Nieuwe muziek Miley Cyrus belooft op ‘Bass Persuades’ de dansvloer. Verder is noise-metalband Chat Pile weer onheilspellend en woest aantrekkelijk en weten pianisten Ekaterina Zhemaitis en Polina Kulikova hoe ze een spanningsboog moeten bouwen.
„Let’s go.” Met die woorden trekt Miley de luisteraar op de titeltrack van Bass Persuades meteen diep de nacht in. Op haar tiende album, het eerste zonder haar achternaam Cyrus, belooft de Amerikaanse zangeres vol voor de dansvloer te kiezen. Ze verlangt naar de tijd van MTV, voor drugs werd versneden met fentanyl en we ons nog volledig door de muziek lieten meeslepen. „The kids don’t want to dance”, klinkt het telkens opnieuw. Miley is vastbesloten daar verandering in te brengen.
Bass Persuades
Het is een overtuigend begin, alleen weet ze daarna niet goed welke kant ze op wil. Op ‘Different Religion’, met de New Yorkse postpunkband Model/Actriz, schuren industriële gitaren nog tegen elektronica. Maar dan volgt ineens het dromerige liefdeslied ‘Let’s Get Married’. Op het kwetsbare ‘Orbit’ verdwijnt de dansvloer al helemaal uit beeld. Het is prachtig, misschien wel het mooiste nummer van de plaat. Maar waar is de clubmuziek gebleven waarmee het album zo sterk mee begon?
Dat wisselen tussen verschillende stijlen zou spannend kunnen zijn. Het werkt alleen niet altijd. Op ‘Aftermath’ vragen twee nummers tegelijk om aandacht. De beat wil vooruit, het lied wil juist stilstaan. Op ‘Innocent Ways’ valt alles weer op zijn plek. Dit is een popsong waarbij je moeite moet doen om stil te blijven. Maar dan wordt er met ‘Snow’ alweer hard op de rem getrapt. Het nummer zelf zou een uitstekend einde zijn geweest. Jammer genoeg volgt daarna nog ‘Bass Persuades Remixx’. Een remix die ons alsnog aan het dansen probeert te krijgen, maar net als de tweede x in de titel nauwelijks iets toevoegt.
Miley zingt over een wereld waarin het oude plaatsmaakt voor het nieuwe. Zelf lijkt ze muzikaal nog tussen die twee in te staan. Het ene moment trekt ze richting elektronisch geluid, het volgende grijpt ze terug naar de ballads en grote popliedjes. Ze begint de plaat met „Let’s go”. Na veertig minuten blijft vooral de vraag hangen: waarheen precies?
Robyn van Gorsel
Who Loves The Sun
Waarom? Waarom? Waarom?
In ‘Why’, het beste nummer van het verpletterende debuut God’s Country (2022) van de Amerikaanse noise-(sludge)metalband Chat Pile stelt zanger-kreuner-bruller Raygun Busch telkens weer die ene ongemakkelijk vraag, met de goudeerlijke naïviteit van een kind dat voor het eerst daklozen heeft gezien. „Why do people have to live outside when there are buildings all around us with heat on and no one inside?” Hij móét het weten. „Why do people have to live outside, in tents, under bridges, living with nothing and horribly suffering… Why?”
Geef daar maar eens antwoord op.
Vier jaar later is Chat Pile uitgegroeid van belofte tot gevestigde naam, maar de daklozen (en andere deplorables) zijn gebleven. Op de hoes van het derde album Who Loves The Sun verrijst niet alleen een glanzende wolkenkrabber maar staat ook een tentje in het gras, naast een verkrot pand. Busch blaft, schreeuwt en jammert over vertwijfeling, armoede, uitbuiting, (zelf)destructie en andere onuitroeibare oneerlijkheden.
In het ongenadig harde (en autobiografische) ‘PEN I S MALL’ krijst hij over een doordeweekse werkdag met parkeergarages asfalteren én hoest halverwege uitgeput zijn longen binnenstebuiten. Soms klinkt hij kwetsbaar op zoek naar troost, dan weer gilt hij alsof hij op het punt staat om zijn verstand te verliezen of dat net heeft gedaan. Is het een gek of genie, profeet of proleet? Die spanning, ongemak en radeloosheid hoor je ook terug in de stoomwalsriffs, het atonaal gitaargeknars en kil industrieel gedreun. Precies die combinatie maakt Chat Pile zo onheilspellend en woest aantrekkelijk.
Het moet gezegd: Busch gaat steeds meer zingen en weet zowaar pakkende melodieën uit zijn strot te persen. Ook de rest van de band durft vaker gas terug te nemen. ‘October All The Time’ begint zelfs als akoestisch meezingliedje, al verraadt de herfstmaand uit de titel dat het opbeurende rijmpje „Everything will be fine, the sun will continue to shine” natuurlijk is gelogen.
Wederom is het tweede nummer het best. ‘Deep Blue’ is een vlammende aanklacht tegen doomscrollende schermverslaafden en klimaathorror negerende handelingsonbekwamen waarin dreigend gebulder, snerpende noise en geruststellend getokkel elkaar afwisselen. Uitgerekend als de decibellen wegsterven, deelt Busch zachtjes hummend zijn definitieve mokerslag uit: „Break my face and call me your friend.”
Frank Provoost
In Search of Lost Time
Plots schiet je even kaarsrecht overeind bij het luisteren naar de eerste opname van de Romantische Duetten (2007) van de vorig jaar overleden Rodion Shchedrin. Klonk daar te midden van de snelle en grillige loopjes van beide vleugels Schumanns Kinderszenen, als een stem uit een ver heelal die inbreekt in een radio-uitzending? De componist gooit een steen van de geschiedenis in de vijver van zijn muzikale inspiratie.
Dat we allemaal kinderen van het verleden zijn, is de rode draad van het debuutalbum In Search of Lost Time van pianisten Ekaterina Zhemaitis en Polina Kulikova. Ze buigen zich over de onloochenbare rol van de traditie in drie stukken die barsten van het karakter – niet in het minst door de overtuigende manier waarop Zhemaitis en Kulikova de noten ten gehore brengen. Zowel Shchedrin, Stravinsky als Tanejev keken naar grote voorgangers.
Het is mooi dat er nu een opname is van Shchedrins Romantische Duetten. Het bijvoeglijk naamwoord verwijst naar het tijdsgewricht, niet naar het vaak sentimentele levensgevoel dat tegenwoordig aan romantiek kleeft.
Want zwijmelen is er bij Shchedrin niet bij: hij laat de pianisten over de verloren tijd het heden in struikelen door soms een flard Schumann en Schubert te gebruiken als hindernis in het jachtige leven van nu. Het roept bij mij af en toe die ene zin op uit Herman van Veens lied ‘Opzij‘: „We moeten rennen springen vliegen duiken vallen opstaan en weer doorgaan.” Alleen dan in een meer existentiële variant.
Beiden werpen zich ook vol overgave op Stravinsky’s Concert voor twee piano’s, waarin de componist flirt met vormen uit het klassieke Wenen. En ten slotte belanden we dan in het ‘rustiger’ vaarwater van de ‘Prelude’ en ‘Fuga‘ van Taneyev. Beide pianisten weten hoe ze een spanningsboog moeten bouwen rond de altijd rusteloze zoektocht naar verloren tijd.
Joost Galema
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie