Politiemensen vertellen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe die hun kijk op het vak heeft veranderd. Marco Jong (61) proostte op het nieuwe jaar en trok twee minuten later zijn wapen.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Ik had nog nooit mijn pistool getrokken, tot die nieuwjaarsnacht. Iedereen van de nachtdienst kwam in Amersfoort op een pleintje bij elkaar om even te proosten, er stonden zo’n tien politievoertuigen. Vlak voor de jaarwisseling dronken we met een man of twintig Jip en Janneke-champagne uit plastic bekertjes en aten borrelnootjes uit een zakje dat rondging.
‘Het was rustig, iedereen zat thuis voor de tv te wachten tot middernacht. De sfeer was goed. Maar we wisten ook: zometeen barst het los met vechtpartijen en vuurwerkgewonden.
‘Plechtig zei de meldkamer door onze portofoons: ‘Dames en heren, het is twaalf uur, ik wens jullie allemaal een gezond en gelukkig nieuwjaar.’ Overal om ons heen werd vuurwerk afgestoken, buren kwamen naar buiten en wensten elkaar handenschuddend gelukkig nieuwjaar.
‘Meteen daarna zei de meldkamer dat we met meerdere voertuigen naar een grote vechtpartij moesten. De ene collega na de andere reed met toeters en bellen die kant op.
‘Op het bewuste plein waren tientallen jongeren met elkaar in gevecht, terwijl overal vuurwerk de lucht inging. We hadden destijds nog geen taser of pepperspray, ik nam voor de zekerheid de lange wapenstok uit de auto mee.
‘Meteen toen ik uitstapte, kwam een vent met opgeheven armen op me af. In beide vuisten hield hij een groot vleesmes op mij gericht, ze hadden allebei een lemmet van zo’n 25 centimeter.
‘Terwijl ik in mijn linkerhand de lange wapenstok vasthield, trok ik met rechts mijn pistool, richtte het op hem en schreeuwde: ‘Laat die messen vallen, anders schiet ik!’ Hij zei niets, maar bleef op me afkomen met een uitdrukkingsloze blik, hij keek dwars door me heen.
‘Mijn hartslag schoot omhoog. Om me heen was het één grote kakofonie van vuurwerk en feestende mensen en vechtende jongeren, maar mijn focus was helemaal gericht op deze levensbedreigende situatie: ik zag alleen die man en die messen.
‘Ik bleef schreeuwen: ‘Gooi je wapens op de grond!’ Geen reactie. Ik dacht: ik moet schieten. Ineens stond hij stil, een meter of 5 voor me en liet zijn armen zakken. Maar wat ik ook riep, ik kreeg geen contact. Hij liet die messen niet vallen.
‘Even stonden we stil. Om de impasse te doorbreken richtte ik mijn wapen naar beneden, liep naar hem toe, trapte hem heel hard op zijn borst en liep snel weer achteruit om mijn pistool weer op hem te kunnen richten. Hij deinsde iets achteruit, zei niets, gaf geen geluid van pijn en hield nog steeds die messen klemvast.
‘Op zo’n moment schieten je gedachten als een flipperkast door je hoofd: wat moet ik doen? Wat mág ik doen? Wat kán ik doen? Zit ik in een noodweersituatie? Nee, want hij staat stil. Mag ik aanhoudingsvuur gebruiken om hem in zijn benen te schieten? Hoe zit het juridisch? Wat zijn mijn opties?
‘Toen borg ik mijn wapen, hief de lange wapenstok en waarschuwde dat ik geweld zou gebruiken als hij de messen niet liet vallen. Weer geen reactie. Vervolgens gaf ik hem zo hard als ik kon een klap op zijn bovenarm.
‘Ik vermoed dat hij verdovende middelen had gebruikt, want hij gaf nog steeds geen enkele blijk van pijn, maar hij liet wel het mes uit zijn linkerhand vallen. Twee seconden later viel ook het andere mes op de grond.
‘Volgens protocol moet je iemand dan wegpraten van het wapen, maar het leek me beter om meteen door te pakken. Ik bracht hem naar de grond, boeide hem en zette hem achter in de auto.
‘Je moet je voorstellen: op het ene moment sta je borrelnootjes te eten, het volgende sta je met je pistool te zwaaien, terwijl iedereen om je heen feestviert. Dat contrast tussen twee uitersten is tekenend voor het politiewerk.
‘In heel Nederland is geen politieagent te vinden die geen impactvolle situatie heeft meegemaakt. Hier in dit bureau zie je mensen rustig zitten werken, maar ze weten dat ze elk moment bij een vechtpartij, dodelijk ongeluk of aanslag kunnen staan. Dat is de onvoorspelbaarheid van ons werk.
‘Burgers vinden het vanzelfsprekend dat wij ons leven in de waagschaal stellen, maar ze beseffen niet wat wij allemaal meemaken. Mijn zus zei eens dat haar collega iemand had moeten reanimeren en vroeg aan mij: ‘Heb jij weleens iemand gereanimeerd?’ Toen ik antwoordde dat ik dat tientallen keren heb gedaan, zei ze verbaasd: ‘En hebben die het allemaal overleefd?’
‘Nee’, zei ik. Vervolgens vroeg ze: ‘Dus jij hebt weleens een dode gezien?’ Daarop moest ik hard lachen: ik heb in veertig jaar misschien wel honderden doden gezien. Maar het geeft ook aan dat burgers geen idee hebben met hoeveel ellende, dood en verderf wij in aanraking komen. En dat een impactvolle zaak ook veel met ons doet. Want onder dit uniform zit ook maar gewoon een mens.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant