De moordcijfers dalen, maar niet voor vrouwen. Het aantal vrouwelijke slachtoffers blijft nagenoeg gelijk, of schommelt jaarlijks een beetje. Preventie begint veel eerder, nog voordat de rode vlaggen zichtbaar worden.
Ik zag lotgenoten van me in een hartverscheurend filmpje. Nabestaanden die voor de camera vertelden wat zij achteraf anders hadden kunnen doen, als ze toen hadden geweten hoe dichtbij de dood van hun dierbare was. Het was onderdeel van de nieuwe overheidscampagne die mensen wil waarschuwen voor rode vlaggen in ongezonde, gewelddadige liefdesrelaties tussen een man en een vrouw.
Hoe moedig ik het ook vond van de nabestaanden om, ondanks het verdriet en de pijn, hun verhaal te vertellen en te delen wat zij met de waardevolle kennis van nu anders zouden doen, kreeg ik toch een ongemakkelijk gevoel door de campagne.
Over de auteur
Naomi Inez Wielinga is muziekdocent en theatermaker.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Want opnieuw ligt de nadruk op wat (secundaire) slachtoffers anders hadden kunnen doen. Welke signalen er zijn gemist en welke app je met de kennis van nu niet verstuurd zou hebben. Maar daar als nabestaande eindeloos op terugkijken is iets wat je al als zwaar lot met je meedraagt.
Met de ‘wat als’-vraag heb ik jarenlang geworsteld na de moord op mijn moeder. Ik ervaar het zelf als pijnlijk wanneer we juist deze vraag voor een camera uitvergroten. Daarmee wil ik niets afdoen aan de waarde van kennis over rode vlaggen binnen een intieme relatie. Die kennis kan levens redden.
Maar wanneer we vooral zichtbaar maken wat een slachtoffer of nabestaande achteraf anders had kunnen doen, dreigt de focus opnieuw te verschuiven naar de vraag wat diegene had moeten zien, herkennen of voorkomen, terwijl we ons wat mij betreft veel meer moeten afvragen waarom iemand überhaupt tot zo'n daad komt. Welke ideeën, patronen en omstandigheden maken dit geweld mogelijk? En wat kunnen wij als samenleving doen om het te voorkomen, nog voordat er sprake is van een rode vlag?
Toen ik mijn moeder verloor in 1996, was er geen aandacht voor nabestaanden. Onze stem bestond eenvoudigweg niet. Anno 2026 is dat gelukkig anders. En dat is belangrijk en waardevol.
In de groep nabestaanden die ik in de afgelopen jaren heb leren kennen, zit ontzettend veel kennis, ervaringsdeskundigheid en maatschappelijke betrokkenheid. Anders dan soms wordt gedacht, zijn deze mensen niet uit op vergelding. Ze willen vooral dat hun traumatische verlies een ander bespaard blijft, en daar zetten zij zich onvermoeid voor in.
Na de moord op mijn moeder heb ik jarenlang rondgelopen met een schuld- en schaamtegevoel. Het kostte me vele jaren therapie, ontmoetingen, muziek, het schrijven van liedjes en dagboeken voordat ik mezelf langzaam kon bevrijden van het idee dat ik iets over het hoofd had gezien, dat ik iets had kunnen doen of iets had kunnen voorkomen. Pas daarna kon ik werkelijk beginnen met rouwen om haar verlies.
Bij een onnatuurlijke dood blijft je hoofd scenario’s produceren. Het liefst wil jouw hoofd de geschiedenis wegwissen, omdat deze te gruwelijk is om te dragen voor je, in plaats van te accepteren dat je machteloos was. Mijn moeder werd niet gedood binnen een partner- of ex-partnercontext, maar wel met gendergerelateerde motieven.
Daarom vind ik het belangrijk om dit debat breder te voeren. Dat we niet alleen stilstaan bij rode vlaggen die wel of niet zijn gezien, maar ook bij de vragen: welke ideeën over vrouwen en mannen maken gendergerelateerd geweld mogelijk? Welke gedragingen normaliseren we door weg te kijken en niet in te grijpen? Waarom investeren we zo weinig in plekken waar jongens en jonge mannen leren praten over gevoelens, kwetsbaarheid, afwijzing, eenzaamheid, trauma, schaamte en pijn?
Waarom investeren we zo weinig in muziek, filosofie, theater op scholen of in traumasensitief onderwijs? We weten allang dat muziek maken en samen creëren het empathisch vermogen vergroten en stress verlagen, wat indirect weer bijdraagt aan minder agressie en meer verbinding in de maatschappij. Want femicide, of beter gezegd gendergerelateerde vrouwenmoord, is een veel groter en gelaagder mondiaal probleem dan alleen partner- of ex-partnergeweld.
Partnergeweld is een belangrijk deel, maar er zijn ook andere vormen van gendergerelateerd dodelijk geweld, zoals familiale femicide, waar eergerelateerd geweld onder valt, seksuele femicide of 'vicarious femicide'; daarvoor bestaat nog geen Nederlandse term: dat is geweld waarbij bijvoorbeeld kinderen of andere dierbaren worden gedood om een vrouw die men werkelijk wil treffen een levenslang trauma mee te geven.
Direct na de overheidscampagne over femicide las ik de volgende dag dat de moordcijfers flink waren gedaald. Dat is natuurlijk goed nieuws, maar ook hier mis ik een nuance. De daling gaat vooral over het aantal mannelijke slachtoffers. Het aantal vrouwelijke slachtoffers blijft nagenoeg gelijk of schommelt jaarlijks een beetje, maar te weinig om te spreken van een duidelijke daling.
Dus ja, het aantal moorden daalt, maar het betekent niet dat we achterover kunnen leunen. Iedere moord is een moord te veel en preventie begint veel eerder, nog voordat de rode vlaggen zichtbaar worden. Als we ons daarop richten, hoeven we nabestaanden niet voor de camera te bepleiten wat ze achteraf over het hoofd hebben gezien.
De samenleving moet vooraf bedenken wat wij onze kinderen kunnen leren en meegeven.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant