Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
Halverwege dit breiwerkje wordt bekend wie dit jaar de Nobelprijs krijgt.
‘Jij niet.’
‘Dat weet je niet. Wat Nederlanders niet opvalt, is dat ik in mijn boeken om de zoveel pagina’s een compliment aan Zweden uitdeel.’
Ik tik op een van mijn werken. ‘De eerste zin van deze vriend bevat bijvoorbeeld de observatie dat de schitterende kaart van Zweden de smaakvolle contouren heeft van een onderbeen en de voet van een jongedame wier kous elegant is afgezakt, terwijl Nederland – waar onze held zojuist een IKEA is binnengelopen – werkelijk nergens op lijkt. Verder zeggen personages lukraak dingen als: ‘Was ik maar in Zweden.’ En: ‘Dat is in Zweden wel even anders.’’
Het zou wel iets voor Nederland zijn: eindelijk eens de Nobelprijs, precies als de literatuur vrijwel met wortel en tak is uitgeroeid. Dat de roman stervende is, of zelfs al dood, horen we al honderd jaar. José Ortega y Gasset schijnt ermee begonnen te zijn. Wie anders, die man voorspelde overal de wisse ondergang van, dus ook van de roman. Maar de enige die voorlopig in een graf ligt, is Ortega y Gasset zelf.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Daarna hebben allerlei valse profeten (Walter Benjamin, Norman Mailer, Roland Barthes, Tom Wolfe) de roman terminaal verklaard. Eerst was de roman zelf ziek, zwak en misselijk, toen zou de videorecorder het overnemen. Inmiddels komt het gevaar van buiten én van twee kanten, van links de ontlezing (het apejong wil helemaal niet meer lezen, kan het niet eens meer, zelfs niet op vakantie) en op rechts staat een machine klaar die straks in een oogwenk nieuwe Prousten tevoorschijn zal hoesten (voor de jonge aap: dit rijmt) – maar voor wie, eigenlijk?
Voor Pangram.
Over twee minuten de Nobelprijs… Ik zet de livestream aan, de beroemde deuren zijn nog dicht. Ah, daar komt een mevrouw naar buiten... Ze heeft een enorme map vast, een soort dranken- en spijzenkaart – Harry Mulisch’ minst favoriete boek ooit.
Anne Carson. Natuurlijk. Eindelijk. Beetje voorspelbaar misschien, maar zeer, zéér terecht.
Tot laten we zeggen de jaren negentig van de vorige eeuw vond ik het altijd jammer dat Harry niet won, maar tegenwoordig haal ik opgelucht adem als we misgrijpen. Het zou te veel zijn. Te veel voor ons land, maar ook voor de winnaar. En voor alle andere collega’s van de winnaar.
Hoewel we dus altijd naast de pot pissen als land, staat de literaire blaas heel erg gespannen – een gevaarlijke paradox. De Duitsers, de Fransen, de Amerikanen: die zijn eraan gewend; iedere behoorlijke schrijver heeft daar een Nobelprijs. Bij ons wordt het hysterie. Je kunt een Nederlander niet in één adem noemen met Faulkner en Gabriel García Márquez.
Stel je voor dat Pfeijffer ’m zou krijgen, dat kan zomaar gebeuren. Wat er nu al op Facebook plaatsvindt, op Ilja’s eigen accountje, zou zich als ebola naar de echte media verspreiden, dagenlang overal Ilja’s triomfen, maar nu wereldwijd verspreid – door anderen. Kunnen Nederlanders niet bolwerken. Of Pfeijffer is binnen de kortste keren president van Nederland (het George Weah-Ballon d’Or-effect), denk daarbij aan euromunten met zijn profiel plus een jaarlijkse feestdag waarop Ilja een Nederlandse gemeente bezoekt, óf de natie keert zich tegen hem, omdat het niet goed voelt: juist hij als een Shakespeare boven het maaiveld – waarom eigenlijk?
Ilja zal ongedaan moeten worden gemaakt. Niet vermoord, alsjeblieft niet zeg, dat maakt alles alleen maar erger, nee: bestreden, ontkend, geridiculiseerd, er moeten Ilja-grappen komen, en pakken en pruiken in stadions, lullige filmpjes. Het wordt een van beide.
Als ik Ilja was, zou ik hem weigeren. (Sterker, ik heb hem al eens geweigerd.)
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.