Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
‘Ik ben nu al overprikkeld’, zeg ik tegen mijn vrouw terwijl we de trap oplopen naar het indoor speelparadijs. Ze hoort me niet. Je moet voorzichtig zijn met de term ‘overprikkeld’, maar ik nodig iedereen uit om een Volkswagen Up tot de nok te vullen met meisjes van een jaar of 9 die weten dat ze naar een indoor speelparadijs gaan en in een rit van een kwartier drie keer het woord ‘vagina’ roepen, één keer ‘seks’ en de rest van de tijd vullen met hun vertolking van Shakira’s Waka Waka.
De rest van de groep zit in de auto bij mijn vrouw en ik weet niet wat zich daar allemaal heeft afgespeeld, omdat ze sindsdien zwijgend voor zich uit kijkt. Haastig leggen we de papieren bordjes op tafel en scheppen er stukken taart op. Lang zal ze leven, lang zal ze leven. Cadeaus. Nog meer taart. En dan sprinten ze richting de trampolines.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Na dertig minuten hebben ze ruzie’, had mijn vrouw voorspeld nadat ik had voorgesteld om het verjaardagsfeestje van onze jongste dochter te vieren in het indoor speelparadijs. Ze had het mis. Het duurt tien minuten. Dan loopt onze dochter huilend naar ons toe en klaagt dat ze wordt buitengesloten. Het duurt vervolgens nog zeker twintig minuten (met onder meer een klap in het gezicht van haar vader) voordat ze besluit zich weer bij haar vriendinnen te voegen.
Het boek dat ik heb meegenomen blijft gesloten, vooral omdat ik met fascinatie zit te kijken naar een soort verticale endeldarm: een toren met op elke verdieping dikke elastieken, waar kinderen zich dan doorheen laten vallen, waarbij hun ledematen zich in allerlei hoeken en vormen buigen.
Ongerelateerd aan deze endeldarmtoren, runnen mijn vrouw en ik een soort EHBO-post, waarbij om de paar minuten een kind met fysiek of mentaal ongemak op het spreekuur komt. Een gestoten teen, een pijnlijke arm, een valse opmerking. Kort na de patatpauze meldt zich een vriendinnetje met acute buikpijn, dat waarschijnlijk even moet braken.
Mijn vrouw ontfermt zich over het arme kind, dus ik kan me nu eindelijk op mijn boek richten. Tot er een paar minuten later vier meisjes op me af komen stormen. ‘Papa!’, schreeuwt mijn dochter. ‘Papa!’ Wat is er? Wat is er?
Ze wijst op haar vriendinnetje, dat in het midden loopt, aan weerszijden begeleid door twee andere bezorgde meisjes. Het meisje houdt een hand voor haar mond. ‘Snel, ze moet kotsen.’ Nog voordat ik ‘Jezus Christus’ kan zeggen, haalt het meisje haar hand voor haar mond vandaan. Ze kijkt me aan en barst in lachen uit. ‘Grapje’, roepen ze in koor. Ja, lachen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant