Hongarije na Orbán In Hongarije heerst niet alléén maar euforie over de nederlaag eerder dit jaar van de autocraat Viktor Orbán, merkt Mandula van den Berg als ze voor het eerst weer in Boedapest komt na zijn val. Zelfs niet onder zijn tegenstanders.
Het Hongaarse parlement in Boedapest, gelegen aan de Donau.
De zon staat al laag als de trein de Hongaarse grens oversteekt. Naast het spoor groeien vlierstruiken en het asfalt van grensstation Hegyeshalom is gebarsten. Ik ben hier al talloze malen langsgereden. Mijn moeder is Hongaars en ik kom al mijn hele leven in Hongarije. Maar dit keer betrap ik mezelf erop dat ik speurend rondkijk, op zoek naar een teken van verandering.
Het is de eerste keer dat ik terug ben in Hongarije sinds premier Viktor Orbán in april werd verslagen, na zestien jaar aan de macht geweest te zijn. Sinds ik politiek bewust ben, is Orbán er altijd geweest, steeds autoritairder en ogenschijnlijk onverslaanbaar. Het hoorde bij Hongarije: de constante stroom berichten over hoe de rechtsspraak en de media steeds meer in handen kwamen van de regering, hoe de zorg steeds slechter werd, de oligarchen steeds rijker.
Nu is Orbán weg en het voelt alsof dat op de een of andere manier zichtbaar moet zijn, ook bij dit afbrokkelende grensstationnetje. Maar er lijkt niets veranderd aan de betonnen bloembakken en ouderwetse klapperborden.
Ik kijk naar het boek op mijn schoot: De melancholieke revolutie van de Vlaamse schrijfster Lieve Joris, over haar reizen naar Hongarije in 1989 en 1990. Een verslag van de val van het communisme.
Ik heb het boek jaren geleden al eens gelezen en ik herinner me hoe Joris de gretige opwinding van de nieuwe politici beschrijft, de verbijsterde energie van een land dat probeert te ontdekken wat het is zonder de almacht van de communistische partij. Nu maakt Hongarije opnieuw een politieke aardverschuiving mee en heb ik het boek opnieuw uit de kast gepakt voor de eerste zomer in Boedapest na Orbán.
Het eerste wat me opvalt aan De melancholieke revolutie is dat ik het helemaal verkeerd heb onthouden. Het Hongarije dat Joris beschrijft barst helemaal niet alleen maar van de positieve energie.
In 1989 gonsde de hele wereld van het nieuws over de hervormingen in het parlement in Boedapest, maar in Joris’ boek begint die hoop op verandering vrijwel onmiddellijk scheuren te vertonen. De meeste politici, journalisten en intellectuelen die Joris spreekt in het „ongezond bonkende hart van de zomerse stad aan de Donau” zijn behoedzaam en terughoudend.
„We moeten terugkeren naar Europa”, klinkt het op een gegeven moment uit de mond van de schrijver Miklós Mészöly. Maar hij heeft er bar weinig vertrouwen in. Net als de progressieve politici met wie Lieve Joris veel tijd doorbrengt. „Dit wordt een christelijk, traditioneel land”, voorspellen ze na de eerste verkiezingen in de lente van 1990, wanneer de rechtse partijen een onverwachte zege binnenslepen, „het zal nog lang duren voordat dit een normaal, leefbaar land wordt”.
Rondom de Donau.
Zo gefixeerd zijn haar Hongaarse vrienden op de fouten, dat Joris hen ervan beschuldigt een cultus op te bouwen „rond de geschonden schoonheid, het tekort, de mislukking”. Schrijvers als Mészöly en Péter Nádas zijn getekend door de decennia ervoor, maar lijken ook bijna te genieten van hun eigen zwaarmoedigheid. Terwijl hun land tevoorschijn komt uit veertig jaar communisme, ligt hun fascinatie onmiddellijk bij alle tekortkomingen en haperingen van die transitie. De verwarrende, lelijke kanten van verandering vertederen hen en trekken hen aan.
Maar anno 2026 is het uncanny om te lezen hoe zo kort na het einde van het communisme al de ingrediënten opdoken die Orbán later groot zouden maken. Het nationalisme, conservatisme en antisemitisme komen allemaal voorbij. Joris reist naar het platteland en beschrijft hoe groot de kloof is tussen de arme dorpen en de progressieve intellectuelen in Boedapest. Ze beschrijft de beruchte radiotoespraak van de populistische István Csurka vol antisemitische hondenfluitjes. En ze ziet hoe demagogisch veel van de nieuwe politici zijn. Zelfs de dan nog jonge, liberale Orbán „heeft een duivelse uitdrukking op het gezicht” als hij een toespraak geeft tijdens een nationale herdenking, vlak voor de verkiezingen van 1990. Overal wapperen Hongaarse vlaggen.
Als ik enkele dagen in Boedapest ben, merk ik dat ook nu veel Hongaren bijna niet durven te geloven dat er echt democratisch herstel aankomt.Er is dagenlang feestgevierd toen Orbán werd verslagen, de blauwe propagandaposters van diens partij Fidesz zijn uit het straatbeeld verdwenen, maar het is nog maar de vraag wat er precies voor in de plaats gekomen is.
Het vertrek van Orbán betekent hoe dan ook een kentering voor het land, dat de afgelopen jaren was uitgegroeid tot een corrupte, illiberale staat, een boegbeeld van radicaal-rechts over de hele wereld. Het feit dat de oppositie onder leiding van Péter Magyar ook nog eens won met een tweederdemeerderheid wordt door analisten wereldwijd gezien als een teken dat de opmars van het autoritarisme niet onstuitbaar is.
„Eerst belden buitenlandse media altijd om te horen hoe erg het hier wel niet was, nu bellen ze om te horen hoe Hongarije erin is geslaagd om radicaal-rechts te verslaan”, grijnst een bevriende journalist op een avond. We zitten buiten op een klein pleintje in het stadsdeel Boeda. Mátyás Endrey (29) werkt bij het onafhankelijke medium Partizán en heeft net een kritisch betoog afgestoken over de nieuwe premier. De conclusie: „Niemand weet nog steeds echt wat Magyar wil. Maar hij is onaantastbaar, omdat hij het onmogelijke mogelijk heeft gemaakt.”
Een jong stel kust elkaar langs de Donaukade in Boedapest
De Margarethabrug over de Donau.
Ik denk aan Lieve Joris. Een van mijn favoriete scènes uit het boek is als Joris langsgaat bij een jachtopzichter in het noorden van Hongarije. „Als je wild hebt geschoten, moet je er nooit meteen naar toe lopen”, waarschuwt hij, „want een dier in stervensnood kan je in zijn allerlaatste desperate moment nog levensgevaarlijk verwonden. Zo is het met de communisten ook. Ze zullen ons misschien nog een krachtige trap geven. Maar doodgaan zullen ze.”
In het geval van de communisten kwam die trap niet. Gaat het regime van Orbán wel nog een laatste stuiptrekking geven, vraag ik. Maar Endrey schudt zijn hoofd. De oude regeringspartij Fidesz is te verzwakt, denkt hij, „maar dat betekent niet dat er geen nare verrassingen meer tevoorschijn zullen komen”.
Die laatste woorden blijven in mijn hoofd zitten. Het lezen van De melancholieke revolutie scherpt mijn blik en terwijl ik door Boedapest dwaal blijven mijn ogen hangen op de drooggevallen oevers van de Donau.
Het is bloedheet deze zomer en de rivier heeft nog nooit zo laag gestaan. Iedere dag worden er nieuwe stukjes blootgelegd en mensen klimmen nieuwsgierig over de bleke stenen, kijken verwonderd naar de slijmerige afvalresten die jarenlang onder water hebben gelegen en nu drogen in de zon. Er komt een smerige, rottende geur vanaf.
Het is een pijnlijke herinnering aan de jaren waarin Hongarije een dwarsligger was op het gebied van klimaatactie. En terwijl ik naar de stinkende stenen kijk, vraag ik me onwillekeurig af: wat gaat er nog meer boven water komen in Hongarije? Wat zijn de langetermijngevolgen van Orbáns beleid? En dan denk ik niet alleen aan schrijnende begrotingstekorten en nieuw bewijs over corruptiezaken, maar vooral de invloed die zestien jaar Orbán heeft gehad op de bevolking. In 1989 waren er talloze mensen die op zoek gingen naar de waarheid over wat er tijdens het communisme met hun families en gemeenschappen was gebeurd. Wat voor emotionele verwerking is er nu nodig?
Natuurlijk zijn de wonden van zestien jaar Orbán anders dan die van veertig jaar communisme. Na 1989 werd er voor het eerst echt gepraat over de wreedheden van de geheime diensten en de werkkampen uit de jaren 50. Maar performancekunstenaar Dávid Somló ziet dat er ook nu een collectieve verwerking nodig is. Hij merkte zelf in ieder geval hoe hij na de eerste euforie van de verkiezingen achterbleef met een treurig, leeg gevoel. „Het trof me echt,” verzucht hij als ik hem er deze zomer over spreek, „het gewicht van wat ik heb verloren of wat niet heeft kunnen groeien.”
Somló is 39. Hij is beknot en gekortwiekt in het grootste deel van zijn volwassen leven. Voor dat verlies wil hij ruimte maken. Somló: „Het is niet genoeg om feest te vieren als je zo lang bent onderdrukt.”
En hij bleek niet de enige die zocht naar een uitlaatklep voor gevoelens van rouw. Toen Somló op Facebook schreef over zijn ervaring, kreeg hij zoveel reacties, dat hij samen met twee andere kunstenaars besloot om een collectief ritueel te organiseren om stil te staan bij dit moment. Een groot kampvuur in de heuvels van Boeda, een nacht om de transitie te markeren.
Tientallen mensen verzamelden zich in het bos en liepen samen zestien minuten rond het vuur, voor elk jaar dat Orbán aan de macht was. Daarna deelden ze hun angsten en frustraties: de woede over alle leugens in de media, over de leraren die zijn ontslagen omdat ze demonstreerden, over het van de bevolking gestolen geld en de homofobie en de verscheurde families. Iemand vertelde dat hij niet meer naar de Hongaarse vlag kon kijken zonder dat zijn maag zich omdraaide. Somló: „Ik riep uit dat ik zoveel bitterder ben geworden.”
Het lijkt iets kleins, zo’n ritueel, maar de geschiedenis leert volgens Somló hoe belangrijk het is om echt gezamenlijk stil te staan bij zo’n verandering. „Veel mensen hebben het gevoel dat het zover heeft kunnen komen [met de Hongaarse politiek, red.] omdat de transitie in 1989 maar half is afgemaakt en veel mensen zich nooit echt hebben los gemaakt uit het oude systeem.”
Nu willen Hongaren volgens Somló dolgraag actiever betrokken zijn bij de hervormingen. „En daarvoor is het belangrijk om echt na te denken: hoe ben ik veranderd? Op welke manieren ben ik gevormd en misvormd door deze tijd? Die zelfreflectie is nodig om niet op de oude voet door te gaan.”
Misschien komt het door het herlezen van De melancholieke revolutie. Of misschien ben ik wel vatbaar voor de Hongaarse „cultus rond de geschonden schoonheid”. Misschien ben ik het wel gewoon eens met Somló, dat het belangrijk is om stil te staan bij alles wat achterblijft zodat het niet komt spoken. Hoe dan ook, ik raak steeds meer gefascineerd door de vraag welke verliezen er horen bij een grote verandering.
Zo heb ik op een van mijn laatste middagen in Boedapest een gesprek met István Pósfai (32) van corruptiewaakhond K-Monitor. We drinken koffie in de uitgestorven hal van de voormalige Centraal-Europese Universiteit, die in 2019 om politieke redenen werd verbannen uit Hongarije. En Pósfai vertelt dat zijn organisatie net als veel andere ngo’s na de verkiezingen gedwongen wordt om een nieuwe rol voor zichzelf te vinden.
„Zoveel jaren zijn doorgebracht met enkel overleven: de vrije media probeerde te overleven, ngo’s probeerden te overleven, het was een constante moeizame strijd.” Pósfai ziet hoeveel ontspanning er nu al is. Er is hoop, omdat de overheid hopelijk een gesprekspartner kan worden en omdat er plotseling ruimte is voor nieuwe vragen. „Bijvoorbeeld, hoe moet de publieke sector omgaan met AI? Er zijn zoveel belangrijke dingen waar we simpelweg niet aan toe kwamen.”
Maar Pósfai ziet ook iets anders. In het constante gevecht tegen de regering, zijn sommige journalisten, ngo-medewerkers, oppositieleden en activisten hun identiteit zozeer gaan baseren op hun oppositie tegen het Orbán-regime, dat ze met deze overwinning ook een deel van hun raison d’être zijn kwijtgeraakt.
„Dat is een rouwproces”, zegt hij: niet alleen om te verwerken wat er is gebeurd tijdens de afgelopen jaren, maar juist ook om te verwerken dat het regime is verdwenen.
Het treft me, dit idee van rouwen om je onderdrukker. En tegelijk is het een directe echo van een gesprek dat Lieve Joris voert met oppositieleden in 1989. Op een gegeven moment zit ze ’s avonds laat in de auto met Gábor Demszky en Ferenc Köszeg, twee kersverse politici die tijdens het communisme allebei deel waren van de ondergrondse en samizdat-krantjes verspreidden.
Ondanks hun nieuwe politieke geestdrift, missen ze die tijd. „We zijn onze vrijheid kwijt”, zegt Demszky terwijl ze door het donker rijden. Hij speelde jarenlang een levensgevaarlijk kat-en-muis-spel met veiligheidsagenten, maar nu hij zich van de ene politieke meeting naar de andere haast, verlangt hij terug naar de ondergrondse wereld van geheimen en illegale drukkerijtjes. Naar de gemeenschap, de morele duidelijkheid en het hebben van een duidelijk doel. Met het verlies van je vijand, verlies je misschien ook altijd een stukje van jezelf.
„Ook ik heb de neiging om me vast te klampen aan deze laatste momenten”, biecht Lieve Joris uiteindelijk op over die zomeravond in 1989: „Maar voor ons rijdt Köszeg onverbiddelijk in de richting van de stad, het einde van de nacht tegemoet.”
Ik onderstreep die laatste zin meerdere keren. Misschien zijn dit soort transities altijd wel een beetje melancholisch. 2026 is geen 1989, maar toch is er opnieuw iets fundamenteel verschoven in Hongarije. En terwijl er opluchting is dat de horizon begint te verkleuren, is er ook het besef van wat achterblijft in het donker.
Nooit eerder stond de Donau zo laag als afgelopen zomer.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie