In haar debuut verbindt Fabienne Rachmadiev twee geschiedenissen van gedwongen ontworteling: die van de Kazachen en van de Tsjetsjenen. Een beetje zoals Tolstoj dat zou doen, maar dan vanuit een ander perspectief.
Was je op Lowlands? Stond je met je uitklaptentje op de ‘gewone’ camping of had je het privilege te verblijven op Gllamcamp Delluxe? Daar kon je dit jaar kiezen voor een Miniyurt of een Zomeryurt. Kost een paar duiten (1.950 euro, boven op het festivalticket van 365 euro), maar dan heb je ook wat: comfortabele eenpersoonsbedden met beddengoed, elektriciteit, houten vloer, biertafelset, strandstoelen, vloerkleed, koelkast en een spiegel. Mocht je in de sauna willen, dan kan dat ook.
De yurts op zulke glampings zijn losjes gebaseerd op traditionele ronde nomadententen uit Centraal-Azië, waaronder de Kazachse kiiz üy en de Mongoolse ger – een centraal beeld in Berg, spiegelscherf, de debuutroman van Fabienne Rachmadiev (1985).
Verhaal: de Kazachs-Nederlandse Laura is in 2017 op een academisch congres over architectuur in Moskou, en herinnert zich opeens ‘dat meisje dat in die tent woonde’ toen ze in 1995 bij haar oom en tante logeerde aan de rand van Almati, een centrale Kazachse stad aan de voet van het Ile-Alataugebergte.
Voor het eerst van haar leven bevindt Laura zich in Moskou, het centrum van het voormalige Russische Rijk. Ze woont nu in Amsterdam, maar groeide op in Almati, de toenmalige Kazachse hoofdstad – vanuit Moskou gezien de Centraal-Aziatische periferie. In Moskou denkt ze Lejla in een restaurant te treffen, dat meisje dat tijdens de Eerste Tsjetsjeense Oorlog (1994-1996) naar Almati moest vluchten – vanuit de Kaukasus, weer een andere imperiale periferie – en daar met haar grootvader Omar in een ‘tent’ woonde voor het huis van de oom en tante.
Als Nederlandse lezer die de details van die geschiedenis niet paraat heeft, moet je je hoofd er even bijhouden. Het zijn basale maar belangrijke vragen: over wie gaat het? Waar komen ze vandaan? En waarom zijn ze nu hier?
Terminologie is daarin belangrijk. ‘Tent’, bijvoorbeeld. De gemiddelde Nederlander zal dat associëren met de De Waard die je ouders vroeger onder stil gevloek probeerden op te zetten in Zuid-Frankrijk, of eventueel met die luxe yurt op Lowlands.
Een groot deel van de etnisch Kazachse bevolking leidde tot het begin van de 20ste eeuw een nomadisch of semi-nomadisch bestaan. Het onderkomen dat wij doorgaans een yurt of tent noemen, wordt in het Kazachs ‘vilten huis’ genoemd. Het was geen tijdelijk kampeermiddel, maar een volwaardige woning die verplaatst kon worden wanneer de seizoensgebonden trek van mens en vee dat vereiste.
Onder Stalin werd deze levenswijze vanaf het einde van de jaren twintig door collectivisatie en gedwongen vestiging gewelddadig ontmanteld. Die gedwongen vestiging is het tegenovergestelde van het lot van de Tsjetsjenen: zij werden in 1944 massaal naar Kazachstan en andere delen van Centraal-Azië gedeporteerd. Tijdens de Tsjetsjeense Oorlog gebeurde dit opnieuw.
De aanwezigheid van de Tsjetsjeense Lejla in het vilten huis in 1995 verbindt dus twee geschiedenissen van ontworteling: gedwongen vestiging tegenover gedwongen verdrijving.
Gedurende de roman blijft onduidelijk of de vrouw die Laura in Moskou ziet werkelijk Lejla is. Juist die onzekerheid maakt zichtbaar hoe ongrijpbaar, subjectief en veranderlijk de herinnering is: in de vrouw herkent Laura niet alleen het meisje uit haar jeugd, maar ook een (verdrongen) versie van zichzelf die ergens bestaat tussen de identiteiten die ze later heeft aangenomen.
Rachmadiev springt heen en weer tussen personages, tijdsperioden en regio’s. Het plot cirkelt steeds om die ene gebeurtenis heen: nadat hun flat is afgebrand, worden Laura en haar broertje Arman ondergebracht bij hun oom en tante aan de rand van Almati. Op het veld tegenover hun stenen huis woont Lejla met andere vluchtelingen in een vilten huis. Op een ochtend zijn Lejla en het vilten huis verdwenen. Waarheen ze vertrokken is en waarom is onduidelijk. Decennia later proberen Laura en Arman te reconstrueren wat zich daar heeft afgespeeld.
De gebeurtenissen worden niet chronologisch verteld, maar telkens opnieuw beschreven vanuit andere personages: van Laura en Arman tot hun moeder Sara, Lejla’s vriendin Sholpan en de bedienden Moerat en Zhanar. Zo laat Rachmadiev zien hoe de geschiedenis zich vormt als een palimpsest: een tekst die wordt uitgewist en opnieuw beschreven, terwijl de eerdere woorden onder de nieuwe zichtbaar blijven.
Die thematiek wordt soms wel heel nadrukkelijk tot uiting gebracht: ‘Eerst ging haar stadse huid eraf, daarna haar academische, daarna haar westerse en wat bleef er over, wat kwam eronder vandaan?’
Dat expliciteren is niet nodig, met name omdat Rachmadiev het op andere momenten juist op een manier doet die meer ruimte voor de verbeelding overlaat: ‘In het plafond zaten haarscheuren, imperfecties, sporen van reparaties, gebruiksschade van voorgaande tijdelijke bewoners’. Subtieler, krachtiger.
Over het algemeen is de symboliek in dit debuut nadrukkelijk te noemen. Dat is wellicht een resultaat van het alwetende bewustzijn dat boven het verhaal zweeft en de personages en hun acties en gedachten vrij expliciet duidt en in verband met elkaar brengt. Berg, spiegelscherf is ondanks die vele perspectieven niet fragmentarisch te noemen, maar duidelijk geordend binnen een grotere historische ontwikkeling. Een beetje zoals Tolstoj dat doet.
Die vertelvorm is betekenisvol. Rachmadiev leunt op de traditie van de grote Russische roman, waarin individuele levens vanuit een breed historisch perspectief met elkaar worden verbonden, maar ze draait de blikrichting om. Niet vanuit Moskou wordt naar de Kazachse periferie gekeken; vanuit Almati en de steppe wordt zichtbaar wat het Russische en Sovjet-imperium daar heeft aangericht. Ze gebruikt zo een vertelwijze uit het centrum om de vermeende periferie zelf in het centrum te plaatsen.
En dat is nodig, want het is een veelgehoorde kritiek die nog steeds standhoudt: dat de literatuur te vaak vertrekt vanuit de voor de hand liggende centra, zoals de meeste Nederlandse romans zich als vanzelfsprekend in de Randstad afspelen. Rachmadiev reikt ons een geschiedenis aan die je – als Nederlander, Europeaan, westerling – niet snel voorgeschoteld krijgt. De kracht van Berg, spiegelscherf is bovendien dat we niet alleen de historische feiten meekrijgen, maar ook ineens voor ons hoe zien hoe het moet zijn geweest voor een kind als Lejla. In dat vilten huis.
Fabienne Rachmadiev: Berg, spiegelscherf. Das Mag; 244 pagina’s; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant