Hélène Carrère d’Encausse was de dochter van straatarme migranten, voorzitter van de Académie française en fervent verdediger van de zittende macht, ook als die macht Poetin heet. Hoe kijkt haar zoon naar haar?
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Je kunt het een schrijver niet aandoen om hem of haar met Tolstoj te vergelijken. En toch, terwijl ik Kolchoze las, het nieuwe boek van Emmanuel Carrère, moest ik terloops aan Tolstoj denken.
Niet vanwege de slagvelden, of het overspel. In zijn beste werk kijkt Tolstoj met een volkomen open blik naar de wereld, kent zijn proza een acceptatie van het kleine en grote, het enge en het lieve. En die hele wereld vertaalt zich naar woorden en zinnen alsof het volkomen vanzelf gaat. Zoiets dacht ik ook bij Carrère te lezen.
Net toen ik dit dacht, vertelde Carrère dat er bij hem thuis geen Tolstoj mocht worden gelezen. Deze banvloek was ooit door zijn grootvader bedacht, een Georgische emigré gevlucht na de Russische Revolutie, en werd hooggehouden door zijn moeder, de beroemde geschiedkundige Hélène Carrère d’Encausse.
Carrères grootvader – en zo ook zijn moeder – vond Tolstoj ‘een non-valeur door wie alleen intelligente lieden zich niet om de tuin lieten leiden’. De grootvader ‘hield van ideeën, en daardoor kon hij Tolstoj geen recht doen omdat Tolstoj, wanneer hij briljant is, niet meer ideeën heeft dan het leven zelf’.
Nee, Dostojevski. Dat was de botsing van ideeën, van wereldbeelden. Dat was literatuur.
Carrère, als brave zoon, volgde zijn moeders mening. Hij was 40 toen zijn favoriete oom, die met zijn moeder als een soort concurrent omging, hem dan eindelijk Oorlog en vrede wist aan te praten.
Zijn mond viel open. Grandioos. Geweldig. Hij vertelde het zijn moeder. ‘Ze nam de superieure houding aan van iemand die Oorlog en vrede sinds jaar en dag uit haar hoofd kent.’
Carrère voelt wat er achter die minzaamheid zit, namelijk iets anders dan een literaire voorkeur: voor zijn moeder was het ‘een vorm van verraad aan haar vader en de zoveelste manier om tegen haar samen te spannen’.
Welkom in de familie Carrère.
In Frankrijk verscheen Kolchoze in een eerste druk van 120 duizend exemplaren. Tegen de tijd dat het boek drie maanden later de prestigieuze Prix Médicis won, was die eerste druk allang op.
Kolchoze gaat over moeders en over macht.
Fransen zijn goed in grandeur, en Carrères moeder was zo grande als je maar kunt worden. Hélène Zoerabisjvili was het kind van Georges, een Georgische migrant, en Nathalie, een afstammeling van Russisch-Baltisch-Pruisische baronnen en gravinnen. Tegen de tijd dat Hélène geboren werd, in 1929, waren Georges en Nathalie gevlucht uit de Sovjet-Unie, straatarm.
Georges werkte als taxichauffeur, als manusje-van-alles. Nathalie verkeerde in kringen van andere geborneerde emigrés. Toen de Duitsers in 1940 Frankrijk binnenvielen, stonden die voor een dilemma; de nazi’s waren de grootste vijanden van de bolsjewieken. Waren de vijanden van jouw vijanden dan je vrienden?
In een eerder boek (het duizelingwekkend obsessieve Een Russische roman uit 2007) onthulde Emmanuel Carrère wat er met zijn grootvader was gebeurd. Georges ging onder meer als tolk voor de nazi’s werken en toen Frankrijk werd bevrijd, stond het verzet op de stoep. Hélène was 16. Georges werd meegenomen en niemand heeft hem ooit nog teruggezien.
Twee jaar sprak Hélène Carrère d’Encausse niet met haar zoon na het verschijnen van Een Rusissche roman. Ze voelde zich tegen haar zin geopenbaard; het was háár geheim geweest. Haar naam was aangetast, vond ze.
En wat een naam had ze. Tegen die tijd was ze de grote mevrouw van de Franse geschiedschrijving. In de jaren zeventig had ze, als eerste, de instorting van de Sovjet-Unie voorspeld. Ze werkte hard: congressen, symposia, talloze boeken. Ze was internationaal georiënteerd, kreeg onderscheidingen en eredoctoraten rechts en links. Ze werd lid van de Académie française, het hoogste van het hoogste. Zetel 14 kreeg ze, de zetel die ooit van Victor Hugo was geweest.
Ze werd voorzitter van politieke comités, werd opiniemaker in kranten en talkshows en nam namens de gaullistisch-conservatieve partij van Jacques Chirac, Rassemblement pour la République (RPR), zitting in het Europees Parlement – tot 1999, toen ze als eerste vrouw de ‘permanente voorzitter’ van de Académie française werd.
Die positie, lezen we, komt met een weergaloos appartement met uitzicht op de Seine, een eigen kunstcollectie, een auto met chauffeur en privétoegang tot de wijnkelder van de Académie.
Ik geloof best dat de president van onze Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen een aangenaam uitzicht op de Amsterdamse binnenstad heeft, maar ik vermoed dat hij geen door de staat gefinancierde wijnkelder heeft.
Als Hélène Carrère d’Encausse een kamer binnenkwam, draaide die kamer om haar. Die gravitas had ze. Zelfs toen ze ziek en stervende was, droeg ze elke dag haar Chanelpakjes, haar haren geföhnd. Carrère schrijft dat hij op de vingers van twee handen kan tellen hoeveel mensen ze aansprak met tu – jij. Zelfs haar meest naaste vrienden sprak ze aan met vous – u – en omgekeerd.
Nadat ze was overleden, sprak president Macron op een eredienst in het Hôtel des Invalides. Hiermee begint Kolchoze. Over grandeur gesproken. Macron zegt: ‘En het is nu aan u, kleindochter van de steppe en moeder van de Académie française, staatloze en matriarch, weeskind en tsarina, dat het in rouw gedompelde Frankrijk voor de laatste keer hulde brengt. Leve de republiek! Leve Frankrijk!’
In zekere zin zijn dit de publieke feiten. Maar je leest Carrère niet voor de feiten, maar voor zijn blik.
Hij ziet Macron speechen en denkt aan de keer dat hij met Macron naar Saint-Martin ging, een overzees gebiedsdeel dat door een cycloon was geraakt. Zodra ze het vliegtuig uitstapten, droop iedereen van het zweet, behalve Macron. Aan het einde van de dag liep hij er nog ongekreukt en okselfris bij.
‘Mijn moeder, toen ik haar dat vertelde, vond dat in hem te prijzen: een welopgevoede man transpireert niet.’
Kolchoze gaat overigens ook over de vader van Carrère, een man die idolaat was van zijn vrouw, zich als hobbyhistoricus verloor in de genealogie van haar voorgeslacht. En een man op wie ze onherroepelijk begon neer te kijken. Na een affaire – haar kinderen hadden heel goed door dat ze steeds werd gebeld door een mysterieuze meneer – verbande ze haar echtgenoot naar de logeerkamer, waar hij tot haar dood zijn nachten zou doorbrengen.
De blik van Carrère is warm, liefdevol, onderzoekend. ‘Kolchoze’ – een collectieve boerderij in de Sovjet-Unie – was de bijnaam voor een ritueel bij de Carrères thuis, waarbij Emmanuel en zijn twee zusjes in hun kinderjaren hun matrassen bij hun moeder in de slaapkamer mochten leggen.
Maar die blik is ook nietsontziend. Zijn moeder, schrijft Carrère, koos voor de kant van de machtigen, voor de gevestigde orde. Hij schrijft: ‘Françoise Sagan, aan wie je niet meteen denkt als een politieke filosoof, heeft eens gezegd dat het verschil tussen rechts en links is gelegen in het feit dat rechts zegt: ‘Er is onrecht, en dat is onvermijdelijk’, en links: ‘Er is onrecht, en dat is onverdraaglijk.’ Mijn moeder kon heel goed tegen onrecht.’
Op tal van thema’s en onderwerpen was ze recht in de leer. Zoals haar broer opmerkte, hield ze vast aan de ‘partijlijn’. Hij zegt: ‘Hélène is niet alleen een historica van de Sovjet-Unie, ze is een Sovjethistorica.’ Hij bedoelt: ze gelooft wat ze gelooft, tegen elk tegenbewijs in.
Dit is haar afkeer van Tolstoj, denk ik. Ze wil niet leven in al het toeval, in alle chaos, in alle willekeur. Ze wil rigide lijnen, harde ideeën die de wereld samenknellen.
Macht trok aan haar, ook wanneer die macht immoreel was. Carrère beschrijft dat zij, die zo veel eredoctoraten, grootkruizen en andere regalia uit Rusland ontving, een halve Poetin-apologeet werd. Daags voor de invasie van Oekraïne verdedigde ze hem nog: zoiets zou Poetin nooit doen!
Het werd erger. Na een bezoek aan het Élysée-paleis nam de Franse veiligheidsdienst haar telefoon in beslag. Ze had een gesprek met Macron over het Franse beleid ten aanzien van Rusland stiekem opgenomen. Het vermoeden rees dat ze de intentie had – zoals ze dat eerder had gedaan, zou blijken – het door te sturen aan een Signal-account dat, dacht de inlichtingendienst, van Poetin persoonlijk was.
Toen ze overleed, op 5 augustus 2023, prees Poetin haar publiekelijk als ‘een grote vriend van ons land’.
Wat Carrères blik betreft: in The Times Literary Supplement werd Kolchoze besproken door de prominente Franse auteur Marie Darrieussecq. Die schrijft dat een op grandeur gericht land als Frankrijk altijd behoefte heeft aan de positie van de ‘Grootste Schrijver’ en dat Carrère nu de meeste aanspraak op die titel maakt.
Het goede nieuws is dat hij dat niet aan nepotisme te danken heeft, gaat Darrieussecq verder, maar aan talent.
Daar dacht ik even over na. Die blik. Carrère is geen rechte lijn op een vel papier: zijn leven, zoals dat is beschreven in zijn autobiografische boeken (en in de Franse media), kent inzinkingen, depressies, scheidingen. Maar zijn blik is wel die van een man die overal waar hij komt thuis lijkt te zijn in de wereld, een man die nergens van opkijkt, die met Macron op pad gaat, en niet denkt: jeetje, ik ben hier met de president van Frankrijk.
Nee, van huis uit heeft hij genoeg hoogwaardige figuren over de vloer meegemaakt. En dus, omdat hij niet onder de indruk is, heeft hij ruimte om andere dingen op te merken, zoals het niet-zweten van het staatshoofd. Ook dat kun je een vorm van nepotisme noemen.
Maakt me verder niet uit. Wat telt, zijn de boeken, maar in dit geval gaat het boek over wat ouders aan hun kinderen doorgeven. De armlastige migrantenstatus van haar vader Georges stuwde moeder Carrère tot grote hoogten. Haar verbeten ambitie drong haar zoon tot een laconiekere levenshouding.
Het voelt vreemd om Carrère de ‘Grootste Schrijver’ te noemen, omdat zijn boeken te persoonlijk zijn, telkens de wereldlijke zaken mengen met persoonlijke memoires. Ze zijn menselijk, grappig, intelligent en bescheiden over die intelligentie. Ik weet dat het naïef is om zoiets te zeggen, want elke ‘ik’ van een schrijver is een construct, maar ik heb nu alles van hem gelezen dat er is vertaald, en hij voelt bijna als een vriend.
Voor wie Een Russische roman kent, zijn de eerste 150 bladzijden familiegeschiedenis in Kolchoze misschien bekend. Voor wie het niet kent, kunnen ze misschien wat afstandelijk genealogisch zijn, maar daarna komen alle personages, grootouders, ouders, Carrère en zijn zussen, steeds dichterbij. De lange lijnen van de geschiedenis die door de familie lopen worden zichtbaar, de diepe loyaliteiten, de hardnekkige karaktertrekken die worden doorgegeven – of waartegen kinderen zich juist verzetten. Kolchoze is een uniek boek, over een unieke moeder en haar zoon.
Emmanuel Carrère: Kolchoze. Uit het Frans vertaald door Floor Borsboom. De Arbeiderspers; 432 pagina’s; € 27,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant