Ontlezing Volgens recent onderzoek gaat de leesvaardigheid van tieners achteruit. Literatuurdocent Jeroen Dera laat zich echter niet verleiden tot pessimisme in zijn boek over jonge lezers. Hij ziet dat er nog steeds volop jongeren zijn die graag lezen, maar ze moeten zich staande houden in een cultuur die lezen haast actief ontmoedigt.
Bij mij thuis staat een jeugdroman in de kast die letterlijk kapotgehuild is. Het lievelingsboek van onze dochters, The Hate U Give van Angie Thomas, viel langzamerhand uit elkaar door de tranen die zij en hun vriendinnen erover hadden laten vloeien. Het verhaal over Starr en haar door de politie vermoorde vriend Khalil ontroerde de tieners niet alleen, maar ontstak ook hun verontwaardiging over racisme hier en in de VS (waar de roman inmiddels uit veel schoolbibliotheken verbannen is).
Jeroen Dera: De spagaat. Jonge lezers in tijden van ontlezing. Querido Facto, 224 blz. € 22,50
Zo begeesterd zijn tieners helaas lang niet altijd over boeken. De cijfers liegen er niet om: bijna de helft van de vijftienjarigen vindt lezen tijdverspilling. Onrustbarende statistieken, niet alleen vanwege de verhalen die kinderen zo mislopen, maar ook omdat niet lezen meestal ook leidt tot niet zo goed kúnnen lezen. En omgekeerd: wie niet goed leest, vindt het ook minder leuk. Dat scholen zich daarnaast richten op toetsen en eindexamens die nog voor een groot deel uit een achterhaalde invulling van begrijpend lezen bestaan, bevordert de motivatie noch het werkelijk leesbegrip. Zo belanden jongeren in een neerwaartse spiraal met zorgwekkende consequenties voor hun latere functioneren. Vorige week hoorden we dat bijna 40 procent van hen dreigt laaggeletterd het onderwijs te verlaten.
Maar achter die cijfers uit het veelbesproken PISA-rapport naar leesvaardigheid schuilt een hele wereld. Een wereld met poëzieminnende vmbo’ers, aan lezen verslingerde tieners, en inderdaad boekmijdende jongens. Over hen gaat De spagaat. Jonge lezers in tijden van ontlezing van Jeroen Dera. Van de „beruchte, verguisde, traumatiserende” leeslijst tot bookfluencers voor op kleur gesorteerde kasten in online-video’s: de hele leesomgeving van jongeren brengt hij in kaart. Daarbij laat de onderzoeker en literatuurdocent van de Radboud Universiteit zich niet verleiden tot cultuurpessimisme. Of jongeren nu obscure Franse poëzie lezen, of juist alleen maar strips of zelfs dat niet: hij neemt hun keuzes serieus en onthoudt zich van een oordeel.
Minder mild is Dera over de misleidende rol van de media, waarin steeds weer dezelfde misvattingen worden opgehoest in schreeuwerige krantenkoppen over jongeren als „luie leeshaters”. De beeldvorming die van de tienerlezer een curiosum maakt, zet jongeren nu niet bepaald tot lezen aan, net zomin als de lezende nerds uit televisieseries die steeds weer bevestigen dat lezen voor buitenbeentjes is. Dera’s grondige onderzoek zorgt voor de nuancering die het debat nodig heeft.
Jongeren blijken lezen zelf helemaal niet uncool te vinden, maar ze denken massaal dat anderen dat wel vinden, toont Dera onder andere aan door een ludiek experiment met een aula vol jongeren die oogkapjes op krijgen voordat ze vragen beantwoorden. Ook uit zijn meer grootschalige enquêtes blijkt: twee derde van de scholieren wil best lezen, maar vindt er geen tijd voor door huiswerk, bijbaantjes en vooral door de om aandacht schreeuwende smartphones. De manipulatieve algoritmes van sociale media sturen weg van het trage boek, richting de snelle kick van steeds weer een nieuw filmpje. Zo zit de jonge lezer in een spagaat: willen lezen in een niet-leescultuur.
Wat is er nog meer wél waar over jonge lezers? Bijvoorbeeld dat er in Nederland ook 94.000 jongeren zijn die wél regelmatig zomaar een boek lezen. En dat de meesten de boeken van de „verplichte leeslijst” wel degelijk uitlezen, en ook nog vaak met plezier. Een leeslijst die trouwens helemaal niet verplicht ís: 80 procent van de scholieren stelt zelf dat lijstje van 8 tot 12 boeken samen. Dera ontmaskert de mythe van de funeste uitwerking van die leeslijst op leesplezier: een effect dat helemaal niet blijkt te bestaan, als je er jongeren zelf naar vraagt. Zij geven de boeken op hun lijst gemiddeld een 6,7, met een duidelijke voorkeur voor actuelere titels. Behalve zeggenschap over de titelkeuze is namelijk (niet heel verrassend) de ervaren relevantie van boeken ook een belangrijke voorspeller van leesplezier.
En wat relevant is, dat horen tieners het liefst van elkaar, dat wil zeggen: via de sociale media. Ook daar deed de onvermoeibare Dera onderzoek naar. Filmpjes op het populaire #Booktok sturen jonge lezers voornamelijk naar Amerikaanse romance-boeken. Dat het nogal schematische leesvoer meestal in het Engels is deert de jonge lezer niet, integendeel. Zeker als het in verhalen gaat over lichamen en gevoelens vinden ze Nederlands „ongemakkelijk”. Cringe: dat is het vernietigende oordeel van veel tieners als ze Nederlandse literatuur moeten lezen op school. Terecht merkt Dera op dat ze misschien het Engels ook gewoon minder goed begrijpen en de inhoud van de boeken dus minder confronterend is.
Dat er nu een voorstel ligt waarbij jongeren ook voor een deel vertalingen mogen lezen voor hun eindexamen Nederlands is dan ook volkomen bizar. Jongeren willen deze Booktok-boeken inderdaad graag lezen, maar nu net niet in vertaling. Bovendien toont het een onbegrijpelijk dedain voor onze eigen schrijvers om te denken dat je geen 6 (vmbo), 8 (havo) of 12 (vwo) Nederlandstalige boeken kan vinden die boeiend en relevant zijn voor tieners.
Datzelfde geldt voor de onderbouw. Hoewel Nederlandstalige jeugdliteratuur tot de beste ter wereld behoort, mogen scholieren daar onbeperkt vertalingen lezen als het aan de wet ligt. Ook aan het niveau of de hoeveelheid van die boeken stelt het curriculum geen vaste eisen: dat bepaalt iedere school zelf. Vrijwel nergens ter wereld zijn jongeren vrijer in hun boekenkeuze voor school. En omdat die autonomie volgens onderzoek leidt tot meer leesplezier, zou je verwachten dat juist Nederlandse kinderen meer van lezen houden dan elders in Europa.
Waarom het omgekeerde het geval is, verklaart Dera niet. Om toch een hypothese op te werpen: zou die vrije boekenkeuze niet juist de boosdoener kunnen zijn en in ons literaire polderland juist leiden tot massale leesverveling? Want als je op de basisschool alle delen van de zouteloze serie Het leven een loser mag lezen in de vrij-lezenuren, en er dan in 2 vwo je boekpresentatie over mag houden (dat komt voor), is die vrijheid wellicht minder motiverend dan leraren denken.
Om het te vergelijken met wiskunde: als je in de tweede klas dezelfde sommen krijgt als in groep 6 van de basisschool, zou je dan nog zin hebben om ze te maken? We weten inmiddels ook uit onderzoek dat de vrij-lezenuren zonder enige sturing ook niet leiden tot beter lezen, en Dera pleit dan ook voor een „afgebakende collectie”. Daarbij noemt hij niet het veelgebruikte platform Lezen voor de Lijst, dat met enige aanpassing precies zo’n actuele en diverse schoolcanon zou kunnen worden. Voor de basisschool bestaat die wel al met Sterboeken.org.
Een jonge lezer in de bibliotheek van de Jan Arentzschool in Alkmaar.
Zo’n canon-achtige collectie kan leraren ondersteunen nu ‘literatuur’ niet meer alleen in de bovenbouw havo-vwo een verplicht thema is, maar al vanaf groep 1. Dat betekent De spin Sebastiaan voorlezen in plaats van de duffe Borre-boekjes voor kleuters. En daarna Wolf van Anna Woltz lezen in plaats van de De Zoete Zusjes, en dan in de onderbouw verder met sterke jeugdboeken als Patroon, Albatros of Alter.
Wat is literatuur? Dat is nu vooral „een kwestie is van onderhandelen en aftasten”, concludeert Dera uit zijn praktijkonderzoek rond de leeslijst. Een typisch Nederlands en democratisch antwoord, waarmee hij weinig leraren tegen zich in het harnas zal jagen. Maar helpt hij er de leerling mee? Of de leraar met haar wettelijke opdracht, die op de pabo geen literatuurtheorie heeft gekregen? Het onderwijs (en de inspectie) heeft behoefte aan kaders om literatuuronderwijs te kunnen geven en beoordelen.
Hoewel Dera prachtig betoogt waarom literatuur belangrijk is, had hij zijn expertise en gezag daarnaast ook kunnen inzetten om uit te leggen wat we wel en niet onder literatuur verstaan. Literatuurwetenschappers kunnen, net als overigens uitgevers en recensenten, prima zeggen wat wel en wat absoluut géén literatuur is. Daaromheen is er natuurlijk ook een grijs gebied – een gebied dat leerlingen graag op blijken te zoeken in hun leeslijsten. Dera liet 1616 leerlingen een enquête invullen over hun mondeling eindexamen literatuur, en ontdekte dat onder de 1642 gekozen titels onder andere veel thrillers zaten.
Daar heeft Dera geen problemen mee. Ook als boeken voorspelbaar zijn, of als ze stereotyperende of racistische passages kennen, zoals het veelgelezen Joe Speedboot of Turks fruit, bieden ze immers stof voor de analytische leesles of een prikkelend mondeling examen. Maar juist op dat punt schieten leraren vaak te kort: Dera liet 25 leraren een les voorbereiden over een passage uit een roman van Mulisch met een koloniale teneur. Niemand onder hen herkende het fragment als stereotyperend, waar een derde van de bevraagde vwo-leerlingen er wél over viel.
Frappant is eveneens dat weinig leraren noch andere volwassenen het van belang lijken te vinden dat leerlingen boeken lezen met personages met uiteenlopende achtergronden of boeken van vrouwelijke auteurs, Vlaamse auteurs of schrijvers met een niet-westerse achtergrond. Vooral opvallend gezien het feit dat het vooral meisjes zijn die lezen. Als je leraren vraagt wat ze hun leerlingen aanraden, zoals Dera deed bij 104 docenten, zijn dat nog steeds vooral „boeken van witte mannen uit Nederland.” Nog steeds is slechts 24 procent van de voor de lijst gelezen titels geschreven door vrouwen.
Dera wijst erop dat leerlingen zo kunnen gaan denken dat literair schrijven vooral iets voor mannen is. Wat hij niet noemt, maar een minstens zo groot probleem lijkt, is dat leerlingen die vooral lezen vanuit het perspectief van jongens en mannen een eenzijdig wereldbeeld voorgeschoteld krijgen. Een gemiste kans op het ontwikkelen van empathie én leesplezier, want zijn onderzoek toont aan dat scholieren actuele en diversere boeken juist meer waarderen: Simone Atangana Bekono’s Confrontaties is geschikter om een leerling uit klas 4 aan het lezen te krijgen dan Kaas.
Daar ligt een taak voor de leraar, en voor ons allemaal. Iedereen kan immers een bookfluencer zijn. Aan volwassenen (niet alleen leraren en ouders, ook ooms, tantes, buren) de opdracht om steeds weer precies het juiste boek te vinden, kopen, lenen, het kortom op te snorren en het tieners aan te reiken. Want iedere jonge lezer verdient het om tenminste één keer een roman kapot te huilen.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie