Home

Tijdens de welvaartsexplosie van de 17de eeuw kochten steeds meer mensen een lapje grond

Economische groei leidt tot ongelijkheid, is de heersende gedachte. Hoe zat dat in de 17de eeuw, toen Nederland een lange periode van bloei meemaakte?

Het lijkt een hele stap, van Kendrick Lamar naar de Gouden Eeuw, maar Bram Hilkens heeft hem gezet. Nadat hij voor zijn master cultuurgeschiedenis een scriptie had geschreven over de Amerikaanse rapper, promoveerde hij dit voorjaar op een onderzoek naar ongelijkheid in Holland van 1543 tot 1708. Hoewel hij eeuwen terugging in de tijd, is de vraag die hij probeerde te beantwoorden in zijn dissertatie actueel: als de economie groeit, neemt de ongelijkheid in de samenleving dan toe?

Maar eerst iets over de term Gouden Eeuw. In zijn proefschrift Living off the land? Land inequality in early modern Central Holland plaatst hij die steevast tussen aanhalingstekens. De afgelopen jaren is veelvuldig opgemerkt dat de zeventiende eeuw lang niet voor iedereen een gouden randje had, vooral niet voor degenen die werden uitgebuit in de koloniën. Hilkens wilde daar niet blind voor zijn, vandaar de aanhalingstekens. „Je zou het ook kunnen hebben over ‘de fase van ononderbroken economische groei’. Maar dat klinkt niet zo lekker.”

Zeven jaar werkte hij aan zijn proefschrift, de laatste drie jaar naast zijn werk als universitair docent in Utrecht. Daar geeft hij les aan onder anderen eerstejaarsstudenten geschiedenis: bronnenonderzoek en „een vriendelijke versie van statistiek”. „Dat is een beetje een ondankbare cursus om te geven. In elke groep zitten er twee die het echt leuk vinden maar de meesten hebben iets van: ja maar we zijn toch juist geschiedenis gaan studeren zodat we dit niet hoeven te doen?”

Zelf wist hij ook weinig van statistiek toen hij aan zijn promotieonderzoek begon. En net als de studenten die hij nu begeleidt, zocht hij voor zijn masterscriptie een onderwerp dicht bij zijn eigen belevingswereld. Hilkens luisterde veel naar hiphop. Hij onderzocht het beeld dat Lamar van zichzelf schetste op zijn albums en hoe dat werd ontvangen door Amerikaanse en Nederlandse media.

Zijn scriptiebegeleider zei: dan moet je naar de VS. Dat deed Hilkens, hij liep een half jaar stage bij een hiphoparchief aan Harvard – dat bestaat. Daar hielp hij bij het opzetten van een canon van de tweehonderd invloedrijkste hiphopalbums, Classic Crates. „Crates zijn de kratten waar je doorheen bladert in platenzaken. Digging in the crates, noemen ze dat”, zegt Hilkens.

„Iedereen kreeg een paar albums. Het idee was dat je daarover alles verzamelde – foto’s, teksten, videomateriaal – om dat digitaal te bewaren.”

Een hele stap dus, naar zeventiende-eeuws Holland. Hoewel, zegt Hilkens: „In mijn masterscriptie over Lamar ging het veel over sociaal-economische status. Al had ik eigenlijk geen duidelijk beeld van wat dat betekende.”

Epidemieën, aardbevingen en oorlogen

Na zijn studie werd Hilkens onderzoeksassistent bij Bas van Bavel, hoogleraar in Utrecht. Die deed onderzoek naar rampen in vroegmodern, middeleeuws Europa: epidemieën, aardbevingen, oorlogen. Een van zijn promovendi, Daniel Curtis, kreeg in Rotterdam een eigen project over epidemieën in de Lage Landen en zocht zelf een promovendus. „Toen dacht ik: ik zit daar best al goed in en het lijkt me leuk om mijn horizon te verbreden.”

Epidemieën veroorzaken sterfte. En sterfte leidt tot herverdeling van bezit, waaronder land. Wie profiteert daarvan en wie niet? Het idee was aanvankelijk dat Hilkens dat zou gaan onderzoeken. Toen hij op zoek ging naar bronnen stuitte hij op landregisters, de zogeheten morgenboeken, waardoor zijn onderzoek een wending kreeg.

Een morgen is een oude oppervlaktemaat voor land, ‘Rijnlandse morgen’ is 0,85 hectare. In morgenboeken werd nauwkeurig vastgelegd wie welk stuk grond had van welke omvang, zodat daarover belasting kon worden geheven. Het hoogheemraadschap Rijnland, waar Hilkens zijn onderzoek op richtte, deed dat elk schrikkeljaar. Hilkens: „Ik dacht: aan de hand van die morgenboeken kunnen we iets veel groters uitvogelen wat we nog niet goed weten, namelijk hoe vermogensongelijkheid op het platteland zich heeft ontwikkeld in een cruciale periode in de Nederlandse geschiedenis. Mijn promotor vond dat een heel goed idee.”

Om zijn promotie tot een goed eind te kunnen brengen moest Hilkens wel eerst wat doen aan zijn onderzoeksvaardigheden op het gebied van economische geschiedenis, want als cultuurhistoricus had hij daar weinig ervaring mee. Hij benaderde Jaco Zuijderduijn, die economische geschiedenis onderzoekt aan de universiteit van Lund, in Zweden, met de vraag „of hij daar een paar maanden rond mocht hangen”. Dat mocht. In Lund kon hij met Zuijderduijn en collega’s kijken naar de bronnen die hij wilde onderzoeken.

Hilkens las ook veel boeken. „Waar ik als student de hoofdstukken over de methodologie oversloeg en snel doorbladerde naar de uitkomsten, deed ik nu precies het omgekeerde.” En hij luisterde naar podcasts. „Je hebt The Economic History Podcast, daarin worden allerlei grote namen uit de economische geschiedenis uitgenodigd. De eerste keer dat ik een aflevering beluisterde, begreep ik er soms niks van. Ik kende de begrippen niet, kon de logica niet volgen. Maar dan luisterde ik nog een keer en ging ik dingen opzoeken. Op een gegeven moment viel alles op zijn plek.”

Belangrijk voor het onderzoek van Hilkens is de Gini-coëfficiënt, die inzicht geeft in hoe gelijk of ongelijk vermogen of inkomen in een land of regio is verdeeld. In dit geval dus land. Een Gini van 1 zou betekenen dat er één iemand is die al het land bezit. Een Gini van 0 dat iedereen precies evenveel heeft.

Koeien, veen en techbro’s

Hilkens richtte zijn onderzoek uiteindelijk op drie dorpen (‘ambachten’ is de officiële naam) in het hoogheemraadschap Rijnland: Hazerswoude, Warmond en Koudekerk. Daar woonde zo’n 10 procent van de plattelandsbevolking rondom Leiden. Hilkens koos voor deze dorpen om een gevarieerd beeld te krijgen. „In Hazerswoude werd veel veen geproduceerd, terwijl je in Koudekerk veel koeien had. En ik vond het belangrijk dat het dorpen waren die een relatie hadden met de stad, zodat ze profiteerden van de economische groei daar.”

Wat kun je zeggen aan de hand van drie dorpen? Tot nu toe leefde onder wetenschappers de gedachte dat economische groei vrijwel altijd leidt tot meer ongelijkheid. Zie bijvoorbeeld de huidige discussie over Amerikaanse techbro’s wier vermogens groeien tot duizelingwekkende hoogten. Jan Luiten van Zanden, emeritus hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, deed baanbrekend onderzoek naar ongelijkheid in de pre-industriële periode in Holland. Hij onderzocht een lange periode, maar zijn onderzoek was minder verfijnd, met datapunten in 1561 en 1732. „Daaruit kon je concluderen dat de ongelijkheid toenam tijdens de Gouden Eeuw”, zegt Hilkens, „maar over de Gouden Eeuw zelf wisten we dus eigenlijk niks.”

Uit het onderzoek van Hilkens blijkt ook dat de ongelijkheid toenam in de dorpen die hij onderzocht, zowel vóór 1650, toen de economie groeide, als daarna, toen de economie stagneerde. Maar er was wel iets bijzonders aan de hand, ontdekte hij. In de periode van krimp nam de ongelijkheid toe doordat de rijken zich verrijkten: ze konden meer grond kopen. Maar in de periode van economische groei nam de ongelijkheid toe om een heel andere reden: de bevolking op het platteland groeide onder andere door migratie, en steeds meer mensen wisten een klein stukje grond te bemachtigen. Het aandeel van de grootgrondbezitters nam af. Maar doordat er heel veel ‘kleingrondbezitters’ bij kwamen, nam de Gini-coëfficiënt toch toe.

Kun je dan eigenlijk wel zeggen dat de ongelijkheid is toegenomen? „Ja, dat is precies de vraag”, zegt Hilkens. „Probleem is dat we niet weten hoeveel mensen er helemaal geen grond hadden. Maar het maakt wel dat ik met een zekere mildheid naar de cijfers kijk. Het was, om het paradoxaal te zeggen, een meer egalitaire vorm van ongelijkheidsgroei.”

Gewaagde vraag, aan een historicus: kunnen we hier nog iets van leren? Hilkens: „Het is natuurlijk niet zo dat ik beleidsmaatregelen kan formuleren op basis van wat er in de zeventiende eeuw is gebeurd. Tegenwoordig wordt wel gezegd dat we minder moeten streven naar economische groei en daar kunnen goede redenen voor zijn, bijvoorbeeld het klimaat. Maar wat dit onderzoek wel leert is dat groei ook positieve effecten kan hebben.”

Wie isBram Hilkens?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next