Guido van Heulendonk In zijn nieuwe roman ‘De ravijnenvuller’ zoekt de verteller naarstig naar een oplossing voor het grote niets dat hem aanstaart. Hij zoekt dat in het kleine gebaar, maar is dat echt een antidotum tegen die ellendige zinloosheid?
Was De kroon met twee pieken een uitschieter? Hoe kwam het dat schrijver Guido van Heulendonk (1951) voor zijn hartveroverende vorige roman plotseling daverende recensies en tal van prijsnominaties kreeg, terwijl hij in de drie decennia daarvoor een stuk of tien romans en verhalenbundels publiceerde, die zelden boven het maaiveld uitgestoken werden? Waren die onterecht overgeslagen? Of was de lof met goede reden eenmalig?
Guido van Heulendonk: De ravijnenvuller. De Arbeiderspers, 272 blz. € 24,99
Op het eerste gezicht lijkt Van Heulendonk met de opvolger De ravijnenvuller weer enigszins terug te schieten in zijn oude toestand van writer’s writer. Iemand die z’n eigen ding doet en je als lezer dwingt diep in z’n universum door te dringen om mee te kunnen komen. Alleen al hoe het begint: Eduard Bottelaer, gepensioneerd acteur én personage uit twee eerdere, decennia oude Heulendonk-romans, weidt uit over twee romans die hij heeft gelezen. Voorkennis over die vier boeken blijkt geen must, maar de drempel is opgeworpen.
Niet dat Van Heulendonk met het teruggrijpen op een ‘oud’ personage nogmaals hetzelfde liedje zingt, juist niet. De doorgewinterde lezer kan de verwijzing naar Paarden zijn ook varkens (1995) herkennen, waarin een urinerend paard stond voor het desillusionerende besef dat edele dieren (lees ook: mensen) uiteindelijk gewoon smeerlapperij produceren. Het verschil is dat Bottelaer nu noteert: „Varkens zijn varkens”, ook de titel van het eerste hoofdstuk. Dat zit zo: in één van de door hem gelezen romans, Outer Dark van Cormac McCarthy, stort een kudde varkens in een ravijn, nadat twee personages bediscussieerden of varkens „werkelijk incarnaties zijn van de duivel, zoals de Bijbel beweert”, maar daar komen ze niet uit, dus concluderen ze dat varkens vooral varkens zijn. Niet ook nog iets anders.
Maar dat is slechts het begin. Want de roman blijft door Bottelaers hoofd spoken, mistroostig geworden door McCarthy’s smeerlapperige mensbeeld. En die varkens spoken ook rond, ze brengen hem van de ene gedachte op de andere, roepen associaties op, gaan voor iets anders staan, veranderen, overbruggen een afstand. Verandering: het kan. Dat idee, dat mechanisme, grijpt Bottelaer aan als de oplossing tegen het grote niets dat hem aanstaart. Hij ziet hoe de hele wereld in het ravijn dreigt te storten, dankzij „Oekraïne, klimaat, migratie” (en die twee naargeestige romans), maar als ook naar verslagenheid neigende zeventiger zoekt hij nu hernieuwde zin: „Enig verzet is aan de orde.” Van die vele kloven die door onze gepolariseerde wereld lopen, zou hij er graag eentje dichten. Dat is de uitgangssituatie van De ravijnenvuller.
Het is nogal een redenering en dat typeert de roman: een hoogst eigenzinnig verhaal, actueel maar ook persoonlijk, volgens een associatieve maar niet onnavolgbare logica, die in z’n goedmoedigheid ronduit sympathiek is, maar je moet er wel wat geduld mee hebben. Een ravijn laat zich immers niet een-twee-drie vullen, en: „Bottelaer bedacht dat zijn eigen solidariteit met Oekraïne nog niet verder was geraakt dan het niet openen van de Oekraïense schoonheden online-spam, die sinds kort tien keer per dag in zijn mailbox zat.” Ook de grapjes vergen (wellicht) wat verdraagzaamheid.
Kinderloos en alleen als Bottelaer is, kiest hij een ravijntje dat wat willekeurig aanvoelt, maar wie het kleine niet eert… Hij probeert nader tot zijn bejaarde tante Mimi te komen door haar bedevaart naar Lourdes op zich te nemen. De roman leest als een roadtrip, heen en terug, inclusief tussenstops, en vooral steeds met Bottelaer die alleen is met zijn gedachten. We lezen dus heel veel van zijn denktrant, associaties en redeneringen, die vaak hoogstpersoonlijk en wat eigenaardig zijn – en daar moet je van houden. In beschrijvingen van vrijwel niets kán Van Heulendonk iets adembenemends creëren, zoals in een gefantaseerde herinnering aan de bijna-val van een roltrap, maar vaak zijn de gedachtesprongen en zijsporen wel erg willekeurig.
En ja, ik weet het, daar gaat het net om: dat je aan iets onbeduidends toch betekenis kunt geven. Dat je lukrake gedachten serieus neemt en inpast in een zinvol geheel. Dat dat de charme van het leven is, een antidotum tegen die ellendige zinloosheid. „Geloof is wat de wereld overeind houdt”, stelt ironicus Bottelaer bijna tot zijn schrik, en daarmee weet hij je onverhoeds te ontroeren. Dan overbrugt hij even de kloof, maar daarvoor was wel een flinke omweg nodig op de achterbank bij een tamelijk zelfgenoegzame chauffeur.
Dat is het cruciale verschil met De kroon met twee pieken, dat ook al een lans brak voor het kleine en alledaagse, maar dan zonder de zelfvertedering van Eduard Bottelaer, die deze nieuwe roman traag en koket maakt.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie