Biljana Plavsic werd als enige vrouw door het Joegoslaviëtribunaal veroordeeld voor oorlogsmisdaden tijdens de oorlog in Bosnië en Herzegovina. Spijt heeft Plavsic nooit gehad. De oud-politicus overleed vorige week op 96-jarige leeftijd.
is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.
Het lag in 1987 niet voor de hand dat Biljana Plavsic zich veertien jaar later als oorlogsmisdadiger voor een internationale rechtbank zou moeten verantwoorden. De Bosnisch-Servische bioloog, gespecialiseerd in plantenvirologie, bekleedde een hoge functie aan de universiteit van Sarajevo.
In de jaren negentig, toen Joegoslavië uit elkaar viel en er oorlog uitbrak, verruilde Plavsic haar academische carrière voor de politiek. Ze sloot zich aan bij de Servisch-nationalistische partij van Radovan Karadzic, die na het uiteenvallen van Joegoslavië leider werd van de Bosnische Serviërs. Tijdens de oorlog in Bosnië, toen de Bosnische Serviërs onder meer genocide pleegden in Srebrenica, was Plavsic vicepresident onder Karadzic.
Plavsic wilde het oosten van Bosnië naar eigen zeggen ‘zuiveren’ van de Kroatische en Bosnische bevolking. ‘En dan heb ik het niet over etnische zuiveringen. De internationale gemeenschap heeft die term geplakt op een natuurlijk fenomeen en het tot oorlogsmisdaad bestempeld’, zei Plavsic in 1993 tegen een Servische krant.
De voormalige hoogleraar sprak vaker in biologische termen over de etnische spanningen in voormalig Joegoslavië. In hetzelfde interview noemde zij de Bosnische moslims ‘genetisch beschadigd’. Gemengde huwelijken zouden volgens Plavsic leiden tot de ‘degeneratie’ van het Servische volk.
De Servische politicus Vojislav Seselj, zelf ook veroordeeld wegens oorlogsmisdaden, noemde Plavsic in zijn getuigenis voor het Joegoslaviëtribunaal ‘ondraaglijk extremistisch, zelfs voor mij als overtuigd Servisch nationalist’.
De wortels van Plavsic’ rabiate nationalisme lagen naar eigen zeggen in haar jeugd. Plavsic, in 1930 geboren in de Bosnische stad Tuzla, was 11 jaar oud toen het koninkrijk Joegoslavië werd binnengevallen door nazi-Duitsland. Tijdens de bezetting zag Plavsic hoe Servische familieleden en kennissen werden gedood of opgesloten in concentratiekampen door de Ustasa, een Kroatische fascistische organisatie die collaboreerde met de nazi’s.
In de jaren negentig vreesde Plavsic dat de Serviërs na het uiteenvallen van Joegoslavië doelwit zouden worden van nieuwe moordpartijen. Ze besloot de politiek in te gaan om ‘de uitroeiing van het Servische volk’ te voorkomen, zei Plavsic later tegen de Australisch-Bosnische jurist Olivera Simic, die een biografie over haar schreef. In de oorlogsjaren kreeg zij bijnamen als ‘de IJzeren Dame van de Serviërs’ en ‘Servische keizerin’.
Na de Bosnische Burgeroorlog volgde Plavsic in 1996 Karadzic op als president van de Bosnische Serviërs. Al snel brak ze met Karadzic’ partij en beschuldigde ze haar voorganger van corruptie. Westerse regeringen beschouwden haar als een betrouwbare partner, omdat zij zich in 1995 achter het vredesverdrag van Dayton had geschaard. Bovendien matigde zij als president haar toon en liet zij haar racistische en ultranationalistische retoriek achterwege.
Plavsic diende één termijn als president en nam daarna afscheid van de politiek. In 2001 werd zij vanwege haar betrokkenheid bij Servische oorlogsmisdaden aangeklaagd door het Joegoslaviëtribunaal. Anders dan Karadzic en generaal Ratko Mladic, die zich jarenlang schuilhielden voor het internationale hof, meldde Plavsic zich vrijwillig in Den Haag. Van de 161 mensen die door het Joegoslaviëtribunaal zijn berecht, was Plavsic de enige vrouw.
De aanklacht tegen Plavsic bestond onder meer uit twee beschuldigingen van genocide en vijf verschillende misdaden tegen de menselijkheid. In 2002 besloot Plavsic haar zaak te schikken: ze bekende schuld aan één aanklacht, over haar betrokkenheid bij etnische zuiveringen, en beloofde daarvoor spijt te betuigen. In ruil daarvoor kwamen de andere aanklachten te vervallen. Plavsic werd veroordeeld tot 11 jaar cel, die zij mocht uitzitten in Zweden.
Plavsic’ biograaf Simic is ervan overtuigd dat haar bekentenis en spijtbetuiging vanaf het begin onoprecht waren. In 2005 gaf Plavsic dat zelf ook toe, toen zij in de gevangenis werd geïnterviewd door een Bosnisch-Servische zender. Ze zou alleen akkoord zijn gegaan met de schikking om een jarenlang strafproces te voorkomen. ‘Dan hoefde ik tenminste niet in de rechtbank te zitten en te luisteren naar valse getuigenissen’, aldus Plavsic.
Vier jaar later liet Plavsic zich opnieuw interviewen, ditmaal door een Zweedse krant. Wederom gaf ze te kennen dat zij nergens spijt van had. ‘Ik heb mezelf opgeofferd. Ik heb niks verkeerd gedaan’, aldus Plavsic. Ondanks haar uitspraken kwam Plavsic in 2009, toen zij twee derde van haar straf had uitgezeten, vroegtijdig vrij. Volgens het Joegoslaviëtribunaal had de oud-politicus voldoende berouw getoond.
Direct na haar vrijlating stuurde Milorad Dodik, de ultranationalistische leider van het Servische deel van Bosnië en Herzegovina, een regeringsvliegtuig naar Zweden om zijn voorganger op te halen.
Plavsic vestigde zich daarna in de Servische hoofdstad Belgrado, waar zij een teruggetrokken bestaan leidde. Op 1 oktober overleed Plavsic op 96-jarige leeftijd. Haar begrafenis in Banja Luka, de hoofdstad van de Servische helft van haar geboorteland, werd bijgewoond door tal van prominente Bosnisch-Servische politici.
In haar laatste jaren liet Plavsic zich zelden interviewen. Wel gaf ze deze zomer een korte reactie op het overlijden van de Servische oorlogsmisdadiger Ratko Mladic. De hoofdverantwoordelijke van de genocide in Srebrenica overleed in augustus in de gevangenis in Den Haag. ‘Ik vind het verschrikkelijk’, zei Plavsic over zijn overlijden. ‘Hij was een goede man.’
3x Biljana Plavsic
• Plavsic werkte in de jaren zeventig enkele jaren aan de Amerikaanse universiteit Cornell, waar zij botanisch onderzoek deed. Ze werkte later ook in Londen, Bari en Praag.
• Berucht is Plavsic’ uitspraak dat ‘zes miljoen Serviërs mogen sterven, opdat de resterende zes miljoen in vrijheid kunnen leven’.
• Tijdens de oorlog onderhield Plavsic nauwe contacten met de beruchte Servische militieleider Arkan. In april 1992 groette Plavsic Arkan in de stad Bijeljina met een kus op de wang, vlak nadat zijn militie daar tientallen Bosnische moslims had vermoord.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant