Home

De Duitse industrie verliest vele tienduizenden banen door de China-schok. ‘Deze Chinese pomp kost de helft van een Duitse’

Chinese concurrentie In industrieland Duitsland groeit het onbehagen over de moordende concurrentie uit China. De roep om invoerheffingen zwelt aan. Ook machinebouwer Aura in Rijnland-Palts voelt de druk van de Chinezen. Is er toekomst voor Made in Germany?

De fabriekshal van familiebedrijf Aura in Rijnland-Palts, waar warmte-installaties worden geassembleerd.

Gehamer, geboor, snerpende lasgeluiden: in de fabriekshal van machinebouwer Aura in het Zuid-Duitse stadje Germersheim hoor je de Duitse exportindustrie aan het werk. Aan het plafond hangt een Duitse vlag. De warmte-installaties die hier worden vervaardigd, zijn Made in Germany en ze gaan de hele wereld over. „Er zijn weinig landen waar wij nog geen installatie hebben verkocht”, zegt directeur Patric Burkhart, terwijl hij de machines laat zien. Sommige zijn reusachtige cilinders waar verwarmingsbuizen in zijn gekruld. Andere zijn stelsels van buizen, reservoirs en pompen. Elk exemplaar is op maat gemaakt, voor bedrijven die er, bijvoorbeeld, bakovens, persmachines of chemische processen mee verwarmen, met temperaturen tot 450 graden.

China is de belangrijkste markt voor het familiebedrijf in het stadje Germersheim, in de deelstaat Rijnland-Palts; het Aziatische land is goed voor 60 procent van de omzet van Aura. Monteurs in blauwe overalls sleutelen aan een installatie die in China een papierdrukmachine moet gaan verwarmen. Er is een bordje met gebruiksinstructies in het Chinees op geschroefd.

Over deze serie China-schok 2.0

China is niet meer alleen ’s werelds leverancier van goedkope spullen, maar exporteert nu ook massaal hoogwaardige technologie: auto’s, machines, batterijen, chemie. NRC onderzoekt hoe het Chinese exportmodel werkt – en de gevolgen ervan voor Europa. Heeft de Europese industrie nog een toekomst?

Maar China is niet louter een afzetmarkt voor dit middelgrote bedrijf met 113 medewerkers (gemiddelde jaaromzet: 20 tot 28 miljoen euro). Het land is razendsnel een geduchte concurrent geworden. Chinese producenten hebben een „inhaalslag” gemaakt met de kwaliteit van hun warmte-installaties. En die zijn tot wel de helft goedkoper. „Bij speciale installaties voor de chemische industrie, met zeer hoge technische eisen, hadden we tot voor kort bijvoorbeeld geen Chinese concurrentie. Nu wel”, zegt Burkhart.

Sommige klanten zweren nog bij het vertrouwde Made in Germany, zegt Burkhart. Maar de klant wordt wel „prijsgevoeliger”. Het voordeliger Chinese alternatief lonkt.

Aura probeert concurrerend te blijven door onderdelen goedkoper in te kopen – uit China. „Kijk”, zegt Burkhart, wijzend op een uit China geïmporteerde pomp in een installatie die naar een petrochemisch bedrijf in Saoedi-Arabië gaat. „Deze kost de helft van wat een Duitse pomp zou kosten en heeft dezelfde kwaliteit.” Duitse pompleveranciers moet hij teleurstellen, geeft hij toe. Maar hij móét nu eenmaal concurreren met China. „Dat wordt steeds, steeds moeilijker.”

Exportmacht

Wat Aura meemaakt, is wat economen de ‘China-schok 2.0’ noemen. Van kleine machinebouwers tot autoreuzen als Volkswagen – overal in de Duitse industrie zijn nu de effecten voelbaar van China’s razendsnelle opmars als technologisch geavanceerde exportmacht.

Bij de eerste China-schok, in de jaren 2000, overspoelde China de wereldmarkt met producten die makkelijker te maken zijn: speelgoed, textiel en meubels. Vooral de industrie in de Verenigde Staten werd destijds getroffen. Het kostte de VS 2,4 miljoen banen, berekenden Amerikaanse economen, met name in zuidelijke staten.

De tweede China-schok betreft hoogwaardiger sectoren als auto’s, chemie en machinebouw – precies de branches waarmee industrienatie Duitsland traditioneel zijn geld verdient. De grootste economie van Europa vormt het epicentrum van de tweede China-schok. Het Duitse zelfbeeld als Weltexportmeister (wereldkampioen export) van ongeëvenaarde kwaliteitsproducten wankelt.

Bij de Duitse industrie denk je gauw aan multinationals als Siemens of BASF, maar minstens zo belangrijk zijn de kleine en middelgrote toeleveranciers van de grote industrie, die veelal zelf exporteren op de wereldmarkt. Het wordt in Duitsland de Mittelstand genoemd, economen spreken van hidden champions.

Onder werkgeversorganisaties, vakbonden en politici in Duitsland – en ook elders in Europa – klinkt de klacht steeds luider dat China oneerlijk concurreert. Het geeft grootschalige staatssubsidies aan zijn eigen industrie, die volgens onder meer industrielandenclub OESO veel omvangrijker zijn dan de staatssteun in Europa. Ook de door Beijing kunstmatig laag gehouden wisselkoers van de Chinese munt, de renminbi, is Duitse critici een doorn in het oog. Bij een zwakke renminbi heb je weinig euro’s nodig om Chinese producten te kopen – en dus zijn die dan voor de Europese klant goedkoper.

In de fabriekshal van Aura bevestigt een stagiair een buis aan een machine; een werknemer is bezig bij een werkbank

Volgende maand doet de Europese Commissie naar verwachting voorstellen om de EU-markt te beschermen tegen China, mogelijk met invoerheffingen. Opvallend: Duitsland zou zo’n harde Brusselse lijn jegens China zomaar kunnen gaan steunen.

Kort geleden was dat ondenkbaar. China gold voor de Duitsers niet als economische bedreiging, maar als uiterst lucratieve exportmarkt. Bedrijven als Volkswagen en Siemens hebben er de voorbije decennia vele miljarden verdiend. En dus wilden Duitse bedrijven en politici vooral geen handelsconflicten riskeren met het op papier communistische land. In 2024 probeerde Duitsland nog vergeefs EU-heffingen op Chinese elektrische auto’s tegen te houden, uit angst voor Chinese represailles die de Duitse export konden treffen.

In één à twee jaar tijd is die houding tegenover China omgeslagen. Duitse ondernemersorganisaties, zoals industrieclub BDI en machinebouwersvereniging VDMA, pleiten nu voor invoerheffingen op Chinese producten. Vakbonden zijn voorstander van heffingen op Chinese hybride auto’s. Bondskanselier Friedrich Merz heeft de afgelopen maanden herhaaldelijk de „marktverstorende praktijken” van China bekritiseerd, met name de onderwaardering van de renminbi. Coalitiepartijen CDU/CSU en SPD bepleitten eind augustus na fractieoverleg „robuuste bescherming” tegen „oneerlijke concurrentie”.

Achter die omslag in de Duitse discussie zit vooral het massale banenverlies in de industrie. Tussen 2019 en 2025 verdwenen 520.000 van de 7,7 miljoen industriële banen in Duitsland. Berichten over ontslagen zijn aan de orde van de dag, niet in de laatste plaats in de auto-industrie. Volkswagen wil de komende jaren 100.000 banen schrappen, waarvan ongeveer de helft in Duitsland. In de autobranche waren medio dit jaar in Duitsland 691.000 mensen werkzaam – 42.000 minder dan vorig jaar.

De vraag is wel: is ‘China’ de hoofdoorzaak van deze malaise? Het Duitse bedrijfsleven klaagt al jaren over ándere factoren die remmend werken – hoge energieprijzen en knellende bureaucratie voorop. Economen wijzen bovendien op een structureel gebrek aan investeringen in het land, en op achterblijvende innovatie. Duitse exporteurs kregen bovendien een klap van de invoerheffingen van Donald Trump.

Maar inmiddels groeit in Duitsland de overtuiging dat Chinese concurrentie wel degelijk een belangrijke, zo niet de belangrijkste oorzaak is van de neergang van de nationale industrie. Econoom Jürgen Matthes rekende het China-effect door. Hij is werkzaam bij het Institut der deutschen Wirtschaft (IW), een onderzoeksinstituut gefinancierd door Duitse werkgevers. Matthes’ conclusie: door concurrentie uit China – die hij „grotendeels oneerlijk” noemt – is de Duitse industrie in de jaren 2019-2025 zo’n vierhonderdduizend banen kwijtgeraakt. Dat is bijna 80 procent van het totale banenverlies.

Matthes zegt aan de telefoon dat het hier gaat om een „ruwe inschatting”. Hij bekeek onder meer data over het verlies van Duits aandeel in de export naar China. Matthes noemt het „aannemelijk” dat China verantwoordelijk is „voor het grootste deel van de Duitse de-industrialisatie”.

Roest

‘De-industrialisatie’ – Matthes is niet de enige die dat sombere woord gebruikt. Het roept het beeld op van verlaten, roestende industrielandschappen, zoals in de Amerikaanse Rust Belt. Gaat het die kant op met Duitsland? Matthes: „Gelukkig zijn we nog niet zover, maar we bewegen er wel met aanzienlijke snelheid naartoe”, waarschuwt hij.

In de machinebouw ziet VDMA het hard gaan. „China geeft vol gas met zijn export en brengt nu de Europese industrie in gevaar”, zegt Oliver Richtberg, hoofd buitenlandse handel van de branchevereniging, in een videogesprek. In een enquête onder leden hoorde VDMA dat Chinese concurrenten hun machines gemiddeld 43 procent goedkoper op de EU-markt brengen dan Europese bedrijven.

Nog wat cijfers: de export van Duitse machinebouwers naar China daalde vorig jaar met 8 procent op jaarbasis. In de eerste helft van dit jaar kwam daar een min van 13,8 procent op jaarbasis bovenop. De Duitse import van machines úít China schoot juist de hoogte in, met 16 procent vorig jaar en dit jaar met nog eens 8 procent. Nog dit jaar, zo verwacht Richtberg, zal Duitsland voor het eerst netto-importeur worden van machines uit China.

„De tweede China-schok vreet de kern van het Duitse industriële model aan”, zegt Nils Redeker, econoom aan onderzoeksinstituut Jacques Delors Centre in Berlijn. Duitse bedrijven worden weggedrukt uit de eigen markt, uit de Chinese markt en uit de wereldmarkt. Een les uit de eerste China-schok in de VS, zegt hij, is dat „een snelle en geconcentreerde neergang van industrietakken” ook politieke consequenties kan hebben. Donald Trump won verkiezingen deels met de belofte industriebanen terug te brengen. En nu, in Duitsland? „De AfD speelt in op het gevoel van economische neergang.”

Een andere econoom, Sebastian Dullien, zegt dat het banenverlies in de industrie in Duitsland nu nog goeddeels wordt opgevangen door de groei van de dienstensector, waaronder de IT en de zorg. Toch beschrijft Dullien, werkzaam bij onderzoeksinstituut IMK, dat is gelieerd aan de Duitse vakbonden, de „uitholling” van de maakindustrie als „gevaar”. Dit betekent niet alleen verlies aan kennis en innovatiekracht, en dus van toekomstige banen, zegt de econoom: het vergroot ook Europa’s afhankelijkheid van China en de VS.

Chinese fabriek

In Germersheim heeft de firma Aura vooralsnog geen banen geschrapt. Maar om goedkoper aan Chinese klanten te kunnen leveren, laat het sinds enkele jaren ook warmte-installaties bouwen door een partnerbedrijf ín China. Aura heeft een klein kantoor in Beijing, dat voortdurend toezicht houdt op de kwaliteit in de Chinese fabriek. Directeur Burkhart zelf gaat er af en toe heen om mee te kijken. Tussen de 10 en 20 procent van de productie van Aura vindt in China plaats. Nog maar drie jaar geleden was dat 0 procent.

Met de productie in China speelt Aura ook in op een andere „uitdaging”, zegt Burkhart: China trekt eigen bedrijven op de thuismarkt voor. „Vooral de laatste een à twee jaar merken we dat Chinese autoriteiten bij projecten de eis stellen dat een bepaald percentage in China wordt ingekocht. Ons antwoord is: oké, dan laten wij onze installaties ook in China bouwen.” De klacht dat China zijn markt in toenemende mate afschermt voor buitenlandse concurrentie, klinkt vaker in Duitsland, en ook elders in Europa.

Aura heeft nog niet de stap gezet die veel Duitse bedrijven al wel hebben gemaakt: in China produceren voor de Europese en wereldmarkt. Burkhart: „We horen al wel klanten zeggen: kunnen jullie die hele installatie niet in China bouwen en naar ons in Mexico sturen? De druk begint langzaam te komen.” Hij hoopt dat „we ook in de toekomst in Duitsland kunnen blijven, dat we hier blijven produceren. We voelen ons dat aan de werknemers hier verplicht”.

Is Burkhart ook voorstander van invoerheffingen tegen China? Nee, zegt hij, in zijn kantoortje naast de fabriekshal. Bij een tarievenoorlog met China heeft Aura „veel te verliezen”, omdat China zo’n belangrijke markt is. Praten over invoerheffingen vindt hij „gevaarlijk”, omdat dat „afleidt” van wat Duitsland zelf moet doen om zijn concurrentiepositie te versterken. Bijvoorbeeld door de Lohnnebenkosten, de in Duitsland relatief hoge sociale lasten voor werkgevers, te verlagen.

Burkhart: „We kunnen niet zeggen: we bouwen nu een muur om ons heen en dan wordt vanzelf alles beter. Als Duitsland moeten we accepteren dat we niet meer dezelfde mondiale concurrentiepositie hebben als tien jaar geleden. We zijn geen Weltexportmeister meer, maar kunnen wel een goede tweede, derde of vierde zijn. We moeten er het beste van maken.”

Serie China-schok 2.0

Een Aura-techneut werkt aan een van de warmte-installaties.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Duitsland

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next