilden niet dat hij zonder toezicht thuis kwam te zitten. Meneer O. werd naar het Flevohuis in Amsterdam-Oost gestuurd. Het was de bedoeling dat hij daar zou revalideren, in plaats daarvan overleed hij op een hete zomerdag, 76 jaar oud. Buurman Ben wist van niets. Hij had meneer O. al een poos niet gezien, maar misschien zat hij in het park of in de kroeg in de hoerenbuurt.
In de woning aan de Molukkenstraat hing een poster van Elvis Presley aan de muur. Meneer O. had ook een aantal cd’s van The King of Rock-’n-Roll liggen. Vandaar dat het Team Uitvaarten passend leek om Always On My Mind te draaien. Ze zagen ook een cd van Fleetwood Mac staan, dus werd Go Your Own Way eveneens geselecteerd.
Buurman Ben zegt dat meneer O. helemaal niet van muziek hield. Volgens hem keek hij echt alleen maar naar het nieuws op televisie. Na de dienst, als stadsdichter Ellen Deckwitz haar vers heeft voorgelezen, begeven we ons naar het veld met algemene graven. Het is een heel eind lopen, buurman Ben zit comfortabel in de Galaxy II.
Het heeft de afgelopen dagen flink geregend, het gras bij de algemene graven is drassig. Buurman Ben is bang dat de Galaxy II vastloopt in de blubber. Zenuwachtig sturend bereikt hij de rand van het graf.
Een van de dragers zegt dat buurman Ben de Galaxy II ‘op de handrem’ moet zetten. Niet zo lang geleden, tijdens een gewone uitvaart, was iemand op een scootmobiel het graf in gereden, boven op de juist gezakte kist.
We nemen een minuut stilte in acht voor meneer O. Bij het toegangshek aan de Kruislaan neem ik afscheid van buurman Ben. Ik hoef niet met hem terug te fietsen, hij weet zijn weg wel te vinden.
Ik kan slechts raden
Ik kan slechts raden naar wat
je van het leven wou, eenzaamheid
blijft een schaal. Waar de een
zich tijdens een verrassingsfeest
nog ongezien weet,
is voor de ander een maand
alleen een droom. En dus vraag ik
me af of je zoveel tv-keek omdat
het je ontspanning bracht, of omdat je
alsnog snakte naar een soort contact.
Je hing posters op van Elvis
en Fleetwood Mac. Rolde
een klankbehang over lege
kamers uit.
Misschien klonk er wel
You were always on my mind
tijdens de eenpersoonsafwas, of
You can go your own way
terwijl je de was opvouwde,
de afstandsbediening op haar plekje
legde. Verder wegdoezelde
in de warmte van je eigen armen.
Ellen Deckwitz schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.
Source: Volkskrant