De gemiddelde omvang van populaties wilde dieren is in 52 jaar met 73 procent afgenomen. Toch gaat er ook veel goed: dankzij beschermingswerk is de helft van de onderzochte populaties nu stabiel of groeit zelfs, meldt het Wereld Natuur Fonds.
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Voorheen ernstig bedreigde diersoorten als de groene zeeschildpad, blauwvintonijn, tijger en savanneolifanten in zuidelijk Afrika zijn in aantal sterk hersteld, meldt het Wereld Natuur Fonds (WWF) in het Living Planet Report 2026. Dichter bij huis verheugt het WWF zich over de terugkeer van de wisent (de Europese bizon), de Iberische lynx, de bultrugwalvis en in Nederland de Europese otter. Van de Iberische lynx, een katachtig roofdier uit Spanje en Portugal, waren begin deze eeuw nog maar 62 exemplaren over. Dankzij beschermingsmaatregelen leven er nu zo’n 2.500.
Die successen zijn volgens de natuurbeschermingsorganisatie ‘het resultaat van jarenlange samenwerking tussen overheden, lokale gemeenschappen, bedrijven en natuurorganisaties. Van de bescherming en het herstel van leefgebieden tot de aanpak van stroperij, illegale handel en overbevissing: gerichte maatregelen maken aantoonbaar verschil’.
Het Living Planet Report verschijnt elke twee jaar en biedt inzicht in de ontwikkeling van de biodiversiteit wereldwijd. De editie 2026 is de zestiende. De afname van 73 procent is gelijk aan die in het rapport van 2024, alleen is de analyse nu gebaseerd op meer populatiegegevens en een langere meetperiode. De rapporten baseren zich op de Living Planet Index (LPI), een internationaal erkende methode ontwikkeld door de Zoological Society of London. Die omvat 35.803 populatietrends van 5.790 soorten gewervelde dieren tussen 1970 en 2022.
De grootste afname is te zien in zoetwaterecosystemen (min 85 procent), gevolgd door ecosystemen op land (min 69 procent) en in de oceanen (min 59 procent). De achteruitgang gaat het snelst in Afrika (80 procent afname sinds 1970) en Latijns-Amerika (95 procent). Europa scoort met min 23 procent relatief het beste, maar daar staat tegenover dat de grootste achteruitgang zich voltrok voor 1970, het beginjaar van de meetperiode.
Het Living Planet Report 2026 noemt de energie-, voedsel- en financiële systemen de belangrijkste aanjagers van natuurverlies. ‘Het voedselsysteem is de belangrijkste oorzaak van natuurverlies, het energiesysteem drijft klimaatverandering aan en het financiële systeem investeert nog vaak in activiteiten die schadelijk zijn voor natuur en klimaat’, aldus WWF.
Daarom is in die systemen een omslag nodig. Bij de presentatie van het rapport zei het Wereld Natuur Fonds Nederland (WNF) diverse signalen te zien die wijzen op verandering. Zo ontmoedigt de Amerikaanse president Donald Trump weliswaar projecten met windenergie ten gunste van fossiele brandstoffen, maar volgens WNF ‘wordt in Europa volop geïnvesteerd in duurzame energie’. Ook banken kijken volgens de organisatie met steeds meer belangstelling naar manieren van duurzaam investeren.
De organisatie wijst regeringen erop dat de biodiversiteitstop COP17, die vanaf 19 oktober wordt gehouden in de Armeense hoofdstad Jerevan, en de internationale klimaatonderhandelingen later dit jaar belangrijke kansen bieden voor maatregelen waarmee de biodiversiteitsdoelen voor 2030 in zicht komen.
De accentverschuiving van achteruitgang naar hoop past in een strategie die WNF heeft laten ontwikkelen. In de vakpers voor marketingstrategen legde de organisatie eerder dit jaar uit dat uit consumentenonderzoek was gebleken dat een opeenstapeling van alarmerende berichten over de natuur ‘mensen moedeloos kan maken en eerder laat wegkijken dan handelen’. Door te wijzen op de veerkracht van de natuur en de behaalde successen wil de natuurorganisatie urgentie daarom combineren met handelingsperspectief.
In 2001 werden nog maar 60 exemplaren geteld van de Iberische lynx, een katachtige die in Spanje en Portugal leeft. Onder meer door het uitzetten van konijnen (die massaal waren bezweken aan het myxomatosevirus) en het verwijderen van hekken om boerenland, steeg de populatie tot boven de 2.000 en veranderde de status van de soort van ‘bedreigd’ naar ‘kwetsbaar’.
Zijn bijnaam als ‘soepschildpad’ zei iets over zijn status. Van de zeven soorten is de groene zeeschildpad de meest algemene. Desondanks werd hij zwaar bedreigd, onder meer door visserij en stroperij, watervervuiling en klimaatverandering. Door maatregelen gedurende vijftig jaar kon de status ‘bedreigd’ in 2025 worden veranderd in ‘niet bedreigd’.
Toen er in 2010 nog maar zo’n 3.200 wilde tijgers waren, dreigde de soort uit te sterven. Dankzij beschermingsmaatregelen lopen er nu weer zo’n 5.700 rond, een populatiegroei van 70 procent. De grootste groei deed zich voor in India. De tijger werd bedreigd door onder meer stroperij en als gevolg van mens-dierconflicten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant