Debutant Daan Doesborgh portretteert een jonge bankier in het Amsterdam van de 16de eeuw. Intriges en gekonkel te over.
Daan Doesborgh raakte gefascineerd door de figuur van Pompejus Occo, een jonge bankier die begin 16de eeuw naar Amsterdam trok en daar uitgroeide tot mecenas en verzamelaar. Niet alleen zijn voorliefde voor kunst en prullaria maakt hem bijzonder, hij mag ook de Deense koning Christiaan II tot zijn cliënten rekenen.
Van Herman Pleij verscheen vorig jaar Pompejus Occo en het zieke Amsterdam, maar Doesborgh vond het leven van Occo, zo zei hij in Het Parool, ‘een te goed verhaal voor een wetenschappelijk werk’.
Poppe Okkesz ruilt begin 16de eeuw Friesland in voor Amsterdam en wordt Pompejus Occo. ‘Zijn grootvader Haink Okkesz wist al dat je met zo’n naam voor altijd in de Oost-Friese weilanden blijft, maar dat voor Haignum Occo de wereld openligt (…) en zie nu: Pompejus Occo woont in een huis waar Poppe Okkesz alleen maar van had kunnen dromen.’
Wat ook helpt: hij krijgt de steun van Jacob Fugger, bijnaam ‘de Rijke’, naar verluidt de rijkste man die ooit leefde: omgerekend was hij kapitaalkrachtiger dan Elon Musk vandaag. Ook over de Duitse familie Fugger verscheen recentelijk een boek, Peter F. Anthonissens Bankiers van God en keizer – Het geld van de Fuggers 1475-1625. Blijkbaar spreken vroegmoderne bankiers momenteel enorm tot de verbeelding.
Maar Occo dus. Hij is niet de enige Amsterdamse connectie van de Deense koning. Christiaan II heeft een affaire met het blonde Amsterdamse marktmeisje Duveke, die hij weigert stop te zetten wanneer hij trouwt met Isabella, zus van de latere Karel V. En Duvekes moeder, mee overgekomen uit Amsterdam, is inmiddels zijn officieuze minister van financiën. Intriges en gekonkel te over.
Occo is in zekere zin een roman over de kracht van verhalen, van make-believe. Breng je een verhaal met voldoende overtuiging, dan kun je als Amsterdams marktmeisje in het bed van de Deense koning belanden, dan kun je als nobody uit de provincie naar Amsterdam gaan en daar meespelen in de hoogste echelons van financiën en de kunsten.
In een centrale scène laat Occo zijn ‘Paradijs’, zoals hij zijn twee huizen met erf ertussen noemt, ombouwen om de Deense koning te ontvangen. Met zeildoeken overdekt hij zijn steeg naar het water, door het gefilterd licht lijken de muren wel van marmer. Zijn vriend, schilder Jacob Cornelisz War, is jaloers. Want wanneer hij een tuin schilderde, proefde hij wel ‘de smaak van weegbree, paardenbloem, aardbei als deze planten onder zijn handen uit de grond kwamen gekropen. Maar er hoefde maar een leerling een pot om te stoten (…) en dan stond hij weer in zijn atelier, tussen de chaos en de rommel. (…) Wat Occo hier gedaan had was sterker. Hier stond je in een droomwereld (…) Je kón niet terugvallen in de werkelijkheid, want voor één avond was de werkelijkheid naar het verleden verbannen.’
Steeds wordt benadrukt dat een goed verhaal gemakkelijker geloofd wordt dan feiten. Het boek opent met een proloog over het Mirakel van Amsterdam in 1345. Een doodzieke man braakt zijn hostie uit, de hostie wordt in het haardvuur gegooid, maar de volgende ochtend ongeschonden in de as teruggevonden. Er wordt een kapel rond de haard gebouwd, en twee eeuwen later wordt Occo kerkmeester van deze Heilige Stede. Daar ontdekt hij dat de heilige hostie, waarvoor pelgrims zich verdringen, telkens vervangen wordt door een nieuwe. De oorkonde waarin de bisschop daartoe toestemming verleent, werd al in 1346 opgesteld. ‘Zo vroeg al werd het verhaal belangrijker geacht dan de feiten.’ Mensen wíllen geloven in het mirakel.
Maar the times, they are a-changin’. De tijd raast verder – het boek opent in 1345 en eindigt in 1588 – en het geloof blijkt labiel. Het katholicisme komt onder druk te staan, Luther vindt steeds meer navolging.
Zoals de zoon van Occo in de epiloog zegt: ‘Het was een vreemde maar tegelijk waardevolle les geweest, dat er zaken zijn in het leven die je als eeuwig en onwrikbaar beschouwt, maar die onder de juiste omstandigheden een stuk tijdelijker en wankeler blijken te zijn dan je kon bevroeden.’
Doesborgh koos voor Occo een motto van David Byrne: ‘And as things fell apart, nobody paid much attention.’
Er zijn omwentelingen gaande, maar iedereen is toch vooral bezig met zijn eigen leven. Koning Christiaan: ooit had hij drie kronen, nu geen enkele meer. Zijn minnares Duveke – ‘Volkskoningin van Denemarken, de wolfsspin in het huwelijksbed van Isabella van Oostenrijk’ – is vermoord, zijn vrouw Isabella overleden en hij is verbannen. ‘Zonder haar was hij vrijwel niemand meer, was hij een edelman met een chique bankier en een rijk verleden, maar zonder veel toekomst.’
Sigbrit moet vluchten. ‘Haar tijd was voorbij, ze was oud en de wereld keek steeds minder vaak om of ze het nog bij kon benen.’
De laatste hoofdstukken schrijft Doesborgh vol pathos, als muziek die dramatisch aanzwelt naar een climax. Maar de beladenheid waarmee de levensverhalen van de vele personages worden afgewikkeld, staat misschien niet geheel in verhouding met de tijd die we met ze hebben doorgebracht, om ons hun lot écht aan te trekken.
Met Occo wil Doesborgh de man achter de cijfers tonen, enerzijds gulle mecenas en kunstverzamelaar, anderzijds ‘het listige telraam, die zich naar believen inlikte of een weg naar binnen hakte, een teek die achter je oor ging zitten’. Maar de roman werkt toch meer als een in beeldrijke taal geschetst portret van Amsterdam, op een cruciaal moment in de geschiedenis.
Daan Doesborgh: Occo. Van Oorschot; 192 pagina’s; € 22,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant