Home

De twee kanten van nacrostaat Nederland: miljarden tegen drugscriminaliteit, maar de vraag blijft stijgen

Drugscriminaliteit In Overasselt werd ‘narcostaat Nederland’ afgelopen dinsdag weer genadeloos zichtbaar. Alleen al in 2025 kampten de regionale teams tegen ondermijnende criminaliteit met 1.200 ‘casussen’. Wat heeft de strijd tegen ondermijning de laatste jaren opgeleverd?

De Mobiele Eenheid van de politie doet op woensdag 2 september onderzoek in een weiland in Overasselt.

Een festival op Vlieland, vorige week zaterdag. Terwijl het publiek meedeint met de olijke beats die vanaf het podium klinken, ritst een vrouw haar heuptasje open. Zij en een vriendin steken er allebei hun pink in, halen die eruit met een witte substantie erop en likken ’m af. Het spul is MDMA, een in de uitgaansscene populaire synthetische drug die een euforisch gevoel geeft. Niemand slaat er veel acht op – zoals er in delen van de samenleving ook niet opgekeken wordt als iemand op een werkborrel, in een voetbalstadion of op een vrije avond thuis wat cocaïne snuift.

Dat is de ene kant van ‘narcostaat Nederland’. De andere was dinsdag in de vroege morgen zichtbaar in Overasselt, het Gelderse dorpje ten zuidwesten van Nijmegen waar zeker dertig mannen, van wie sommigen zwaarbewapend, naar het huis van een vermeende drugscrimineel trokken.

Het machtsvertoon was ongekend qua omvang – de politie pakte in het etmaal erna 34 verdachten op – maar, benadrukten experts, toch ook weer niet nieuw. Terwijl Nederland sinds begin deze eeuw een steeds prominentere rol ging spelen in de internationale cocaïnehandel, deden ook ‘nieuwe’ brute vormen van geweld hun intrede: liquidaties, waaronder vergismoorden en, bij een strafzaak, martelcontainers, een onthoofding en ontelbaar veel explosies.

Onderwereld en bovenwereld raakten verweven via winkels en bedrijven die drugsgeld witwassen en doordat criminelen via corruptie doordrongen tot de havens, politie en gemeenten. Jongeren, soms amper begonnen op de middelbare school, werden als ‘soldaat’ geworven om ‘klusjes’ op te knappen – een bommetje hier, een liquidatie daar.

Daartegenover zette de overheid het afgelopen decennium miljarden euro’s voor misdaadbestrijding. Heeft dat zin gehad, als op zomaar een dinsdagochtend in een stil dorp tientallen mannen zulk geweld plegen? En kán de overheid de criminaliteit die met drugshandel gepaard gaat wel bestrijden, als drugsgebruik in grote delen van de samenleving genormaliseerd is?

Mislukt interventieteam

Ferd Grapperhaus was net minister van Justitie en Veiligheid toen hij in 2018 op een congres over de bestrijding van ondermijnende criminaliteit het Beatles-nummer ‘We Can Work It Out’ aanhaalde. Overheidsorganisaties, zei hij, moesten véél meer gaan samenwerken om die criminaliteit te bestrijden. Een jaar later begon hij op hetzelfde congres over een ander Beatles-nummer: „Dames en heren, het is een ‘Long and Winding Road’.”

Welk nummer zou hij nu gebruiken? Hij denkt even na en appt minuten nadat hij heeft opgehangen: ‘Come Together’. Misdaadbestrijding wordt „alleen een succes”, schrijft hij, als er minder getolereerd wordt en beter wordt samengewerkt door alle diensten. Want Grapperhaus zag in de laatste jaren van zijn ministerschap (2017-’22) de aandacht voor die bestrijding „wegebben”. Tijdens begrotingsonderhandelingen „zag ik hoe het kaas van mijn brood gegeten werd, omdat er meer geld naar stikstof moest”.

Het ‘Multidisciplinair Interventie Team’, dat hij na de moord op advocaat Derk Wiersum aankondigde, mislukte. Wat het Nederlandse equivalent van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration moest worden, kostte zo’n 160 miljoen euro en ging aan interne strijd ten onder; in 2022 werd het door Grapperhaus’ opvolger Dilan Yesilgöz opgeheven, nog voordat het team een crimineel gearresteerd had. Ridouan Taghi was door een ander team vastgezet, Bolle Jos nog amper in beeld en in jaren van de coronapandemie, de oorlog in Oekraïne, stikstofcrisis en stijgende inflatie verslapte de aandacht.

Geld dat onder meer bedoeld was voor preventie en investeringen in de wijken waaruit kwetsbare jongeren gerekruteerd werden door criminele bendes, verdampte. En opsporingsdiensten kampen nog steeds met tekorten aan mensen.

Tien jaar geleden groeiden de urgentie en daarmee de financiële middelen juist. Na decennia waarin, deels door het trauma van de IRT-affaire, de bestrijding van drugscriminaliteit verwaarloosd was, werd Nederland met het geweld in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt en de daarop volgende oorlog in de mocromaffia wakker geschud.

Ondermijningsfonds

Het derde kabinet-Rutte (2017-’21) bond de strijd aan met de georganiseerde drugscriminaliteit. Regionale teams kregen meer geld uit het ‘ondermijningsfonds’, een potje van 100 miljoen euro. Zij moesten daarmee niet alleen de zichtbare criminaliteit aanpakken, maar vooral ook de verwevenheid van boven- en onderwereld – de witwaszaakjes, het rekruteren van jongeren, de smokkel. Sinds 2018 nam het extra budget voor de aanpak van ondermijning toe van 8,5 miljoen euro per jaar naar meer dan 700 miljoen euro, becijferde de Algemene Rekenkamer in 2024.

Maar had dat geld ook effect? De Rekenkamer onderzocht het, maar kon het niet achterhalen. Dat gold onder meer voor de miljoenen die naar kleine havens en bloemenveilingen gingen om drugssmokkel tegen te gaan. Ook bij de bestrijding van witwassen constateerde de Rekenkamer dat niet duidelijk werd in hoeverre extra investeringen in de aanpak daadwerkelijk tot minder witwassen leidden.

Tot grote verbazing van criminoloog Cyrille Fijnaut is überhaupt nooit onderzocht of het Nederlandse drugsbestrijdingsbeleid werkt – hij werkt nu zelf aan een boek over de ontwikkeling van de bestrijding van zware misdaad in Nederland sinds de jaren zestig. „We weten”, zegt hij, „niet veel over hoe het beleid uitpakte en welk effect het had op zowel de import als distributie van cocaïne.”

Volgens Fijnaut wordt vooral gekeken naar de hoeveel mensen zijn aangehouden en hoeveel kilo’s cocaïne worden onderschept. Veel minder duidelijk is wat de effecten zijn: of al die extra middelen, mankracht en maatregelen de georganiseerde drugscriminaliteit uiteindelijk daadwerkelijk kleiner, minder winstgevend of minder gewelddadig hebben gemaakt.

Maar dat betekent niet dat het geld géén effect had, benadrukken hij en Grapperhaus. „Ik ben ervan overtuigd dat als we niets gedaan hadden, het een ramp was geworden”, zegt de oud-minister. In het jaaroverzicht van de regionale teams die ondermijning aanpakken, is te zien hoe omvangrijk en lokaal die aanpak inmiddels is. In 2025 behandelden de teams ruim 1.200 ‘casussen’; van een Rotterdamse familie die miljoenen euro’s witwast tot een ogenschijnlijk sociale ondernemer in Oost-Nederland die zegt kwetsbare jongeren een baan te geven, maar eigenlijk een schakel blijkt „in een breder ondermijnend netwerk”. Het zijn kleine radertjes in de mondiale drugseconomie, die verweven zijn met de alledaagse samenleving.

Leden van een opsporingsteam van de douane in de Rotterdamse haven.

Concreet succes

Eén concreet succes is zichtbaar in de Rotterdamse haven, zegt Fijnaut. Die haven groeide sinds het begin van de eeuw uit tot belangrijk schakelpunt in de internationale cokehandel. Maar door betere beveiliging komt daar inmiddels minder binnen; vorig jaar werd er nog ‘maar’ 11.466 kilo cocaïne in beslag genomen. Dat was de kleinste hoeveelheid sinds 2017 en zo’n zeven keer minder dan in recordjaar 2021.

Maar dat de groothandelprijs van blokken cocaïne is gedaald, wijst erop dat de invoer naar Europa geenszins is gekrompen. En, anders gezegd, dat de vraag van gebruikers eerder groeit dan krimpt. Zo’n 400.000 Nederlanders zeggen in het afgelopen jaar cocaïne te hebben gebruikt, blijkt uit cijfers van het CBS over 2025, ruim honderdduizend meer dan in 2016. Campagnes waarin gebruik gekoppeld wordt aan geweld, lijken weinig uitgehaald te hebben. Hoe kansrijk is de strijd tegen drugscriminelen als het gebruik van de drugs die zij invoeren zo genormaliseerd is?

Die groep wordt bediend door een criminele industrie, waarin jongeren snel kunnen wegglijden. In de nieuwe NPO-serie Drugsdelta was woensdag ook het begin van de keten te zien: cocaboeren die de cocabladeren met onder meer benzine verwerken tot cocaïne, wetende dat ze door het inhaleren van chemische stoffen eerder zullen sterven.

De drugs die zij produceren geraken nog altijd in Europa, maar dan via nieuwe smokkelmethodes waarbij de drugs met speedboten in Spanje en Portugal aan land komen. Met vrachtwagens wordt een fors deel van die cocaïne vervolgens naar Nederland gereden, dat nog steeds fungeert als distributieland voor de Europese cocaïnehandel. En precies in zo’n transport zou de kiem van het geweld van deze week hebben gelegen: ergens op de route zou een lading van zo’n tweeduizend kilo cocaïne verdwenen zijn. Degene die daarvoor verantwoordelijk gehouden werd, woonde aan een stil boerenweggetje in Overasselt.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next