Voor de multidisciplinaire kunstenaar Caroline Monnet is haar stem haar belangrijkste instrument. Als inheemse Canadees, generaties lang naar de marges van de samenleving verdreven, staat die voor haar gelijk aan aanwezigheid.
is schrijver en illustrator.
‘Nchi-nendan omaa ayaan noongom’ – ‘Ik ben blij hier vandaag te zijn’, verwelkomt Caroline Monnet (41) in het Ojibwe het gezelschap dat naar de opening van haar tentoonstelling in Museum Arnhem tijdens de State of Fashion Biënnale is komen kijken. Haar stem klinkt zacht, maar uit haar blik spreekt urgentie. De multidisciplinaire kunstenaar van Anishinaabe en Franse afkomst, oorspronkelijk uit de Canadese regio Outaouais in het zuidwesten van de provincie Québec, heeft deze ochtend een boodschap. ‘We zijn niet langer een traditionele stam. We leven in deze maatschappij. We willen niet in de marge leven. We hebben vaardigheden; we maken sneeuwschoenen, wolkenkrabbers, kano’s. We beschikken over belangrijke kennis en we hebben gevoel voor stijl.’
Na afloop van haar openingswoorden drinkt Monnet van haar koffie in het museumrestaurant. Voor het interview heeft ze al nagedacht over haar tips. Ze klinkt vastberaden, ze weet wat ze wil vertellen, daarvan heeft ze haar werk gemaakt. Het volk van haar moeder, de Anishinaabe, wordt gerekend tot een van de ruim zeshonderd erkende inheemse volkeren die Canada telt. Generaties lang zijn deze volkeren in Canada systematisch naar de marge van de samenleving verdreven.
Met haar werk dwingt Monnet niet alleen af dat mensen kennisnemen van de diepgewortelde impact van deze inktzwarte geschiedenis, ook brengt ze er nieuw leven in. Ze is een invloedrijke stem binnen de hedendaagse kunst. Haar werk wordt wereldwijd vertoond op gerenommeerde filmfestivals en in musea, maar ook in het Maison de l’Unesco, het Unesco-hoofdkantoor in Parijs.
Monnet behaalde diploma’s in sociologie en communicatie aan de universiteit van Ottawa en de universiteit van Granada, in Spanje. Kunst kwam pas gaandeweg op haar pad, toen ze creatieve mensen ontmoette en ze Alanis Obomsawin als inspiratiebron ontdekte – een filmmaker, zangeres en activist van Abenaki-komaf, wier werk gaat over de cultuur van inheemse volken in Canada.
Haar sociologische blik kwam goed van pas. ‘Mijn eerste korte film maken was een openbaring. Ik had iets gevonden dat me zelfvertrouwen gaf, een stem. Sociologie en kunst hebben voor mij belangrijke raakvlakken. In beide rollen, als socioloog en als kunstenaar, objectiveer je de wereld om je heen. Mijn werk ontstaat altijd uit sociale betrokkenheid.’
Het in Nijmegen gevestigde WereldLab, de experimentele tak van het Nationaal Museum van Wereldculturen, dat als toekomstig doel heeft een wereldmuseum in Nijmegen te vestigen, nodigde Monnet uit voor een onderzoek naar artefacten afkomstig van haar volk. Twee maanden verbleef Monnet als artist in residence in het Besiendershuis in Nijmegen. In het museumdepot bestudeerde ze voorwerpen die het leven en de ziel van haar voorouders in zich dragen, zoals verenhouders, kralenwerk, weefwerk en een medicijntas. ‘Voor mij is het emotioneel om die voorwerpen te zien, opgeborgen in een depot.’
Thuis werd er weinig gesproken over de familiegeschiedenis van haar moeders kant. ‘Mijn opa stamt uit een tijd dat Anishinaabe-kinderen bij hun families werden weggehaald om naar kostscholen van de overheid te gaan. Het was de bedoeling om kinderen van die generatie van hun afkomst en cultuur te ontdoen.’
Monnet maakte haar eigen artefact, verwijzend naar de spullen uit het depot. Met moderne bouwmaterialen, aangeschaft in Nijmegen, weefde ze volgens traditionele technieken een jurk.
Het patroon verwijst naar de achtpuntenster, een belangrijk symbool voor de Anishinaabe. De ster vertegenwoordigt de circle of life. Monnet: ‘Het weven van de jurk bracht me terug naar de mensen die dit voor mij gedaan hebben.’
Gevraagd naar wat zij als multidisciplinair kunstenaar met de wereld als haar werkdomein als belangrijkste instrument ziet: ‘Mijn belangrijkste instrument is mijn stem. Mijn stem betekent aanwezigheid, ik kan mezelf ermee uiten. Dat is niet iets om voor lief te nemen, zeker niet in de wereld van vandaag. Ik identificeer me met mijn volk en dat is een politieke keuze. Het vraagt om een grote verantwoordelijkheid, en ik zie het als mijn taak dit op me te nemen.’
‘Inspiratie vind ik overal, in architectuur, in kunst, op Instagram. Maar moderne dans brengt me het meest in vervoering. Hoe een concept met muziek, licht en het visuele tot beweging wordt gebracht, trekt mij aan. Pina Bausch is mijn lievelingschoreograaf, maar het gaat mij vooral om wat er in de zaal gebeurt bij een voorstelling. Je zit daar te kijken naar het licht, de schaduwen, de energie, het ritme, de kwetsbaarheid van de dansers, maar het beweegt allemaal óók in jou. Dat maakt het interessant.’
‘Kunst die alleen maar mooi is, zegt me niet veel. Liever heb ik dat kunst onze ogen opent en iets bijdraagt aan de wereld van nu. Ik bezocht de solotentoonstelling van Kent Monkman in het Museum voor Schone Kunsten in Montréal. Ik vind hem een buitengewoon schilder en hij maakt ook installaties en video’s. Monkman speelt met het eurocentrische en koloniale perspectief. Hij gebruikt klassieke 19de-eeuwse schilderstijlen om pijnlijke historische feiten zichtbaar te maken. Op deze manier stelt hij vragen bij de traditionele kunstgeschiedenis en brengt hij historische verhalen in verband met actuele problemen, zoals de marginalisering van inheemse vrouwen, de klimaatcrisis, queer geschiedenis en de impact van overheden op inheemse gemeenschappen. Zijn solotentoonstelling was een succes. Bezoekers zeiden dat ze met andere inzichten naar buiten kwamen. Goede kunst doet iets met je. Ik vind het belangrijk dat men zijn werk ook buiten Canada leert kennen.’
‘Van alle musea die ik bezocht, is het Eye Filmmuseum in Amsterdam me het meest bijgebleven. In de eerste plaats vanwege de architectuur. De scherpe hoek van het gebouw lijkt van vorm te veranderen, afhankelijk van waar je staat. Maar ook omdat het zeldzaam is, een heel museum dat alleen maar over cinema gaat. Ik was er in 2012. Het was de bedoeling dat ik vanuit IJmuiden naar Canada zou varen op een vrachtschip voor een van mijn videoprojecten. Het schip vervoerde staal en het regende onophoudelijk, waardoor het niet kon vertrekken. Daardoor was ik tien dagen lang gestrand in Amsterdam. Ik bezocht alle musea in de stad, en dus ook Eye. Er was een expositie van Stanley Kubrick die me erg inspireerde.’
‘Dit kunstwerk is gemaakt van brandweerslangen. Ik vind het een belangrijk werk, omdat het iets vertelt over wat helaas nog steeds onze huidige samenleving kenmerkt. Brandweerslangen werden in mei 1963 ingezet door de lokale autoriteiten om de vreedzame demonstraties van de burgerrechtenbeweging met geweld te breken. De waterstraal had zoveel kracht dat-ie mensen liet omvallen of tegen stoepranden en muren smeet. (Beelden hiervan leidden tot nationale en internationale afkeuring en versnelden de politieke druk op de Amerikaanse regering, wat uiteindelijk leidde tot de historische Civil Rights Act, in 1964, red.) Gates’ werk gaat vaker over machtsverschillen in een samenleving. Om de link te leggen tussen de brandslang en de associaties met de burgerrechtenstrijd, moet je als kijker een stapje achteruitzetten. Van een afstand gezien wordt het materiaal bevrijd van zijn beladen associaties. Het is alsof je naar een abstracte compositie kijkt. Ik vind het heel knap hoe Gates met een ogenschijnlijk banaal voorwerp een veelzeggende episode in onze geschiedenis zichtbaar maakt.’
‘Ik kom hier heel graag, niet alleen voor de leukste feestjes, maar vooral om de gedeelde liefde voor de korte film. De korte film is belangrijk. Niet als opmaat voor een speelfilm, maar als kunstvorm op zichzelf. Korte films verhouden zich met speelfilms als poëzie met proza.
Ik zie het als drager van experimenten. Met de korte film kun je een bestaand verhaal of beeld opnieuw vertellen, zoals ik deed in mijn film Mobilize (2015). Voor die film van 3 minuten gebruikte ik archiefmateriaal van de National Film Board of Canada. Ik wilde de voortdurende wisselwerking tussen het traditionele en het moderne laten zien. Voor mij betekende deze film de opstap in wat ik nu nog steeds doe; de geschiedenis opnieuw laten zien door een hedendaagse lens.’
‘Ik houd van al hun albums, maar nog het meest van het eerste. Er zijn tijden dat ik het telekns op repeat zet. Ik hoorde het voor het eerst in mijn tienerjaren, thuis. Het album geeft perfect weer wat ik voelde in die tijd. Soms hoor je liedjes uit je tienerjaren, en dan weet je: die tijd is voorbij, dit geluid en deze tijd liggen achter mij. Maar dit album is nostalgisch, ik vind het nog steeds mooi. De stem van Beth Gibbons brengt je naar iets anders, een stemming waarbij je voelt dat er iets meer en iets groters bestaat, iets dat je meteen herkent. Na tientallen jaren voelt het nog steeds relevant.’
‘Een club aan de Rue Montmartre, bedacht en ontworpen door David Lynch. Het ziet er precies zo uit als je denkt dat het eruitziet, met vreemd verlichte ruimtes, zonder deuren en overal fluweel. Net als in zijn films. Je gaat de trap af en je bent een van zijn personages geworden.
‘De eerste ruimte waar je binnenkomt is een soort tunnel, met muren en een plafond gemaakt van goudkleurige staven, alsof je een draaikolk binnenstapt. De club bevindt zich een paar meter onder de grond, met meerdere ruimtes die allemaal lage plafonds hebben en overal spiegels, waardoor je telkens verdwaalt, zeker in het begin. Ik heb Lynch er zelf nooit gezien, maar zijn invloed is zichtbaar in alle details, echt een speciale plek. Ik heb warme herinneringen aan de feestjes die ik daar heb meegemaakt. Tegenwoordig wordt het vaak afgehuurd voor events zoals Fashion Week.’
‘Ik hou van lopen, dus mijn schoenen moeten comfortabel zijn. Heel Nijmegen en omstreken heb ik ontdekt op deze sneakers, deze stad is echt een hidden gem.’
‘Ik vind ze nog steeds cool. Ze zijn edgy, met die spikes en een zool als een bliksemschicht. Ik draag ze nu al een paar jaar achter elkaar, altijd zwarte. Mensen herkennen me aan deze schoenen. Dit is mijn derde paar. Als ze op zijn, koop ik weer dezelfde.’
‘Het is een Canadees merk, de mijne is blauw. Ik heb hem al jaren. Het is het kleinste model, hij past in elk bagagevak van het vliegtuig en de trein. Voor ik terugreis naar Canada breng ik nog werkbezoeken aan Brussel, Toulouse en Parijs, allemaal met de inhoud van deze koffer. Het liefst reis ik zo licht mogelijk. Ik kom om te werken, en dan draag ik toch altijd hetzelfde. Behalve mijn sneakers heb ik hardloopschoenen bij me, en verder T-shirts, een jasje, niks bijzonders. Voor gelegenheden waar ik mezelf voor moet opdoffen, zoals het filmfestival in Cannes, neem ik een pak en hakken van Margiela mee, maar ook die passen in deze koffer.’
3 april 1985 Geboren in Ottawa, Canada.
2009 Eerste korte film Ikwé, in première op Toronto International Film Festival.
2014 Roberta, genomineerd voor Canadian Screen Award.
2015 Mobilize, Golden Sheaf Award voor experimentele film, Yorkton Film Festival.
2018 Solotentoonstelling Like ships in the night, Banff Centre for Arts and Creativity, Canada.
2021 Solotentoonstelling Transatlantic, Frankfurt.
2021 Solotentoonstelling Montreal Museum of Fine Arts.
2022 Fotoreeks Ikwewak (vrouwen), World Press Photo, Montréal.
2023 Solotentoonstelling Worksite, New York.
2024 Solotentoonstelling A Quiet Truth, Los Angeles, catwalkshow Echos, Fashioning Indigenous Futurism, Getty Museum, Los Angeles.
2025 Man-made Land, kunstmuur in Boston en korte film Pidikwe, geselecteerd op de Berlinale Forum Expanded
2026 Artist in residence Nijmegen, kunstwerk Threads that remember, Museum Arnhem. Groepstentoonstelling Houston, solotentoonstellingen in Brussel en Vancouver.
Caroline Monnet woont en werkt in Montréal, Canada.
Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant