Charlie Pollinger | Regisseur ‘The Plague’ is ‘Lord of the Flies’ in het zwembad. Wanneer de twaalfjarige Ben aankomt op waterpolokamp moet hij zich voegen in een keiharde sociale hiërarchie. „Het enige wat ik moest doen was een camera op een groep twaalfjarigen richten. Dat is al eng genoeg.”
Kinderen springen in het zwembad voor waterpolo-training, in ‘The Plague’.
Er heerst een ‘plaag’ op het waterpolokamp. De twaalfjarige Eli is getroffen. Een schilferige roodheid bedekt zijn lichaam. Een eerdere plaaglijder werd langzaam gek; de „leprose” keerde zich naar binnen waarna zijn brein verpapte tot „babyvoeding”. Hij verblijft nu in het gekkenhuis, weten de kinderen. Hetzelfde lot is Eli beschoren. En iedereen die hem aanraakt. Als hij dichtbij komt, slaan andere kinderen op de vlucht.
The Plague kreeg een staande ovatie van elf minuten van een emotioneel gesloopt publiek op het filmfestival van Cannes afgelopen jaar– het langste applaus voor een regiedebuut in de geschiedenis van het festival. „De film maakt vooral ouders doodsbang”, lacht de Amerikaanse regisseur Charlie Pollinger begin september via een Zoom-verbinding. „Kinderen zien er de humor wel van in.”
The Plague is een pestfilm, in beide zinnen van het woord. Wanneer hoofdpersoon Ben (Everett Blunck) aankomt op waterpolokamp, blijken alle andere kinderen elkaar al te kennen. Er ís al een sociale hiërarchie: met pestkop Jake (Kayo Martin) als onaantastbare tienertiran, en Eli (Kenny Rasmussen) als ‘melaatse’. Ben voegt zich bij een toneelstuk waar de rollen al verdeeld zijn.
Pollinger baseerde The Plague op zijn eigen jeugd. „Tijdens de coronatijd verbleef ik een tijdje bij mijn ouders”, vertelt hij. „Toen ik in quarantaine moest in mijn oude kinderkamer, begon ik te rommelen door oude spullen en vond mijn oude kinderdagboeken. Vol notitietjes over zomerkampen, grapjes, maaltijden, cd’s die vrienden aanraadden… Opeens kwamen er geuren, gezichten, ervaringen en herinneringen terug waartoe ik normaal gesproken geen toegang heb.”
Eén van die herinneringen was ‘de plaag’. „Dat was een soort spel waarbij over één kind en iedereen die hij aanraakte gezegd werd dat ze een besmettelijke ziekte hadden.” Toen Pollinger met vrienden belde, hoorde hij soortgelijke verhalen. Die bracht hij samen in The Plague, sommige dialogen komen rechtstreeks uit zijn dagboeken.
Plaaglijder Eli (Kenny Rasmussen) aan de rand van het zwembad in ‘The Plague’.
Het resultaat? Lord of the Flies in het zwembad. Een film over de angst voor uitsluiting in een brute kindermaatschappij. Opperpestkop Jake is een bloedhond. Nieuwkomer Ben maakt zich dus zo klein en kneedbaar mogelijk.
„Op die leeftijd voelde ik me heel bewust van mezelf in een sociale groep. Het was bijna alsof ik mezelf bekeek vanuit het perspectief van álle anderen. Het voelt alsof je in een mijnenveld staat. Vooral omdat spot en pesterij voor de anderen juist manieren zijn om dichter tot elkaar te komen.”
Pollinger probeerde de kijker „in het brein” van een angstig kind te verplaatsen. Het desolate sportcomplex van het waterpolokamp voegt zich naar Bens gemoed; geluiden overdonderen, mist kruipt dreigend uit groepsdouches… „Als Ben voor het eerst de kantine binnenloopt, ziet hij de kinderen als één grote groep”, zegt hij. „Iedereen praat door elkaar heen, het geluid is keihard, ondoordringbaar. Maar als Ben een stoel aanschuift, stopt het geluid plots en kijkt iedereen hem aan: bijna als in een Sergio Leone-western.”
De ‘plaag’ staat natuurlijk symbool voor uitsluiting, maar voor Ben wordt het steeds echter. Hij begint erin te geloven. Er ontstaan écht bloedrode zweren. Pollinger: „Ik wilde die uitsluiting een fysieke representatie geven. Op dit soort kampen zit je in zwembaden, krijg je uitslag… Of het allemaal echt gebeurt? Ben is een beetje een onbetrouwbare verteller.”
Ben (Everett Blunck) vindt symptomen van de plaag op zijn eigen huid.
Waarom de keus voor een horrorsfeer? Nou, die schemertijd tussen het kindzijn en de puberteit ís horror, volgens Pollinger. „Je lichaam verandert: je wordt hormonaal, geobsedeerd met seks. Je krijgt overal puistjes en haar. Het is bijna monsterlijk, Frankenstein-achtig, alsof je in een weerwolf verandert.”
Die transformatie geeft pesterijen ook vaak een seksueel tintje. In The Plague stoken jongens elkaar op om te masturberen in stapelbedden. In één scène wordt Eli door de hele groep uitgelachen omdat hij een erectie krijgt van de synchroonzwemsters in het andere bad.
„Iedereen heeft zoiets gezien als kind in een zwembad, waarbij iedereen flipte omdat één kind een stijve kreeg. Ook Joel Edgerton [de coach in de film] had zoiets meegemaakt in zijn jeugd.”
Gevoelige materie: wat als de kindacteurs zich ook buiten de set zouden gedragen als hun personages? „Daar was ik heel bang voor”, vertelt Pollinger. „We werkten met een intimiteitscoördinator en probeerden het actief te voorkomen. Bij de repetitie van de erectiescène namen we bijvoorbeeld allemaal even de rol van Eli in. Dan moesten we één voor één gaan staan en dertig seconden uitgelachen worden door de rest van de groep. Ook de producers en ik deden dat.”
„Maar ik was al vrij snel gerustgesteld toen ik zag hoe de jongens met elkaar omgingen”, zegt Pollinger. „Het was vaak moeilijker om ze écht gemeen te laten doen. Soms ging ík voor de groep staan en zei ik: ‘Wees zo hard en gemeen mogelijk!’
„Nou, ik heb het overleefd, maar dan waren ze héél gemeen. Het herinnerde mij eraan hoe angstaanjagend zo’n lachende groep twaalfjarigen is. Toen begreep ik dat het enige wat ik in sommige scènes moest doen, een camera richten op tien twaalfjarigen was. Dat is al heftig genoeg.”
Ben (Everett Blunck, met gezicht naar de camera) tussen de andere kinderen op waterpolokamp.
De angst voor ‘de plaag’ wordt steeds echter voor de kinderen.
Het desolate sportcomplex voegt zich naar Bens gemoed.
The Plague mocht echter geen standaard pestverhaal worden. Daarom castte Pollinger de charismatische Kayo Martin als pestkop Jake. Pollinger vond hem via Instagram, waar Martin een miljoen fans vermaakt met skateboardvideo’s en streken waarbij hij bijvoorbeeld gehaktballen bakt in de metro.
Pollinger: „In films is de pestkop altijd een totale klootzak. Iemand die mensen uitscheldt en tegen de muur drukt. Maar dat is niet authentiek. De pestkop is in mijn ervaring juist relaxed, en moeiteloos charismatisch. Someone who has it all, bij wie iedereen in de buurt wil zijn. Daarnaast is hij een mens, geen slechterik. Ook hij zoekt zijn weg in een complexe sociale dynamiek.”
Dat is ook een grimmige conclusie. Niemand is puur slecht. Toch ontwikkelt deze sociale dynamiek zich tot een ramp. In douches, slaapzalen, trappenhuizen: plekken waar volwassen toezicht wijselijk niet reikt. De waterpolocoach (Edgerton) wíl wel helpen, maar zijn ingrepen en knullige peptalk versterken de sociale rollen alleen maar.
Kan een volwassene dan niks doen? „Dat deze volwassen man probéért kwetsbaar te zijn, betekent al iets”, zegt Pollinger. „Ik dacht terug aan momenten dat mensen mij probeerden te helpen als kind. Ik kreeg dan geen intellectuele openbaringen, maar was wel minder alleen.”
Het ‘wordt beter’, zegt de coach tegen Ben. Maar is dat waar? Kom je ‘de plaag’ niet constant tegen in de grote-mensen-wereld? „Deze dynamiek is toepasbaar op alle andere leeftijden, en ook op politieke structuren”, volgens Pollinger. „Mensen proberen een cultuur tot stand te brengen door te bepalen wat er níét bij die cultuur hoort. Dat is niet altijd iets slechts: zo kun je namelijk ook beslissen dat wreedheid niet bij de cultuur hoort. Maar dit soort mythes, zoals de plaag, kunnen ongeschreven regels versterken, totdat mensen ze aannemen als onveranderlijke waarheid. Ik zie dat overal.”
Tristan Theirlynck
The Plague. Regie: Charlie Pollinger. Met: Everett Blunck, Kayo Martin, Kenny Rasmussen. Lengte: 98 min. Te zien in de bioscoop.
„Dit is de meest deprimerende peptalk” zegt de twaalfjarige Ben tegen zijn waterpolocoach Daddy Wags tijdens het zomerkamp waar hij deel van uitmaakt. De scène zit halverwege The Plague. Daddy Wags ontmoet Ben op verzoek van Bens moeder, die lucht heeft gekregen van het feit dat haar tienerzoon gepest wordt. In zijn gesprek met Ben vertelt de coach dat het pas beter wordt als je volwassen bent: ook hij werd bespot in zijn tienerjaren, had als twintiger liefdesverdriet et cetera. Pas nu hij een sportieve veertiger is, zit hij lekker in zijn vel.
Ben is niet de enige die gepest wordt. Het grootste slachtoffer is Eli, een mollige tiener met eczeem. Volgens Jake, de grootste treiterkop, heeft Eli ‘de pest’. Als Eli aan dezelfde tafel wil zitten als Jake en zijn waterpolomaatjes, verkassen ze snel naar een ander tafeltje. Omdat Ben de ‘t’ niet goed kan uitspreken, wordt ook hij voor schut gezet. In plaats van ‘stop’ zegt hij ‘sop’, waardoor zijn bijnaam automatisch ‘soppy’ wordt. Terwijl Ben zijn best doet bij de groep te horen, is Eli gaan geloven dat hij inderdaad besmettelijk is, zoals over hem gezegd wordt. Hij doucht alleen, zondert zich af en leeft in zijn eigen wereld. Ben krijgt een beetje medelijden met hem, maar dat is gevaarlijk. Een al te hechte vriendschap zou betekenen dat ook hij door de groep onder leiding van bully Jake uitgesloten wordt.
The Plague vertelt een verhaal van groepsdruk, uitsluiting en de wens erbij te horen dat universeel is. Wie afwijkt van de (arbitraire) norm, wordt als vanzelf het pispaaltje. Dat The Plague in 2003 gesitueerd is, voor de fnuikende opkomst van giftige sociale media, zegt veel. Nu zou het allemaal nog erger zijn wat Eli, en in mindere mate Ben, overkomt. In feite vertelt regisseur-scenarist Pollinger een horrorverhaal. Dat wordt onderstreept door het atmosferische geluidsontwerp, waarbij de muziek van Johan Lenox als eerste opvalt. Die is vooral vocaal, met een koor dat verontrustende klanken voortbrengt. Het hele zwembad lijkt onheilspellende geluiden voort te brengen die niet alleen onder de huid van Ben kruipen, maar ook onder die van de toeschouwer.
Daarnaast is er ‘body horror’: Eli’s eczeem, op zijn wang en over zijn lichaam dat hij constant met een T-shirt bedekt, ziet er onsmakelijk uit. De scène waarin Ben, uit angst dat zijn zomerkampgenoten denken dat hij besmet is, een puistje op zijn kin uitknijpt is gruwelijker dan menig expliciete griezelfilm.
Pollinger nam zijn vooral in het eerste uur imponerende debuut op in een brutalistisch Roemeens zwembad dat bijna een eigen personage vormt. Pollingers camera glijdt door de galmende gangen, toont fraaie onderwatershots en suggereert dat er om elk hoekje gevaar dreigt waaraan niet te ontsnappen valt. Pas als je veertig bent, komt het goed.
André Waardenburg
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie