Hoe duurder en onzekerder olie en gas worden, hoe aantrekkelijker alternatieven worden. Niet omdat oorlog de energietransitie veroorzaakt, maar omdat hij de prijs van onze afhankelijkheid zichtbaar maakt.
Mijn vader was kapitein op een (mammoet)tanker. Wij woonden in Friesland. Toch klonken Singapore en Sydney bij ons thuis vertrouwder in de oren dan bijvoorbeeld Assen en Hoogeveen. Van de Straat van Hormuz had ik eerder gehoord dan van het Prinses Margrietkanaal.
Zelf studeerde ik begin jaren tachtig van de vorige eeuw af op de grootschalige toepassing van kleinschalige windenergie. Het aardige is dat ik voor de financiering van mijn studie een beurs kreeg van een oliemaatschappij. Achteraf bezien zaten een aantal belangrijke elementen van de energietransitie al in onze familie.
Ik moet daar vaak aan denken bij de beelden van aanvallen op olie-installaties en de onrust die onmiddellijk ontstaat over de aanvoer, de olieprijs en de onzekerheid die dat met zich meebrengt. En dan rijst ook de vraag: zijn we bezig onszelf uit het fossiele tijdperk te bombarderen?
Over de auteur
Simon Tijsma is gepensioneerd en was ondermeer hoofd Economische Zaken en Toerisme bij de provincie Fryslan en adviseur innovatie bij de North Sea Commissie.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Onze relatie met olie is vooral een geografisch verhaal. We halen haar uit de grond op een beperkt aantal plaatsen, vervoeren haar over duizenden kilometers, vaak door kwetsbare zeestraten, raffineren haar en brengen de benzine vervolgens naar een pomp bij ons om de hoek. Gaat ergens op die lange weg iets mis, dan merken wij dat direct in onze portemonnee en is iedereen in rep en roer.
Bombardementen en aanslagen kunnen olie-installaties vernietigen en de aanvoer verstoren, maar de economische gevolgen kunnen tegelijk het einde van het fossiele tijdperk versnellen. Hoe duurder en onzekerder olie en gas worden, hoe aantrekkelijker alternatieven worden. Niet omdat oorlog de energietransitie veroorzaakt, maar omdat hij de prijs van onze afhankelijkheid zichtbaar maakt. De recente aanvallen op Saoedische energie-infrastructuur lieten dat mechanisme opnieuw zien: de olieprijs liep op uit vrees voor verstoringen van de aanvoer.
Dat was in 1973 en 1979 niet anders. De olieproducerende landen draaiden de kraan dicht, de prijzen stegen en Nederland kreeg autoloze zondagen. Een nieuw woord werd gemunt: stagflatie, een stagnerende economie met stijgende prijzen. Ons antwoord was neoliberaal beleid, met ruimte voor de markt, deregulering en privatisering.
Ruim vijftig jaar later is er wel iets wezenlijks veranderd. Toen hadden we voor veel toepassingen nauwelijks een alternatief voor olie en gas. Nu hebben we dat steeds vaker wel en kunnen we derhalve ook ander beleid voeren.
Dat is de strekking van The Age of Power, een rapport van de energiedenktank Ember dat onlangs is verschenen. Het rapport beschrijft de energietransitie niet in de eerste plaats als klimaatbeleid, maar als een bredere technologische en economische ontwikkeling.
De redenering is relatief eenvoudig. De afgelopen halve eeuw hebben we informatie elektrisch gemaakt. De brief werd e-mail, muziek en fotografie werden digitaal en de telefoon werd een kleine computer. Nu voltrekt zich een vergelijkbare omslag in ons energiegebruik. De benzineauto wordt elektrisch, de warmtepomp vervangt de cv-ketel en zonnepanelen en batterijen maken en bewaren stroom.
Achter die toepassingen zitten grotendeels dezelfde technologieën: chips, sensoren, batterijen en elektromotoren. En juist de kosten daarvan zijn sterk gedaald. Volgens Ember is wereldwijd nog maar 21 procent van het finale energiegebruik geëlektrificeerd. Technisch zou ongeveer 90 procent kunnen. Voor ongeveer driekwart is elektrificatie economisch nu al mogelijk.
Elektriciteit heeft bovendien een belangrijk voordeel. Olie en gas moet je vinden waar de natuur ze heeft achtergelaten. Elektriciteit kun je op veel plaatsen maken: op zee, op het land, op een dak of thuis. Ember noemt dat de verschuiving van geology to technology: van geologie naar technologie.
Dat betekent niet dat we onafhankelijk worden. Voor zonnepanelen, batterijen en chips zijn grondstoffen, fabrieken en kennis nodig. Ook die zijn ongelijk verdeeld. Maar niet alleen wat je hebt telt, steeds meer gaat het erom wat je kunt ontwikkelen, maken en organiseren.
En dan gaat het ook over macht. Wie olie heeft, bezit iets wat een ander niet zomaar kan maken. Technologie kun je verbeteren, opschalen en goedkoper produceren. China begrijpt dat als geen ander. Het land heeft sinds 2010 zijn elektriciteitsproductie verdubbeld, elektrische auto’s maken er inmiddels meer dan 60 procent van de nieuwverkopen uit en China beschikt over de grootste vloot industriële robots ter wereld.
De strijd om energie verdwijnt dus niet. Hij verandert van karakter.
Veel van de technologie voor die nieuwe wereld is er al. Maar de oude verdwijnt niet vanzelf. Achter de fossiele economie gaan enorme investeringen, bedrijven, banen, belangen en een grote lobby schuil. Naarmate het alternatief serieuzer wordt, zal ook het verzet groeien.
In dit verband is het interessant om even terug te komen op het gedachtengoed van Karl Marx. Hij schreef dat de bourgeoisie haar eigen doodgravers voortbracht. Misschien zijn de doodgravers van het fossiele tijdperk wel Donald Trump, Vladimir Poetin en Mohammed bin Salman. Alle drie verdedigen ze, ieder op hun eigen manier, met veel overtuiging de macht van olie en gas.
Marx zou er misschien zelfs, met een beetje fantasie, de Verelendung in herkennen. Het oude systeem maakt de problemen zo groot dat het alternatief steeds aantrekkelijker wordt. Hoe duurder en onzekerder de aanvoer van gas en olie wordt, des te aantrekkelijker het wordt hieraan te ontsnappen.
Hoe nadrukkelijker bovengenoemde wereldleiders die fossiele macht verdedigen, hoe zichtbaarder ook de kwetsbaarheid ervan wordt. Wie een graf graaft voor een ander, valt er volgens het spreekwoord zelf in. Laten we hopen dat het ook een beetje voor fossiele brandstoffen geldt.
Joseph Schumpeter noemde het hierboven beschreven verschijnsel ‘creatieve destructie’. Nieuwe technologie komt niet beleefd naast de oude te staan, maar tast haar economische basis aan. ‘Oude’ bedrijven en verdienmodellen verdwijnen, nieuwe komen ervoor in de plaats. Zoals Monty Python al betoogde: ‘Always look on the bright side of life’.
Misschien moeten we ons beleid daar ook meer op richten: internationaal minder afhankelijk worden van fossiele energie zonder voor nieuwe technologie volledig afhankelijk te worden van China, nationaal investeren in netten, opslag en goedkope elektriciteit, en regionaal zorgen dat nieuwe technologie hier kan landen. En vanzelfsprekend zullen we de vraag naar energie terug moeten dringen. De hogere energieprijzen dragen aan een dergelijke beweging bij. We moeten niet alleen naar het aanbod kijken, maar ook als consument de hand in eigen boezem steken.
Mijn vader en ik stonden vaak lijnrecht tegenover elkaar. Hij op zijn mammoettanker, ik met mijn windmolens. Achteraf had ik misschien beter moeten begrijpen wat hij mij met zijn werk al liet zien: een mammoettanker verlegt zijn koers niet zomaar.
Met het fossiele tijdperk is het niet anders. De koersverandering is begonnen, maar de tanker heeft nog een enorme massa en vaart.
Bombardementen kunnen de noodzaak om van koers te veranderen alleen maar groter maken. Maar uiteindelijk moet iemand aan het roer draaien en is leiderschap een noodzakelijke voorwaarde.
Dat had mijn vader me eigenlijk allang duidelijk gemaakt.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant