Religie Hoe strookt het grootgrondbezit van de Protestantse Kerk met christelijke waarden als goed rentmeesterschap? In het Friese Reduzum steunt de Hervormde Kerk pachtende boeren in het bevorderen van biodiversiteit. „De theologische inslag speelt ergens op de achtergrond mee.”
De Vincentiuskerk in het Friese Reduzum bezit zo’n 233 hectare landbouwgrond.
Boer Jorrit de Groot loopt in een blauwe overall over het erf van zijn boerderij in Reduzum. „Smalle weegbree, cichorei, maar ook rode, witte, gele klaver en rolklaver”, noemt De Groot (32) op. Het zijn alle kruiden en klaversoorten die hij onlangs heeft gezaaid om zo niet met kunstmest, maar op een natuurlijke wijze zijn landbouwgrond van stikstof te voorzien en de biodiversiteit te bevorderen. 52 hectare is in bezit van De Groot en zijn zus, 14 hectare pachten ze van de kerk in Reduzum.
Gebruikelijk is dat de graslanden door boeren al in mei worden gemaaid. Maar, om weidevogels als de grutto en kieviet een kans te geven om hun eieren uit te broeden, maait De Groot volgens de beheerovereenkomst een deel van zijn land in juni. Hij is een van de acht boeren die meedoen aan het initiatief van de kerk in Reduzum. Die bezit in totaal zo’n 233 hectare grond in en rondom het Friese dorp.
Het is een fractie van het totale grondbezit van de kerkelijke instellingen in Nederland, dat zo’n 37.000 hectare bedraagt, blijkt uit recente schattigen van het Kadaster. Hiermee zijn ze gezamenlijk de twee na grootste landbouwgrondbezitters van Nederland. Op de plekken daarboven staan het Rijk en verzekeringsmaatschappij ASR. Het grootste deel van het kerkelijke grondbezit is van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), ten gevolge van de Reformatie, toen protestanten de katholieke gronden in handen kregen.
De kerkelijke gronden worden verpacht aan boeren die er voor een aantal jaren – dat hangt af van het type pachtcontract – het land kunnen gebruiken. Gezien de stijging van de grondprijzen is het bezit van grond voor kerken een veilige inkomstenbron. Kerkbanken raken steeds leger, maar de predikanten, kerkgebouwen én de armenzorg moeten nog wel betaald worden.
Maar het grootgrondbezit van de kerken roept bij sommige christenen de vraag op of de omgang met de gronden wel strookt met de christelijke waarden. Zo is in het Nieuwe Testament te lezen dat christenen voor volgende generaties verantwoord moeten omgaan met de schepping van God, ook wel bekend als ‘goed rentmeesterschap’. Lukt dat ook, nu er steeds meer discussie is over de hoeveelheid monotone, weinig biodiverse landbouwgronden in Nederland?
Niet alleen de PKN houdt zich bezig met het vraagstuk, grootgrondbezitter ASR kondigde deze maand aan pachtende boeren een heuse korting te geven op de pacht, wanneer deze omschakelen naar biologisch of regeneratief. De eerste tweeënhalf jaar hoeven deze boeren geen pacht te betalen aan de verzekeraar.
Onder leiding van theoloog Mirella Klomp begon de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) in Utrecht het project ‘Grond’, waarin ze de relatie van het kerkelijk grondbezit en geloof onderzoekt. Uit gesprekken met tientallen gemeenten en parochies blijkt dat een groot aantal een duurzame omgang met grond niet of nauwelijks als theologisch vraagstuk ziet. Het overgrote deel ziet de gronden voornamelijk als een belegging. Zo verdient de kerk uit Reduzum met de 233 hectare aan grond jaarlijks 200.000 euro.
Jorrit de Groot op z’n biologische boerderij in Reduzum.
De Groot heeft samen met zijn zus zo’n twee jaar geleden het melkveebedrijf van zijn ouders overgenomen, vertelt hij aan de keukentafel. In 2021 zijn ze, toen nog werkzaam in het bedrijf van hun ouders, omgeschakeld naar biologisch boeren.
Op het moment van overname was het nog even spannend voor broer en zus De Groot of hun plan van biologisch boeren wel door kon gaan. Het pachtcontract van 25 jaar bij de kerk liep namelijk in een paar jaar af, terwijl zij het bedrijf, mét alle grond, wilden overnemen. „De veertien hectare grond is heel belangrijk voor ons, want zonder voldoende land heeft biologisch boeren geen toekomst.” Het bedrijf zou dan niet rendabel genoeg zijn.
Broer en zus De Groot, die zelf niet christelijk zijn, schreven een brief aan de kerk met de vraag of ze de garantie konden krijgen dat het pachtcontract hernieuwd werd. „Het is wel gebruikelijk dat een pachtcontract verlengd wordt, maar het was tóch een beetje spannend voor ons. Zonder die grond was het einde oefening.” De kerk keurde het voorstel goed, zonder substantiële prijsverhoging. „Ze hadden de ingangsdatum van het nieuwe pachtcontract zelfs met een jaar vervroegd.”
De onderzoekers van de Protestantse Theologische Universiteit zien hoe er een kloof is ontstaan tussen de grond en het geloof. „In de Bijbel zijn het geloof in God en de omgang met de materiële werkelijkheid met elkaar verweven. Het lijkt erop dat christenen in de westerse samenlevingen de vaardigheid verliezen om geloof en materie te verbinden”, vertelt theoloog Klomp. Er zijn uitzonderingen, zoals in Reduzum, maar het grootste deel van de kerkbesturen houdt zich hier niet mee bezig.
Dat komt volgens Klomp deels doordat kerken boeren niet in de weg willen zitten, zeker in een tijd van stikstofcrisis waarin veel boerenbedrijven onder druk staan door allerlei wetten en regelgeving. Een andere reden is dat veel kerkbesturen weinig expertise hebben op het gebied van pachtwetgeving of er geen tijd voor hebben: het is immers vrijwilligerswerk.
Daarom vertrouwen de meeste kerken het beheer van hun gronden toe aan zogenoemde rentmeesterkantoren. Deze adviseren de verpachters, stellen pachtcontracten op, controleren of de pacht wordt betaald en onderhouden contact met de boeren. „Wat kerkbesturen soms niet in de gaten hebben, is dat ze als opdrachtgever zélf kunnen aangeven wat zij belangrijk vinden wat er met hun grond gebeurt”, aldus Klomp. „Maar die mogelijkheid zien ze niet altijd en duurzame opties worden door rentmeesters ook niet altijd aangereikt.”
Kerkbestuurder Siep van Lingen.
Bij de ingang van de hervormde kerk in het Friese Reduzum liggen vijfenveertig christelijke liedboeken te verstoffen – eenentwintig in het Fries, vierentwintig in het Nederlands. Het dorp telt zo’n twintig actieve christenen, op duizend inwoners.
Erg weinig, weet gepensioneerd kerkbestuurder Siep van Lingen (72) terwijl hij door de hagelwit geverfde kerk loopt. Drie jaar geleden besloot het kerkbestuur van Reduzum te stoppen met een vaste predikant. Een halfjaar later ook met de wekelijkse zondagdiensten. Sinds begin dit jaar is de kerk weer met maandelijkse diensten gestart.
Met moeite behield de kerk genoeg bestuurders. Van Lingen – met zijn felrode sportieve jas nog aan – telt op zijn vingers. Minimaal zes bestuursleden, nog drie kerkrentmeesters die de landerijen beheren én drie diakenen. „Het was de afgelopen jaren schrapen om mensen erbij te krijgen, maar het is net gelukt. Het hoofddoel is de teloorgang van de kerk tegen te gaan.”
Want de populariteit van de hervormde kerk in Reduzum mag dan tanende zijn, zij bezit nog wel eeuwenoude kostbare gronden. De inkomsten uit de 233 hectare aan landbouwgrond van de kerk maakt de kerk een van de rijkste gemeenten van Friesland, zegt Van Lingen. Hij beheerde meer dan tien jaar de landbouwgronden van de kerk, waaronder de landbouwgrond van de broer en zus De Groot.
Een weiland van de biologische boer Jorrit de Groot. Rechts: een kerk van in het Friese Reduzum.
De kerk in Reduzum geeft sinds 2019 subsidies aan acht boeren om hen te helpen verduurzamen. Ze krijgen een vergoeding voor het later maaien in het jaar, of voor het vrijhouden van stroken land om zo vogel- en andere diersoorten de ruimte te geven. Zo’n 25.000 euro maakt de kerk jaarlijks vrij om het gemiste rendement van de acht boeren op te vangen.
Het project ontstond toen de overschotten op de begroting alsmaar bleven oplopen. „We schaamden ons er een beetje voor. Je kunt als kerk niet eindeloos gaan potten”, vertelt Van Lingen terwijl hij op een houten kerkstoeltje zit. Omdat het dorp volgens Van Lingen al „erg energiebewust” is, kwam het idee van duurzaam grondbeheer op.
De theologische inslag van het duurzame grondbeheer speelt volgens Van Lingen „ergens op de achtergrond mee. De inwoners, onder wie ik, zijn hier niet theologisch onderlegd, dus het is moeilijk om vanuit de Bijbel boeren hierop aan te spreken.”
Daarnaast vindt Van Lingen het „een heel makkelijke kreet” om te zeggen dat ze met de schepping van God bezig zijn. „Wat heeft God ermee te maken of je nou een benzineauto of een elektrische auto gaat aanschaffen? Dat vind ik vaak toch een beetje een gekunstelde redenering. Ik denk dat wij veel praktischer ingesteld zijn dan dat”, aldus Van Lingen.
In het Nieuwe Testament komt het woord ‘rentmeester’ al voor, waarbij een goede rentmeesterwordt gezien als iemand die het huishouden of bedrijf in zijn beheer zorgvuldig onderhoudt. Maar het was Johannes Calvijn, grondlegger van het calvinisme, die de term in de zestiende eeuw onder protestanten populair maakte. De mens heeft de aarde in bruikleen, schreef hij, en die moet die ongeschonden doorgeven aan zijn (klein)kinderen.
Door een meer economische invulling van het begrip konden kapitalisme en protestantisme hand in hand gaan, ziet Gijsbert van den Brink, theoloog aan de Vrije Universiteit Amsterdam. „Daarom kunnen ook christelijke Texaanse oliebaronnen in hun eigen ogen beweren dat ze goede rentmeesters zijn”, aldus Van den Brink.
Vanaf de twintigste eeuw werden de schaduwkanten van die benadering zichtbaar. „De aarde kan het niet meer aan, de voorraden raken op”, aldus theoloog Van den Brink. Daarom pleit hij, net zoals theoloog Klomp, voor een andere invulling van ‘goed rentmeesterschap’: een waarbij de mens niet zozeer boven de natuur staat, maar er deel van uitmaakt. De mens is zorgdrager van de schepping, niet de uitbuiter ervan.
Van den Brink zag hoe tot voor kort kerkbesturen voornamelijk volgens de economische benadering hun landen bezitten: om de financiën van de kerk zo gezond mogelijk te houden voor toekomstige generaties. Nu is dat nog steeds zo, maar Van den Brink ziet ook een omslag. Confessionele partijen als CDA en ChristenUnie doen graag een beroep op ‘goed rentmeesterschap’ in hun verkiezingsprogramma’s en verbinden dit onder meer aan het bestrijden van klimaatverandering. „Ook kerkbesturen zijn zich steeds meer bewust dat zij hun steentje kunnen bijdragen om de aarde te beschermen”, aldus Van den Brink.
Eenzelfde houding van kerkbesturen zou volgens boer De Groot een goede stap zijn om het thema duurzaamheid bij pachters meer onder de aandacht te brengen. „Als op twee na grootste landbouwgrondbezitter van Nederland zou het iets heel moois zijn dat het gedachtegoed meer zou kunnen leven binnen de kerken. Dat kan zijn dat je als kerkbestuur boeren praktische stappen aanreikt, zoals de regeling bij de kerk in Reduzum, om te verduurzamen”, vertelt De Groot.
Jorrit de Groot op diens biologische boerderij.
Om die praktische handreiking te bieden aan kerken, of zoals Klomp het noemt: „een theologische gids”, werken de onderzoekers van de PThU aan het formuleren van „bouwstenen voor beleid” die kerkbesturen mogelijkheden bieden om in de eigen lokale situatie goed voor hun gronden te zorgen. Over zo’n tweeënhalf jaar moet het project af zijn. „Het zijn niet zomaar tips, dat is te eenvoudig”, zegt Klomp. „Het is makkelijker als kerkgenootschappen tegen lokale parochies en gemeenten zeggen: ‘dit is de nieuwe set regels, hier moeten jullie allemaal aan voldoen’, maar dat betekent niet dat het in de praktijk ook draagvlak heeft.”
Een belangrijke kanttekening die Klomp plaatst: „We moeten altijd voorzichtig zijn met het spreken over ‘de’ kerk. Iedere kerk is zélf eigenaar van de grond. Ze besluiten zelf hoe ze ermee omgaan. Maar als er toch een beweging op gang komt, kan de impact best fors zijn. En, het klinkt heel Bijbels om dit te zeggen: al gaat het om maar één hectare grond, dan nog is het de moeite.”