Home

Een vlugge koffie to go, een afgezonderd terras en boodschappen laten bezorgen – de ‘gepolijste stad’ bevordert ongelijkheid, zegt deze hoogleraar

Femke Kaulingfreks | bijzonder hoogleraar grootstedelijke vraagstukken Sociaaleconomische klassen ontmoeten elkaar weinig in de stad. Volgens bijzonder hoogleraar Femke Kaulingfreks vraagt dat om meer tussenruimtes. „Bijvoorbeeld vrijplaatsen aan de rafelranden of buurthuizen, waar diverse groepen elkaar spontaan kunnen ontmoeten.”

Steden hebben ‘rimpels’ nodig, zegt hoogleraar Femke Kaulingfreks.

CV Femke Kaulingfreks

Sinds 2023 is prof. dr. Femke Kaulingfreks (45) bijzonder hoogleraar grootstedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam op de Wibautleerstoel. Ze was lector jeugd en samenleving aan de Hogeschool Inholland. Kaulingfreks deed eerder onder meer onderzoek naar de politieke betekenis van rellen en openbare ordeverstoringen door jongeren. Ze is getrouwd en heeft een zoon.

Snel een koffie to go halen, dacht Femke Kaulingfreks (45) laatst toen ze zich naar een volgende afspraak haastte, een werkontmoeting in een Amsterdams buurthuis. Eenmaal in het buurthuis, waar een straatveegploeg filterkoffie dronk met oudere buurtbewoners, keek de man achter de bar gek op van haar „koffie van een hippe tent”. Ze kon hier toch gewoon een bakkie doen?

Het voorval is volgens Kaulingfreks, bijzonder hoogleraar grootstedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam, tekenend voor de dynamiek van het stadse leven. Tijd moet je optimaliseren, sociale wrijving wegnemen. Snel met de elektrische fiets naar het werk, boodschappen laten bezorgen, die vlugge afhaalkoffie.

Ze noemt het „de gepolijste stad”, naar het boek Smooth City (2023) van architectuurcriticus en stadsonderzoeker René Boer. Oneffenheden werden gladgestreken om soepel door de stad te kunnen bewegen. In zo’n stad is volgens Kaulingfreks „een dominante norm ontstaan die bepaalt hoe het aangename leven eruit moet zien”. Die norm is vooral „individueel ingesteld en gericht op sociale status, geld verdienen en uitgeven”.

Zo krijg je volgens haar een stad waar mensen naar plekken gaan waar anderen op henzelf lijken. En de lokale buurtwinkel is ingeruild voor online eten bestellen. Pleinen raken gevuld met commerciële terrassen, die weinig ruimte laten voor „onvoorspelbare ontmoetingen tussen mensen uit verschillende sociaaleconomische klassen”. De flitsbezorgers en schoonmakers wonen niet meer in de buurt van de mensen die van hun diensten gebruikmaken.

Dat is problematisch, vindt Kaulingfreks. Ze houdt zich bezig met „allerlei grootstedelijke vraagstukken”, maar die hebben „in de basis” allemaal met ongelijkheid te maken. Die ongelijkheid is al groot en neemt ook toe, zo blijkt onder meer uit het De Staat van de Stad Amsterdam-rapport van vorig jaar. Ongelijkheid komt volgens Kaulingfreks in alle Nederlandse steden voor, die allemaal kwetsbare wijken hebben.

Buurthuis de Bol in Amsterdam-Noord.

Die ongelijkheid komt doordat de stad is gepolijst?

„Het is een optelsom. Deels is het neoliberaal beleid, waarbij is ingezet op individuele zelfredzaamheid in plaats van collectieve voorzieningen. Daardoor is de ongelijkheid gegroeid: mensen uit kwetsbare gebieden konden niet hetzelfde welzijnsniveau bereiken als degenen met meer kansen en privileges.

„Maar de gepolijste stad is niet bewust gecreëerd. Het heeft met politieke keuzes én economische ontwikkelingen te maken. In nieuwbouwwijken zijn de huizen, grond en winkelruimtes nu zo duur dat daar alleen bepaalde mensen en voorzieningen, als een Starbucks, terechtkunnen. Die eenvormigheid is veel makkelijker te realiseren dan diversiteit.”

Je kunt ook stellen dat in een behoefte van stedelingen wordt voorzien.

„Je kijkt dan naar één gedeelte van de stadsbewoners en doet alsof datgene wat zij belangrijk vinden voor iedereen geldt. Het gaat bijvoorbeeld ook over gelijke toegang tot voorzieningen waar mensen met meer en minder geld elkaar kunnen ontmoeten: een koffie moet voor iedereen betaalbaar blijven. Of over gelijke toegang van de openbare ruimte: vrouwen voelen zich op straat onveiliger dan mannen.

„En het gaat om smaak. Wat een bepaalde groep mooi of prettig vindt, is niet voor iedereen zo. En door van één beeld uit te gaan, verlies je de inherente stadse meerstemmigheid en veelkleurigheid. Terwijl diversiteit onderdeel is van het stedelijk leven.”

Slaat dat de stadse verhoudingen niet plat? Je hebt toch niet alleen ‘winnaars’ in het centrum en ‘verliezers’ in buitenwijken?

„Het klassenverschil loopt door elk deel van elke stad. De norm van maatschappelijk succes is door de hele stad aanwezig: iedereen loopt tegen kwetsbaarheden aan in het leven, ongeacht of je als ‘winnaar’ of ‘verliezer’ wordt gezien. Daar bezien we nu te eenzijdig. We moeten juist kijken naar wat tussen afzonderlijke gemeenschappen gebeurt en hoe ze elkaar kunnen helpen.”

In uw oratie noemt u ’tussenruimtes’, die „openingen [moeten] creëren in het gladde, rimpelloze oppervlak van de gepolijste stad”.

„Dat kunnen fysieke plekken zijn die ontsnappen aan het functionele gebruik van de stad. Of ‘oningevulde’ plekken, of plekken die anders worden gebruikt dan bedoeld. Daar worden dan meerdere werelden samengebracht; mensen kunnen in een tussenruimte loskomen van hun sociale status. Denk aan vrijplaatsen aan de rafelranden, de straat, de snackbar of de avondwinkel, waar groepen elkaar spontaan kunnen ontmoeten. Dit buurthuis [Buurthuis De Bol in Amsterdam-Noord, waar dit interview is afgenomen] is een goed voorbeeld. Vroeger was het een kickboksschool, maar die verdween en toen hebben de buurtbewoners met de gemeente en een welzijnsorganisatie een buurthuis opgezet, waar voor allerlei groepen activiteiten worden georganiseerd.

Hoe helpen tussenruimtes tegen ongelijkheid?

„In Amsterdam-Zuidoost beogen bewoners bijvoorbeeld een grote buurtmoestuin en coöperatieve buurtsuper op te richten, met betaalbaar gezond eten. Mensen die van de norm in de gepolijste stad afwijken, kijken vanuit diversiteit en vindingrijkheid naar de wereld en kunnen oplossingen aandragen voor stedelijke ongelijkheid.”

U bent bekend met tussenruimtes, want al op jonge leeftijd moest u zelfstandig wonen en zat u in een kraakbeweging.

„Klopt. Mijn alleenstaande moeder werd opgenomen in een zorginstelling, ik moest op mijn zestiende op mezelf wonen. Ik zat nog op school en verdiende mijn eigen geld. Ik ben toen gedragen door de stedelijke gemeenschap in De Pijp, door mensen met uiteenlopende achtergronden die naar elkaar omzagen. Ik leerde veel van stedelijke subculturen en sociale bewegingen, zoals de hiphopcultuur en kraakbeweging, die gratis plekken voor cultuur en zorgzame gemeenschappen vormen in buurten waar de overheid minder aanwezig is. Al die stedelijke diversiteit heeft mij gemaakt tot wie ik ben.”

Hoe hebben tussenruimtes u dan gevormd?

„Je vindt met elkaar het stedelijke leven uit. Je beweegt tussen culturen en sociale milieus, wetende dat je de omgeving met elkaar deelt. Dat helpt om te improviseren, om in te tunen met je omgeving. Je gaat niet alleen uit van wat je zelf belangrijk vindt, maar observeert ook: hoe verhoud ik me tot mijn omgeving? Hoe kunnen we elkaar ondersteunen? Dat is zoeken, afstemmen, aanpassen, met het vermogen dat op een open manier te doen en je eigen comfortzone los te laten.”

U heeft het veel over medemenselijkheid. Moeten stedelingen het zelf oplossen?

„Ik ben een beetje sceptisch over het enorme vertrouwen in gemeenschapskracht.”

O?

„Misschien klinkt dat gek, want mijn hele verhaal gaat over de creatieve vernieuwing en solidariteit die voortkomen uit gemeenschapskracht. Maar ik denk dat stedelijke ongelijkheid dusdanig groot is, dat je niet alleen kunt vertrouwen op gemeenschapskracht. Als gelijke toegang tot sociale zekerheid en publieke voorzieningen niet wordt gewaarborgd, laat je de mensen die het meest met bestaansonzekerheid worstelen het meest aan hun lot over. De overheid moet zorgen dat die verschillen worden rechtgetrokken, door te investeren in maatschappelijke voorzieningen, zoals buurthuizen en bibliotheken.”

Heeft de stad niet gewoon meer betaalbare woningen nodig? Anders blijft iedereen alsnog in dezelfde wijk.

„Zeker. Het gaat over gelijke toegang tot basisvoorzieningen in de hele stad. Als je structurele herverdelingsproblemen tussen besteedbaar inkomen en toegang tot huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg niet oplost als overheid, dan los je niets op met ontmoetingsplekken als buurthuizen en bibliotheken. Maar de overheid kan wel meer gebruikmaken van de kennis van mensen die zelf ongelijkheid bestrijden in tussenruimtes.”

Wat kan je als individu doen?

„Toon interesse in stadsgenoten die niet op jou lijken. Breng tijd door op plekken die spontane ontmoetingen mogelijk maken en investeer jouw capaciteiten in je directe omgeving. Doe vrijwilligerswerk in je eigen buurt, geef geld uit bij lokale ondernemers of drink koffie in buurthuizen of bibliotheken. Zo kan je contact maken en ontstaat ruimte om met elkaar mee te leven, respect te hebben voor verschil en waarde toe te voegen aan je buurt.”

Femke Kaulingfreks: „De overheid kan wel meer gebruikmaken van de kennis van mensen die zelf ongelijkheid bestrijden in tussenruimtes.”

Amsterdam

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next