nieuwsbriefMachtige Tijden
Machtige Tijden Rob Jetten is zeker niet de eerste junior-premier die klem wordt gezet door politieke bondgenoten. En hij is al helemaal niet de eerste partijleider die als coalitiepartner van de VVD in serieuze politieke problemen komt.
Je zou het niet zeggen als je de zelfverzekerdheid ziet waarmee politici zich nu opstellen in beeldbepalende Kamerdebatten. Toch komt het geregeld voor dat politici zich vergissen. Oók politici met een goede reputatie.
Niemand was langer minister van Financiën dan Gerrit Zalm (VVD). Hij vervulde de functie vrijwel ononderbroken van 1994 tot en met 2007 en werd door links en rechts gerespecteerd om zijn deskundigheid. In 2001 was hij opgetogen over een nieuwe vorm van vermogensheffing. Met zijn staatssecretaris, Willem Vermeend (PvdA), dokterde hij de vermogensrendementsheffing uit. Winst uit beleggingen werd voortaan belast op basis van een fictief rendement.
Zalm zei destijds in NRC: „Mijn collega’s in andere landen zeggen me: ‘da’s een lekkere belasting’. Ze vinden hem mooi hoor.”
Dit laatste zul je nu niet meer horen. De vermogensrendementsheffing is nogal een complicatie voor het prille premierschap van Rob Jetten. De Hoge Raad oordeelde in 2021 dat het principe van heffing op een fictief rendement in strijd is het met Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De politiek probeert sindsdien een nieuwe vorm van vermogensheffing te vinden. Minister van Financiën Eelco Heinen (VVD) deed in de begrotingsonderhandelingen van de coalitie een voorstel dat rigoureus werd afgewezen door CDA en D66. Uit een Kamerbrief op Prinsjesdag blijkt wat er op het spel staat. Een meerderheid wil de verboden heffing nu vervangen voor een belasting op vermogenswinst. Maar dan zou de staat inkomsten van tussen de 13 en 23 miljard euro mislopen.
Een molensteen om de nek van Jetten. Tijdens de algemene beschouwingen bleek al dat hij grote moeite heeft steun van de oppositie voor de begroting te vinden. De VVD wil met rechts. Jetten en Henri Bontenbal sluiten liever een deal met de polder en Pro. Een tegemoetkoming aan vermogenden én bezuinigen op uitkeringen zijn dan onhandige uitgangspunten.
Het onderstreept hoe de conceptuele fout uit de formatie – een minderheidskabinet zonder voorkeurspartners – Jettens reputatie op het spel zet. Tegelijk is hij zeker niet het eerste D66-kopstuk dat na electoraal succes in de tang wordt genomen. Het overkwam Jan Terlouw als vicepremier en minister van Economische Zaken in Van Agt II. Het overkwam Hans van Mierlo als minister van Buitenlandse Zaken in Paars I. En het gebeurde Sigrid Kaag als vicepremier en minister van Financiën in Rutte IV.
D66’ers zijn vaak kwetsbaar door de combinatie van mediahandigheid en een beperkt machtspolitiek instinct. Ook in de kritiek op Jetten klinkt dit door. Het Algemeen Dagblad bracht donderdag een stuk met pijnlijke citaten uit Jettens nabijheid, waarbij de naam en partijpolitieke kleur van de bronnen ontbrak. Zo bleef in het midden wat hier speelt: ware bezorgdheid of escalerende politieke strijd.
Maar vergeet niet: bijna elke junior-premier wordt door concurrerende partijen op de proef gesteld. Vaak zit de vorige premierspartij erachter. In de campagne van 2010 pleitte VVD-lijsttrekker Mark Rutte tegen nieuwe bezuinigingen op Defensie. In de formatie ging hij er onder druk van CDA en PVV toch mee akkoord, tot chagrijn van zijn partij.
Daarna wilde de nieuwe minister van Defensie, Hans Hillen (CDA), in een Kamerbrief afdingen op de afgesproken bezuinigingen. Algemene Zaken kreeg er lucht van. Zijn ambtenaren spoorden Rutte aan tot ingrijpen: als hij dit liet passeren, ondermijnde hij als junior-premier zijn gezag. Zo gebeurde het dat een woedende Rutte Hillen belde om uitvoering van bezuinigingen te eisen waar zijn eigen VVD tegen was. Dus je kunt ook zeggen: wat Jetten nu overkomt, is deel van zijn opleiding.
Hier speelt nog een ander aspect waarvoor weinig aandacht is. Sinds Mark Rutte in 2010 premier werd, loopt het bijna altijd slecht af met partijleiders van coalitiepartners die met de VVD in zee gaan.
Ga maar na. Vicepremier Maxime Verhagen (CDA, Rutte I) verdween na de vroege val van dit kabinet in 2012 van het toneel. Vicepremier Lodewijk Asscher (PvdA, Rutte II) verloor in 2017 als lijsttrekker het historische aantal van 29 PvdA-zetels (en kwam de klap nooit te boven). Vicepremier Hugo de Jonge (CDA, Rutte III) moest zich in 2020 terugtrekken als lijsttrekker. Daarna verdwenen ook de vicepremiers Sigrid Kaag (D66, Rutte IV) en Wopke Hoekstra (CDA, Rutte IV) door de vroegtijdige val van dit kabinet in 2023 van het nationale politieke toneel.
Toen kwam het tijdperk van Dilan Yesilgöz. Na de zege van Geert Wilders in 2023 trad de VVD ondanks aarzelingen toe tot het kabinet-Schoof. Na de val vorig jaar klaagden oud-bewindslieden van PVV, NSC en BBB over de destructieve houding van liberale bewindslieden.
Bij de verkiezingen gingen de coalitiepartners PVV (min elf zetels), NSC (min twintig) en BBB (min drie) zwaar onderuit; de VVD verloor twee zetels. Bij BBB brak een conflict uit. Caroline van der Plas legde het partijleiderschap neer en oud-vicepremier Mona Keijzer verliet de partij omdat zij haar niet mocht opvolgen. Bij NSC sneuvelde iedereen. Ook vicepremier en lijsttrekker Eddy van Hijum en oud-partijleider Pieter Omtzigt. Opgeteld acht gesneuvelde partijleiders in vijftien jaar samenwerking met de VVD.
Elke zaterdag ontleedt Tom-Jan Meeus in zijn nieuwsbrief de politieke week - en laat zien wat bijna niemand ziet
Voor de goede orde: het lot van deze gesneefde voorlieden is zeker niet in alle gevallen aan de VVD te linken. Allerlei andere factoren speelden mee. Maar voor een bestuurderspartij – de VVD regeerde deze eeuw 23 van de 26 jaar – is het een zorgelijk feit dat de prijs van samenwerking met de VVD voor leiders van coalitiepartners gevaarlijk hoog is: bijna altijd einde carrière. Die dingen gaan in het Haagse geheugen zitten.
En rond het kabinet-Jetten klinken binnen CDA en D66 opnieuw sceptische geluiden over de VVD. Met 14 procent van de stemmen nam de partij in de formatie onwrikbare posities in over de coalitiesamenstelling, de hypotheekrenteaftrek, en het financieel kader. Ook in deze coalitie klinkt nu de klacht: de partij die onder Rutte jaren profiteerde van loyale of schappelijke coalitiepartners, heeft moeite die rol te spelen nu ze niet meer de grootste is.
Boeiend detail: Herman Tjeenk Willink wees laatst bij een boekpresentatie op een kleine wijziging in het reglement van orde van de Kamer uit 2012. Daarin „is uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid van wisseling van samenstelling van een kabinet zonder verkiezingen”. Hij zei „zeker” te zijn dat de VVD in deze coalitie zal „dreigen met politieke crisis”. En „een breed besef” van de mogelijkheid om in dat geval een nieuw kabinet zonder tussentijdse verkiezingen te vormen „lijkt me een goed middel” tegen zo’n dreigement, aldus Tjeenk Willink.
Wat ook opvalt is dat de oppositie, van Pro tot en met JA21, meent dat het goed is als het kabinet-Jetten zou „kiezen”. Op de eerste dag van de algemene beschouwingen viel het woord 36 keer. Jesse Klaver verwees naar de wederopbouw, toen „iedereen zijn schouders eronder zette”. Ook Ruben Brekelmans (VVD) zag inspiratie in die periode.
Het interessante is alleen dat de politiek tijdens de wederopbouw juist amper koos. De eerste twee kabinetten-Drees (1948-1952) leunden op ruim driekwart van de Kamer. De absolute tegenpolen destijds, PvdA en VVD, zaten er allebei in. De PvdA schreef in haar verkiezingsprogramma van 1948 dat ze „strijdt voor socialisme in een democratische wereld”. De VVD meende dat de PvdA zichzelf „bedriegt” met het idee „dat socialisme en democratie verenigbaar zijn”.
Fundamentele verschillen waarbij het huidige conflict over uitkeringen, vermogens en lasten verbleekt. Toch werkten de twee tijdens de wederopbouw vier jaar samen. En dan denk je wel: waar zijn die blokkades in 2026 goed voor?
Het hangt vermoedelijk ook samen met het verschijnsel dat bijna de hele Kamer nu is geïnfecteerd door de stijl van populisten. Politici die alles zeker weten en hun oplossingen in één zin samenvatten. Zoals de bijna voltallige Tweede Kamer, inclusief Wilders, in 2000 absoluut zeker wist dat de vermogensrendementsheffing van Zalm en Vermeend ‘heel mooi’ was.
Juist de afwezigheid van het besef dat de Kamer elk moment een schadelijke vergissing kan maken, lijkt me het grootste gebrek van de huidige politiek. Kiezen. Ze willen allemaal kiezen. Omdat ze zeker denken te weten welke route de juiste is.
Zo kan het gebeuren dat het Haagse debat in tijden van binnenlands geweld (tegen asielopvang) en sabotage (van het spoor) vooral over Den Haag gaat. Politici die vooral zichzelf gezag toekennen, en zo een strijdcultuur omarmen waardoor bijna niemand nog gezag kan ontwikkelen.
Volgens een peiling van EenVandaag heeft nog maar 43 procent van de VVD-kiezers vertrouwen in Yesilgöz. Volgens anonieme bronnen van het AD heeft Jetten na een half jaar zijn gezag in de binnenkamer zo’n beetje verspeeld. De destructieve krachten strijden door en we doen alsof het democratie is.
In de e-mailversie van deze nieuwsbrief ging het over „wijlen Willem Vermeend”. Dat klopt niet: Willem Vermeend leeft nog. In deze versie van het artikel is dat aangepast.
Opmerkingen, aanmerkingen, observaties, tips? Elke reactie is van harte welkom. Mail me – t.meeus@nrc.nl – of stuur een persoonlijk bericht op mijn LinkedIn.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie