Tussen 1941 en 1944 verbleef Hitler grotendeels in de Wolfsschanze, zijn Oost-Pruisische hoofdkwartier. Historicus Felix Bohr schreef een beklemmend boek over deze biotoop van vleiers, meelopers en nazizeloten.
schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.
‘Dit hoofdkwartier zal een historische gedenkplaats worden’, sprak Adolf Hitler nadat hij in de nacht van 24 juni 1941, twee dagen na de Duitse invasie van de Sovjet-Unie, zijn intrek had genomen in de Wolfsschanze. In dit Oost-Pruisische (thans Poolse) bunkercomplex zou hij zijn zegetocht als ‘grootste veldheer aller tijden’ voltooien.
Hier zou de verwachte verplettering van het Rode Leger worden geregisseerd, en hier zou een nieuwe wereldorde worden gesticht. Hij verwachtte niet langer dan een paar maanden in het vochtige, door muggen beheerste oerbos te hoeven doorbrengen.
In die opvatting stond hij niet alleen: met de mogelijkheid dat de Wehrmacht in de Sovjet-Unie zou moeten overwinteren, leek niemand in de Wolfsschanze rekening te houden.
Deze bezweringsformule had echter haar kracht verloren toen Hitler enkele maanden later machteloos fulmineerde tegen de sneeuw waarin de Wehrmacht was vastgelopen. Paul Schmidt, die Hitler eerder als tolk ter zijde had gestaan, omschreef de stemmingswisseling in het Führerhauptquartier als volgt: ‘Het ‘wij hebben de oorlog gewonnen’ werd geleidelijk ‘wij zullen hem winnen’ en ten slotte ‘wij kunnen hem niet verliezen’.’
Deze lotswending bracht onder andere met zich mee dat Hitler ruim achthonderd dagen in de Wolfsschanze verbleef, beduidend langer dan in Berlijn, de Berghof (Hitlers buitenverblijf bij Berchtesgaden) of in enig ander machtscentrum.
Over de plek waar Hitler de eindigheid van zijn ‘duizendjarig Rijk’ onder ogen moest zien, schreef de historicus Felix Bohr, chef van de geschiedenisredactie van het Duitse weekblad Der Spiegel, een boek dat laat zien hoe de banaliteit en het kwaad elkaar in de Wolfsschanze vergezelden.
Het kwaad lag in het banale besloten, want over de georganiseerde massamoord waaraan het regime zijn lot had verbonden, werd niet gesproken. Eenmaal moest een radiotechnicus ‘meerdere keren overgeven’ nadat hij Heinrich Himmler tegenover Hitlers privésecretaris Martin Bormann had horen opsnijden over twintigduizend Joden die op een dag ‘volgens plan’ waren geliquideerd – of ‘zo corrigeerde hij zichzelf onmiddellijk, ‘geëvacueerd’.’
Doorgaans bewaarde de nazitop echter het stilzwijgen over wat Himmler ‘de meest verschrikkelijke opdracht’ voor de SS noemde. Hitler zelf liet zich in de Wolfsschanze weliswaar een keer ontvallen dat ‘de Jood weg moet’, maar in de regel zweeg ook hij consequent.
Wat restte, was de banaliteit. Die werd vooral rijkelijk opgedist tijdens de maaltijden die Hitler te midden van enkele uitverkoren ministers, generaals en personeelsleden gebruikte – althans: zolang de krijgsverrichtingen van de Wehrmacht aanleiding gaven tot optimisme. Toen dat niet langer het geval was, trok Hitler zich toenemend in zijn privévertrekken terug. De maaltijden en thee-uurtjes werden vanwege hun lange duur en vanwege de monologen van de Führer door veel aanwezigen weliswaar als corvee ervaren, toch versmaadde vrijwel niemand de ‘gunst’ om erbij aanwezig te mogen zijn. De plek in de pikorde binnen de Wolfsschanze was in hoge mate afhankelijk van de plek die de disgenoten aan tafel werd toebedeeld. Een demotie in de placering bleef niet onopgemerkt.
Vleeseters waren graag bereid een stoofpot met witte bonen, gele erwten of linzen te bestellen als zij zich daarmee in de kijker van Hitler – een verklaard vegetariër – konden spelen. In diens nabijheid konden zij dan smakelijk met hem meelachen als hij de vleesbouillon die elders aan tafel werd geserveerd ‘lijkvocht’ noemde.
De tafelheer oreerde graag over de toekomst van de Krim als gedroomde bestemming voor Duitse toeristen. Over het ‘Europa van de onbegrensde mogelijkheden’ dat na de Duitse eindzege zou ontstaan. Over de schoonheid van het kerstlied Stille nacht. En over de romantische ziel van de Duitser. ‘Ik geloof dat Hitler zeer gelukkig is Hitler te zijn, omdat hij daardoor onafgebroken kan praten’, schreef de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken Ciano na een bezoek aan de Wolfsschanze.
Het negentig gebouwen tellende complex dankt zijn naamsbekendheid vooral aan de mislukte aanslag op het leven van Hitler op 20 juli 1944, door Claus Schenk Graf von Stauffenberg. Deze gebeurtenis sterkte het beoogde slachtoffer enerzijds in de koortsige opvatting dat de voorzienigheid hem had gespaard – opdat hij zijn levenswerk kon voltooien – maar ze wakkerde ook zijn paranoia aan.
Steeds vaker belegde Hitler, die er nooit een matineuze leefwijze op had nagehouden, vergaderingen op nachtelijke uren. Steeds zeldzamer werden de wandelingen met zijn geliefde herdershond Blondi. Steeds kleiner werd de kring van getrouwen die bereid waren hem in zijn wanen te bevestigen. En steeds vaker diende zijn lijfarts, Reichsspritzenmeister Theo Morell hem pepmiddelen toe.
Een officier die de Wolfsschanze kort na 20 juli 1944 bezocht, stelde onthutst vast dat het Derde Rijk door een wrak werd geregeerd. Enkele maanden later, op 20 november, verlieten Hitler en zijn entourage per trein de plek die een historische gedenkplaats had moeten worden. De jaloezieën in zijn rijtuig werden neergelaten, zodat de inzittenden geen nota konden nemen van de ruïnes die zij passeerden.
Felix Bohr: Voor de ondergang – Hitlers jaren in de Wofsschanze. Uit het Duits vertaald door Alexander van Kesteren. De Arbeiderspers; 304 pagina’s; € 26,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant