Home

‘Als ze op je 7de een hoofddoek over je hoofd trekken, word je vanzelf sterk’

In het geheim werkten twee Iraanse journalisten op afstand samen aan Zusters in Iran, over de eerste Iraanse vrouwenprotesten. Het boek is genomineerd voor de Orwell Prize. ‘Ik ben nog altijd bang voor het regime, zelfs nu ik in Washington zit.’

is correspondent Verenigde Staten van de Volkskrant. Ze woont in New York.

Abji!’, klinkt het door het zonnige huis van journalist en schrijver Nilo Tabrizy (37) in Brooklyn, New York. Vanachter haar eettafel op twee hoog videobelt Tabrizy met haar coauteur Fatemeh Jamalpour (40), die jarenlang vanuit Iran verslag deed, maar inmiddels veilig in Washington zit. ‘Hi abji!’, krijgt ze terug – het informele woord voor ‘zus’ in het Perzisch.

Lange tijd ging het zo. Deze twee abji’s hielden elkaar op afstand op de hoogte van hun omvangrijke en soms gevaarlijke journalistieke onderzoek naar de vrouwenprotesten in Iran. In mei verscheen de Nederlandse vertaling van hun boek onder de titel Zusters in Iran. Het is genomineerd voor de Orwell Prize, de meest prestigieuze Britse prijs voor politieke journalistiek.

Zusters in Iran is een bijbel voor de Iraanse vrouwenbeweging, die in 2022 nieuwe zuurstof kreeg met de arrestatie van de 22-jarige Mahsa Jîna Amini door de zedenpolitie, die vond dat haar hoofddoek niet dekkend was. Op het politiebureau werd Amini doodgeslagen, wat de wereldwijde ‘Vrouw, Leven, Vrijheid’-protesten deed ontvlammen.

Tabrizy, nu de Iran-correspondent van persbureau Reuters, deed in die tijd vanuit de VS onderzoek naar de protesten voor The New York Times en later voor The Washington Post. Ondertussen ging Jamalpour in Iran de straten op om mensen te interviewen voor internationale kranten. Op de vlucht voor traangas en rubberkogels zag Jamalpour hoe (vrouwelijke) journalisten om haar heen werden opgepakt en weggevoerd door het fundamentalistische bewind.

‘Weet je nog toen jij naar een protest ging en ik gek werd?’, vraagt Tabrizy aan Jamalpour. ‘Dan sliep ik met mijn telefoon onder mijn kussen, in de hoop dat je veilig thuis zou zijn. Zonder bericht was ik de hele tijd ongerust.’

‘Ja, abji’, antwoordt Jamalpour. ‘Die dagen vergeet ik niet meer.’

Hoe goed kenden jullie elkaar toen jullie besloten samen dit boek te schrijven ?

Tabrizy: ‘We hadden elkaar pas één keer ontmoet, maar we volgden elkaars journalistieke werk op afstand. Fatemeh was een keer langsgekomen op de redactie van The New York Times. Toen de vrouwenprotesten uitbraken, kwam zij op het idee om samen een stuk te schrijven. Dat werkte heel goed, met die verschillende perspectieven: zij vanuit Iran, ik vanuit hier. Ik zag jonge, moedige meisjes in Iran opstaan tegen het regime. Zelfs mannen gingen het voor vrouwen opnemen. Na dat ene artikel dacht ik: er zit een boek in de vrouwenbeweging. Maar ik wist ook dat het schrijven van een boek voor Fatemeh niet zonder risico’s zou zijn.’

Jamalpour: ‘In Iran word je als journalist constant in de gaten gehouden. Het regeringsleger heeft overal camera’s hangen met gezichtsherkenning en ze tracken je telefoon. Bovendien moet je regelmatig verschijnen bij een ambtenaar van het ministerie van Inlichtingen. Hun informanten zitten in alle lagen van de samenleving. Verstoppen kan niet. Dus moest ik mijn bijdrage aan het boek in het geheim schrijven, anders zou ik in de problemen komen.’

Heeft dat ertoe geleid dat jullie nu allebei niet in Iran zijn, maar in de VS?

Tabrizy: ‘Toen ik verslag begon te doen van de ‘Vrouw, Leven, Vrijheid’-beweging, wist ik: dan kan ik dus niet meer naar Iran. De beweging roept op tot de volledige val van het regime. Stel, ik zou nu naar Iran reizen, dan kunnen ze mij op het vliegveld al arresteren, zo simpel is het.’

Jamalpour: ‘Toen ik begon te schrijven over mijn detentie en ondervragingen bij het ministerie van Inlichtingen, wist ik dat ook ik niet meer veilig zou zijn in Iran. Op basis van die paar alinea’s kan ik jarenlang de gevangenis in worden gegooid. Voor publicatie liet ik een aantal hoofdstukken aan mijn advocaat lezen. Dit was vlak voor de eerste verjaardag van de dood van Mahsa Amini. Mijn advocaat voelde al dat ze op grote schaal journalisten zouden gaan oppakken. Hij zei meteen dat ik het land beter kon verlaten. Toen heb ik mijn spullen gepakt en ben ik met veel pijn in mijn hart naar de Verenigde Staten vertrokken. Dit was mijn redding, want mijn advocaat kreeg gelijk.’

De twee journalisten hebben in het boek hun onderzoeken, verslaggeving en persoonlijke levensverhalen samengebracht. In het eerste hoofdstuk vertelt Jamalpour haar verhaal, daarna Tabrizy, daarna Jamalpour weer. Hoewel hun levens elkaar via het boek doorkruisen, groeiden ze op duizenden kilometers van elkaar op.

Jamalpour is geboren in een religieus gezin in het zuidwesten van Iran. Als kind voelde ze al frustratie toen ze zag hoe haar broertjes een fiets kregen, maar zij niet – omdat meisjes niet behoorden te fietsen. Jamalpour vond voetballen met de jongens op straat leuk, maar toen haar borsten groeiden, lieten haar ouders haar binnen. Op school liep ze ook tegen muren op: haar rugzak werd doorzocht op make-up, maar ook op posters van voetbalsterren, romans en tijdschriften. Als ze nagellak droeg of haar bovenlip harste, kon ze een onvoldoende krijgen voor ‘gedrag’.

In 2005 ging ze als freelance journalist in Iran werken. Zonder haar naam te publiceren, werkte Jamalpour jarenlang als Iran-correspondent voor The Los Angeles Times en publiceerde ze artikelen in The Sunday Times en Paris Review. Ze schreef over het dagelijks leven van vrouwen in Iran. De wanhoop over de onderdrukking van Iraanse vrouwen is op elke pagina te lezen. Het Iraanse regime ziet ons als ‘kutjes’, schrijft Jamalpour in het boek, ‘voor hun seksueel genot en voor voortplanting’.

Terwijl Jamalpour volwassen werd onder de grillen van het Iraanse regime, had Tabrizy haar thuisland reeds verlaten. Op haar 4de emigreerde ze samen met haar ouders en zussen vanuit Teheran naar Canada. Als kind in het Westen kwam ze regelmatig huilend thuis van school en smeekte ze haar ouders haar naam ‘Nilofar’ te veranderen in een naam die de kinderen op haar school in Vancouver makkelijker konden uitspreken.

Op haar 10de keerde Tabrizy terug naar Iran, voor een bezoek aan familie. In haar geboorteland bleek ze net zo ontheemd te zijn als in Canada. Hoe ouder ze werd, hoe meer ze verlangde naar haar familiegeschiedenis in Iran. ‘Ik wil Azeri leren’, schrijft ze in het boek, de taal van de etnische minderheid waartoe haar familie behoort. ‘Ik wil af van het westerse accent dat me pijn doet wanneer ik Perzisch spreek.’

Zusters in Iran vormt naast een historische vertelling van de eerste Iraanse vrouwenprotesten ook een handboek voor journalisten in onveilige landen. Ze schreven het boek terwijl ze waren ‘verbonden via kleine pixels op een telefoonscherm’. Honderden berichten gaan over en weer. Rechtstreeks mailen doen ze niet, want dat is gevaarlijk. Vanuit Iran voegt Jamalpour steeds aantekeningen toe in de conceptenmap van een beveiligde mailbox, die Tabrizy in de VS kopieert en verwijdert. Zo laten ze nauwelijks sporen achter.

Dit boek kwam tot stand onder zeer risicovolle omstandigheden. Waren jullie niet bang dat jullie werk tot Jamalpours arrestatie of dood zou leiden?

Tabrizy: ‘Ik ben op veel momenten bezorgd geweest om haar, zeker als ik dagenlang niks vernam. Dan zat ik achter elkaar mijn e-mail te verversen. Het regime vermoordt mensen zowel op klaarlichte dag als in het holst van de nacht, het kon dus elk moment misgaan. Tegelijkertijd had ik ook enorm vertrouwen in haar. Fatemeh heeft een krachtige persoonlijkheid, is heel slim, heeft zichzelf omhooggewerkt in zware omstandigheden. Ze weet als geen ander hoe ze zich als journalist staande moet houden in de Iraanse samenleving. Ergens was ik er ook gerust op dat het goed zou komen.’

Jamalpour: ‘Ik ben in een systeem opgegroeid dat altijd onderdrukkend is geweest. Vrije pers kennen we hier niet. Je bent kwetsbaar, maar het maakt je ook weerbaar. Op een gegeven moment dacht ik: vroeg of laat pakken ze mij toch wel, dus laat ik er zolang het kan zo veel mogelijk verhalen uit slepen.’

Je zag die weerbaarheid zelfs bij jonge meisjes in Iran die zich tijdens de ‘Vrouw, Leven, Vrijheid’-protesten opstonden tegen het regime. Zien jullie dat als iets bewonderenswaardigs of iets zorgelijks?

Tabrizy: ‘Ik denk vaak terug aan de videobeelden van een militair uit het regeringsleger die meisjes op een school vertelde hoe ze hun hoofddoeken behoorden te dragen. Zij bekogelden hem met afval, schreeuwden dat hij zijn bek moest houden. Iets wat hen en hun familieleden in gevaar brengt. Natuurlijk vind ik ze stoer, ik bewonder ze. Maar ergens ben ik bedroefd dat ze zo jong zo’n instinct hebben moeten ontwikkelen. Ik heb een hekel aan het woord ‘veerkracht’, omdat het iets is dat je wordt opgedrongen. Je ontwikkelt veerkracht onder druk: omdat het moet, om te overleven in het systeem. Zelfs op zo’n jonge leeftijd.’

Jamalpour: ‘Als ze op je 7de een hoofddoek over je hoofd trekken, word je vanzelf sterk. Vrouwen in Iran hebben geen andere keuze dan de belichaming te zijn van rebellie. We zijn opgegroeid in een tijd van grote genderongelijkheid. Ik ben er trots op, ja, dat Iraanse vrouwen zo sterk zijn. Maar dat neemt niet weg dat ik ook angsten heb. Ik ben nog altijd bang voor het regime, zelfs nu ik in Washington zit. Ik heb regelmatig nachtmerries dat ik voor ze probeer te vluchten en dat ze me oppakken.’

Voor het interview begint, verdrijft Tabrizy met behulp van esfand, een aromatische wierook, alle pech uit haar huis in Brooklyn, een gebruikelijk ritueel in veel Iraanse huishoudens. Het is veelzeggend voor de machteloosheid die velen voelen. Ook bij het schrijven van het boek heeft Tabrizy regelmatig boze geesten moeten verdrijven.

Op sommige dagen zat ze aan dezelfde ronde tafel in Brooklyn als waar ze nu zit, maar dan met haar handen in het haar. Tijdens de protesten liet Jamalpour haar telefoon thuis zodat de basij, het leger van het Iraanse regime, geen toegang zou krijgen tot haar contacten. Ze hadden de afspraak dat ze het Tabrizy zou laten weten als ze weer thuis was, met een verslag van wat ze had gezien en gehoord op straat. Een van de dingen die opvielen, was dat de hoofddoek steeds minder te zien was in het Iraanse straatbeeld, ondanks de hoge risico’s voor vrouwen. Zij kunnen rekenen op geldboetes, reisverboden of jarenlange gevangenisstraffen.

De hoofddoek is een kwestie die de keuzevrijheid van Iraanse vrouwen al bijna honderd jaar in de weg zit. In 1936 verbood de toenmalige sjah van Iran, Reza Sjah Pahlavi, vrouwen om hoofddoeken te dragen. Hij wilde het land juist moderner maken, prowesters. In feite betekende dat een verbanning van religieuze vrouwen uit het openbare leven van het overwegend islamitische land. Toen de geestelijk leider Ayatollah Khomeini in 1979 de verkiezingen won, werden hoofddoeken juist verplicht. Er braken massaprotesten uit waar vijftigduizend vrouwen op afkwamen – gesluierd en ongesluierd. ‘Onze zorgen gaan niet over de hijab’, scandeerden ze, ‘ze gaan over vrijheid.’

Decennia na die protesten in de jaren zeventig hebben Iraanse vrouwen die vrijheid nog steeds niet verworven. ‘Op de afdeling voor vrouwelijke politieke gevangenen van de Evin-gevangenis leven 59 van onze zusters samen’, schrijven Tabrizy en Jamalpour in hun boek over de vele mensenrechtenactivisten, documentairemakers en collega-journalisten die daar vastzitten. ‘Ze doen elke ochtend aan yoga en drie keer per week spelen ze volleybal.’ De beruchte Evin-gevangenis, die gekscherend Evin Universiteit wordt genoemd vanwege de vele gedetineerde studenten, zit zo vol dat er mensen in de gangen liggen.

Inmiddels doen Tabrizy en Jamalpour onderzoek naar de gevolgen van de oorlog die de VS eind februari begonnen tegen Iran. Ze zagen Iraanse collega’s opgepakt worden en vreesden voor het lot van hun familieleden die slachtoffer konden worden van bomaanslagen of van de vele executies die het regime uitvoert op demonstranten die begin dit jaar de straat opgingen.

Wat voor impact heeft deze oorlog gehad op het verzet van vrouwen in Iran?

Tabrizy: ‘We zien dat de Islamitische Republiek er zelfs sterker voor staat. Ze houden mensen in het verzet nu nog meer in de gaten dan eerst. De oorlog heeft het land nog verder gemilitariseerd. Wanneer deze oorlog voorbij is, zal het systeem blijven bestaan ​​en de mensen blijven onderdrukken. Iraniërs ontvingen sms-berichten van overheidsnummers waarin stond dat het delen van beeldmateriaal – foto's of video's – met het Westen gelijkstond aan opruiing. Al deze ontwikkelingen maken verzet alleen nog maar lastiger.’

Jamalpour: ‘Iraniërs weten dat de VS niet wakker liggen van de mensenrechtensituatie in hun land. Vrouwenrechten werden ook als aanleiding genoemd voor de zogenaamde regime change waar ze op uit waren, maar tijdens de onderhandelingen hoor je er niks over. Vrouwen worden als politiek instrument ingezet om zieltjes te winnen voor hun strijd, maar als het erop aankomt hoor je niemand er meer over. Ik geloof dat er in Iran al te spreken is van een regime change, maar die komt van binnenuit. Het zijn de vrouwen die de situatie in het land verbeteren, niet de buitenlandse machten die toch alleen maar hun eigenbelang nastreven.’

Op welke manier is de vrouwenstrijd, volgens jullie, het land aan het veranderen?

Tabrizy: ‘Voor de oorlog besloot het regime bepaalde wetten niet te implementeren omdat ze vreesden dat het opnieuw tot een grote opstand zou leiden. Dit waren wetten die vrouwen nog meer regels zouden opleggen als ze zich niet kuis zouden kleden: denk aan hogere boetes, buren die elkaar moesten aangeven, AI-bewakingscamera’s waarmee ze demonstranten zouden opsporen. Maar het is er tot nu toe nog niet van gekomen. De staat besefte denk ik dat het tot veel meer verzet zou leiden.’

Jamalpour: ‘Absoluut! Ik durf te stellen dat de ‘Vrouw, Leven, Vrijheid’-protesten de grootste feministische revolutie ter wereld waren. Vrouwen in Iran zeggen dat ondanks de toegenomen militarisatie de zedenpolitie niet meer zo actief is als vroeger. Steeds meer vrouwen gaan zonder hoofddoek de straat op. Ik heb zelfs vriendinnen die buiten in sport-bh’s hardlopen. Dat was zonder die beweging niet gelukt. Ik vind het moeilijk dat ik al die grote winsten die vrouwen in Iran hebben geboekt, op afstand moet volgen en niet meer zelf mee kan maken. Ik leef in parallelle werelden. De ene wereld is hier, de andere is daar. Toch ben ik nog vooral daar.’

CV Nilo Tabrizy

1989 Geboren in Teheran, Iran.
1993 Geëmigreerd naar Canada.
2012 Master journalistiek aan Columbia Universiteit.
2016-2022 Videojournalist The New York Times.
2022-2026 Onderzoeksjournalist The Washington Post.
2025 Publiceert boek Zusters in Iran samen met Jamalpour.
2026 Iran-correspondent Reuters.

CV Fatemeh Jamalpour

1986 Geboren in Masjed Soleyman, Iran.
2005 Freelance journalist voor Iraanse en internationale publicaties.
2012 Master journalistiek aan Allameh Tabatabaei Universiteit in Teheran.
2017 Master journalistiek aan Northwestern Universiteit in Illinois.
2024 Emigreert naar de VS.
2025 Publiceert boek Zusters in Iran samen met Tabrizy.
2025 Freelance journalist voor internationale publicaties.

Fatemeh Jamalpour en Nilo Tabrizy: Zusters in Iran. Uit het Engels vertaald door Ellis Langenkamp. Zwartjes & Labovic; 320 pagina’s; € 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next