Verdwenen broer Wat is er gebeurd met haar oom Herman, die in de Tweede Wereldoorlog gestorven is? Rosan Hollak schreef een boek over het onverwerkte verdriet van haar moeder en ontdekte wat het betekent om een jongen, die uit de geschiedenis werd gewist, weer een gezicht te geven.
Ik fiets langs een uitbundig bloeiende keizersboom, de paarse bloemen reiken hoog de lucht in. Overal fluiten de vogels, eekhoorntjes glippen over het gras. Het is aangenaam, een tocht door een mooi park op een zomerse dag in mei 2025, het doet me bijna vergeten dat ik op een kerkhof ben. Na enig zoeken sta ik voor de ingang van het Nederlands Ereveld Düsseldorf.
Ik stal mijn fiets en wandel langs de eindeloze rijen grafstenen die rondom het monument zijn opgesteld. Iedere steen heeft dezelfde opmaak: een Nederlandse leeuw en de woorden ‘Koninkrijk der Nederlanden’ gebeiteld met daaronder de naam, geboorte- en sterfdatum van het slachtoffer. Hier en daar ligt een bloem bij een graf, of hangt een lintje aan de zerk.
Ik speur de namen af: Dobbelaar, Zeilemaker, Veldmeijer, Broekhoven, Holst, Van Oostrom, Kappelhof, Vroegindewei, Meijer, Van de Ven, Fernhout, Simonis… Soms is er een graf van een ‘onbekende Nederlander’. Een groot deel van de slachtoffers is opvallend jong. Ik som de leeftijden op: zestien, negentien, eenentwintig, vijfentwintig… De meesten zijn gestorven in de laatste twee jaar van de Tweede Wereldoorlog. Op het rechterveld, in een deel waar 169 graven bijeen zijn gebracht, vind ik ten slotte waar ik naar op zoek was.
Het graf van Herman Nuse op het Nederlands Ereveld Düsseldorf.
H.G. Nuse 30-12-1921, 29-4-1942
Ik kniel ervoor, met een potje begonia’s dat ik net bij de bloemenwinkel heb aangeschaft. Hier ligt het lichaam van Herman Nuse, mijn oom, verborgen onder lagen goudaardbei. Ik plaats de begonia’s erbovenop, ga in het gras zitten en begin, tot mijn eigen verbazing, hardop tegen hem te praten.
Ik zeg Herman dat hij niet vergeten is, dat er altijd wel aan hem is gedacht, maar dat dit veelal door zwijgen werd omhuld omdat dit makkelijker is dan praten. Dat het niet aan hem ligt dat de familie hem nooit op deze plek is komen opzoeken maar dat ik het wel heb aangevoeld; het verdriet dat mijn moeder met zich meedroeg maar waarvan ze de essentie misschien niet kon grijpen omdat niemand in haar gezin de feiten wist, niemand ernaar op zoek ging, niemand erover kon spreken.
Waarom rouw ik om een voorouder die ik nooit hebt gekend? Waarom raakt het me om voor een graf te zitten van iemand die tot dan toe alleen deel uitmaakte van een verhaal? Een verhaal dat mijn moeder, vooral aan het einde van haar leven, keer op keer vertelde.
Evelyn Roll, de Duitse journalist en schrijver die haar eigen familiegeschiedenis onderzocht, schreef in haar boek Pericallosa (2024) dat familieverhalen in onze lichamen worden gegraveerd. „Zelfs als ze voor ons geheimgehouden zijn. Geweld, mishandeling, oorlog, vlucht, verdrijving, moorddadige schuld, epidemieën en foltering, ingrepen onder algehele narcose, of ook zonder, alles heeft epigenetische sporen achtergelaten in de lichamen van onze voorouders, in hun hersenen, sporen die in onze lichamen en hersenen zijn terug te vinden.”
Herman Nuse.
Ook de New Yorkse psychoanalyticus Galit Atlas benadrukt in haar boek Emotionele erfenis (2024) hoe traumatische ervaringen de psyche van de volgende generatie kunnen binnendringen en op mysterieuze en onverwachte manieren opduiken. „De mensen van wie we houden en die ons hebben grootgebracht leven in ons; we ervaren emotionele pijn, we dromen hun herinneringen, we weten datgene wat ons niet expliciet is verteld, en dat alles geeft vorm aan ons leven op manieren die we niet altijd begrijpen.” Ze stelt dat de loyaliteit aan de mensen met wie we zijn verbonden ervoor zorgt dat een deel van ons bij hen blijft, zelfs als we vertrekken. „Onze ouders leven zonder onze toestemming in ons voort. Onze relaties met hen zijn onze eerste relaties, en onze toekomstige relaties bestaan alleen in dialoog met hen.”
Terwijl ik daar zat, alleen op dat grote veld met 1.230 doden, voor het graf van een jongen die op 21-jarige leeftijd uit het leven was gewist, begreep ik de woorden van Roll en Atlas. Er is een reden waarom mensen de doden blijven eren. Het heeft zin om niet te vergeten, om zorg te dragen voor het verleden. Niet alleen als individu, ook als collectief. Aandacht schenken aan de onbekende ander die is verpieterd, weggekwijnd, mishandeld, in eenzaamheid heeft geleden, is een gebaar van medemenselijkheid. Hier zitten bij het graf van Herman gaf me het gevoel dat ik iets rechtzette. Hij had wel degelijk bestaan. En hij mocht niet worden vergeten.
Wat was er met Herman gebeurd? Gedurende tien jaar interviewde ik Door Hollak-Nuse, mijn moeder die in februari 2023 overleed, over haar leven. Vaak als ik bij haar op bezoek ging om koffie te drinken of een hapje te eten ontstonden de gesprekken spontaan, dan zette ik de dictafoon op mijn smartphone aan en vertelde ze.
Wanneer ik haar vroeg naar gebeurtenissen uit haar verleden was er een verhaal dat ze telkens opnieuw vertelde, met dezelfde elementen en fragmenten, en, altijd met hetzelfde verdriet, alsof alles nog maar net had plaatsgevonden. Dat verdriet ging over een harmonieus gezin in Harderwijk dat kort voor de oorlog, door een noodlottig ongeval, uiteen begon te vallen en dat tijdens de oorlog met een nog groter verdriet werd geconfronteerd. Mijn moeder sprak vaak over deze periode met een intensiteit alsof het de eerste keer was. Alsof ze niet in de gaten had dat ze het al eerder had verteld.
Mijn moeder, het zesde kind uit een gezin van acht, was negen toen haar broer Herman op 13 januari 1941 met twee vrienden, Henk en Klaas, op straat door een Duitse soldaat werd aangehouden. De jongens zouden brutaal zijn geweest en een van hen had een mes bij zich, reden voor de soldaat om de jongens in te rekenen.
Alle kinderen van de familie Nuse. Vlnr: de tweeling Herman en Henk Nuse. Als zesde in de rij: Doortje Nuse.
De jongens werden afgevoerd naar het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in Arnhem en vervolgens in die stad in de gevangenis opgesloten. Henk werd na een paar maanden weer vrijgelaten, Herman en Klaas kregen, tijdens een Kriegsgericht in augustus van dat jaar, respectievelijk twee en drie jaar ‘tuchthuis’. Na een kort verblijf in het Oranjehotel in Scheveningen werden ze in december naar Duitsland afgevoerd waar ze in de gevangenis in Siegburg terechtkwamen.
Klaas overleefde de oorlog. Maar de familie Nuse ontving in mei 1942 een telegram met de tekst: „Hermanus Nuse heute gestorben”. Sterfdatum: 29 april 1942.
Rosan Hollak: Verdwenen Broer. Het onverwerkte verdriet van mijn moeder. Alfabet, 232 blz. €23,99
Wat was er in Duitsland met hem gebeurd? Niemand in de familie die het wist. Als ik ernaar vroeg, kon mijn moeder zich slechts een paar dingen herinneren. Dat mijn grootouders hun zoon, tijdens die eerste maanden in de gevangenis in Arnhem, af en toe een bezoekje mochten brengen. Op de tandem reden ze van Harderwijk naar de provinciehoofdstad, een tocht van minstens drie uur, waarna ze hun zoon, met bewaking erbij, een uurtje mochten spreken. Ook wist ze dat mijn grootvader na de oorlog ergens in de jaren vijftig „een aanbod” had gekregen om het graf van zijn zoon te bezoeken, maar dat hij dat had afgeslagen. Wie hem dat voorstel had gedaan, of wanneer, wist ze niet. Dat hij had geweigerd begreep ze wel. „Hij kon het niet aan”, was haar verklaring.
Mijn grootvader, Antonius Nuse, een architect uit Harderwijk, was uit de verhalen van mijn moeder naar voren gekomen als een zwijgzame man die emotioneel afwezig was. Dat was niet alleen een kwestie van karakter; al voor de oorlog had hij een klap moeten verwerken. Henk, de tweelingbroer van Herman, was op vijftienjarige leeftijd verdronken in de haven van Harderwijk. Kort na de oorlog overleed ook Theodora Frehé, mijn grootmoeder, en verloor mijn grootvader nog een zoon.
Door deze gebeurtenissen had mijn moeder het tijdens en na de oorlog zwaar te verduren. Omdat mijn grootmoeder haar dochter Doortje als een verantwoordelijk kind beschouwde, voelde mijn moeder zich na haar dood geroepen te blijven zorgen voor de rest van het gezin. In een huis vol verzwegen verdriet deed ze het huishouden tot haar zesentwintigste waarna ze, toen mijn grootvader opnieuw getrouwd was, het huis werd uitgezet en het zelf moest zien te rooien.
Het verdriet waarmee mijn moeder de rest van haar leven rondliep werd gevormd gedurende die periode. Niet alleen had ze het gevoel dat ze, opgroeiend als puber in de oorlog en daarna in dienst staand van het gezin, „niemand was” en „niet werd gezien”, ook sprak ze met veel inlevingsvermogen over het leed dat haar ouders moesten dragen en hoe zwaar het voor haar moeder, van wie ze veel hield, moest zijn geweest om de tweeling te verliezen. Maar wat er met Herman was gebeurd? Waar hij lag begraven? Ze wist het niet.
Ik ben opgegroeid in een tijd waarin het niet vreemd is het eigen handelen te overdenken. Wat heeft mij gevormd? Waar komt mijn gedrag vandaan? Mijn generatie is het gewend te praten over gevoelens. Ik wees mijn moeder er dan ook geregeld op dat haar generatie dat maar weinig had gedaan. Ze begreep niet goed wat ik daarmee bedoelde, gebeurtenissen uit het verleden droeg je nu eenmaal met je mee en deelde je niet met anderen. Ze had dan ook geen idee wat het betekent om je vrij te kunnen uiten, om een eigen mening te hebben zonder telkens rekening te houden met wat de ander vindt.
Door Hollak-Nuse, omstreeks 1957.
Zozeer had ze geen contact met dat deel in zichzelf, dat ze ervan uitging dat enige vorm van zelfreflectie ook niet de moeite waard was. Schouders eronder en doorgaan, dat is wat zij kende. Ze zei ook geregeld dat ze de verhalen van vroeger eigenlijk niet kon delen. Iets wat mij dan weer verbaasde omdat ze het er juist, zeker in de laatste jaren van haar leven, toch vaak over had. Mijn moeder kon op zulke momenten volledig in het eigen lijden duiken, iets wat mij soms tot lichte wanhoop dreef. Waarom moest ik dit steeds weer horen? Ik was toch niet de therapeut? Het had me als kind geregeld dwarsgezeten, ik wilde niet dat mijn moeder kwetsbaar was of verdriet had.
Toen ik, een aantal jaren voor haar dood, deze dynamiek tussen ons benoemde en uitlegde dat ik graag een boek over haar verleden en het zwijgen van haar generatie wilde schrijven, verraste ze me. Ze vond het een goed idee, zelfs als dit zou betekenen dat ik persoonlijke dingen uit haar leven op papier zou zetten. Ik vroeg waarom ze ermee instemde. Haar antwoord was simpel: „Omdat ik ermee zit.” Beiden hadden we het gevoel dat we, door open over het verdriet te praten, misschien wel de wortels van het zwijgen konden doorsnijden. En dat haar verhaal misschien stond voor iets groters. Wat als de pijn uit het verleden eindelijk een plek krijgt? Doorbreek je daarmee iets voor de volgende generatie?
Waarom werd Herman veroordeeld? Hoe was hij aan zijn einde gekomen? De afgelopen jaren dook ik in de archieven van het NIOD, het Nationaal Archief en het Landesarchiv Nordrhein-Westfalen en voerde de reis me langs Harderwijk, het Oranjehotel in Scheveningen, de gevangenis in Siegburg, het Nordfriedhof en het ereveld in Düsseldorf waar Herman in 1955 werd herbegraven en waarvoor mijn grootvader destijds een uitnodiging moet hebben gekregen. Naarmate mijn reis vorderde, ontvouwde zich langzamerhand een verhaal over een negentienjarige jongen die een leven wilde opbouwen, die dromen had, maar die, net als velen anderen in die tijd, vanwege een onbenulligheid werd opgepakt om vervolgens te worden vermorzeld door een totalitair systeem en zo werd uitgevlakt door de krachten van de geschiedenis.
Waarom ik me in dit verhaal heb vastgebeten, heeft niet alleen te maken met het verdriet van mijn moeder. Het heeft ook met mijzelf te maken. Als kind voelde ik me vaak niet vrij om me te uiten omdat ik aanvoelde dat een van mijn ouders te kwetsbaar was. Het hielp ook niet dat de andere ouder daar geen oplossing voor had, of het verdriet van die ander zelfs negeerde. Het maakte dat ik van jongs af naar buiten gericht was, me verantwoordelijk ging voelen voor dat verdriet, naar manieren zocht om het op te lossen, het zelfs te laten verdwijnen. Zoals mijn moeder het verdriet van mijn grootmoeder meedroeg en zo een te grote verantwoordelijkheid op haar schouders nam, zo probeerde ik het verdriet van mijn moeder op te vangen. Door vaak naar haar te luisteren, met het idee dat ik het misschien wel voor haar kon oplossen, en me schuldig voelend dat ik dat niet kon.
Tijdens mijn zoektocht stond ik ook geregeld stil bij de vraag wat het uiteindelijk betekent om in het verleden te duiken. Wat heeft het voor zin om uit te zoeken waar het verdriet vandaan komt en om, wat te pijnlijk was om aan te raken, toch te ontrafelen? Een volledig antwoord heb ik niet, maar met het volgen van de sporen van Herman is er voor mij wel iets veranderd. Wat tijdens mijn leven een abstract verhaal was, een familiegeschiedenis, is concreet geworden. Het maakt nu ook deel uit van mijn geschiedenis. Niet in de zin dat ik, wat Herman is overkomen, me kan toe-eigenen. Het is eerder dat ik een verbintenis met hem ben aangegaan, en via hem weer met mijn moeder, mijn tante en grootmoeder.
De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk stelt in haar essaybundel De tedere verteller (2023) dat in onze psyche een „creatief, kwikzilverachtig bewegelijk deel” bestaat – een element dat ons diepmenselijk vermogen is – dat ons in staat stelt om andere werelden te scheppen en levens van andere mensen te leven. Dat heb ik geprobeerd te doen door Herman een gezicht te geven. Heb ik daarmee iets doorbroken?
Intergenerationeel trauma is een term die de laatste tijd veel opduikt. Het past bij deze tijd, en in dit deel van de wereld, waarin we steeds meer leren onze emoties te uiten en er meer aandacht en ruimte is om het verleden te verwerken of ten minste te duiden of te begrijpen.
Maar de vraag die bij mij steeds opkwam was: waarom zou je het verleden verwerken? Om jezelf beter te begrijpen? Om te kunnen vertellen wie je bent en waar je vandaan komt? Om het leed te claimen dat je familie is aangedaan? Ik denk dat ik deze zoektocht uiteindelijk heb ondernomen vanuit het besef dat een gevoel van onrecht zich jarenlang heeft genesteld in mijn grootouders en mijn moeder, zonder dat ze er uiting aan konden geven of zich ervan konden bevrijden. En dat ik een deel van dit verleden, door het te onderzoeken, heb kunnen plaatsen. Ik heb kunnen rouwen om wat niet gerepareerd kan worden en besef waarom we moeten blijven vechten voor zowel onze persoonlijke als politieke vrijheid. Mijn moeder had gelijk toen ze zei: „Oorlog is alleen maar negatief, er deugt helemaal niets van. En wat is het resultaat? Mensen lopen trauma’s op, ze moeten verlies verwerken. Het is onzinnig. Er is geen ander woord voor.”
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog lagen tienduizenden Nederlandse oorlogsslachtoffers op verschillende plekken in de wereld begraven. Op initiatief van luitenant-kolonel Dr. A. van Anrooy begon de Oorlogsgravenstichting, opgericht op 13 september 1946, deze oorlogsslachtoffers op te sporen om ze een graf te geven. In totaal ging het om 180.000 Nederlanders. Inmiddels is de belangrijkste taak van de stichting om de 50.000 oorlogsgraven, verspreid over vijf continenten, te onderhouden.
Tussen 1952 en 1956 heeft de stichting in Duitsland zeven erevelden aangelegd. Het ereveld in Düsseldorf telt 1.230 graven en is de centrale begraaf- en gedenkplaats voor de Nederlanders die omkwamen in de deelstaat Nordrhein-Westfalen. Tussen 1940 en 1945 werden honderdduizenden Nederlandse jongens en mannen tewerkgesteld in Duitsland. Zij vulden de plekken op van Duitse arbeiders die het leger in moesten. Bijna 30.000 dwangarbeiders overleden. Op het ereveld in Düsseldorf liggen Nederlanders die zijn omgekomen in concentratiekampen, tijdens de Arbeidseinsatz of die door andere oorzaken de dood hebben gevonden.
Op 24 september wordt voor het eerst sinds lange tijd een uitbreiding van een Nederlandse oorlogsbegraafplaats ingewijd. Op Nationaal Ereveld Loenen komt ruimte voor herbegravingen van slachtoffers uit eerdere oorlogen en, indien nodig, toekomstige slachtoffers. Tijdens de inwijding, die voor iedereen toegankelijk is, zullen twee oorlogsslachtoffers worden herbegraven.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie