Klimaatjournalistiek Zo’n 25 jaar schreef Paul Luttikhuis voor NRC over klimaatverandering. Hoe gaat de wereld met deze bedreiging om? En wat voor keuzes maakt een journalist die erover schrijft? „Ik heb het vak sneller zien veranderen dan het klimaat zelf.”
Zaterdag 12 december 2015, zeven uur in de avond. Wat is er in hemelsnaam aan de hand? Waarom duurt het zo lang? In het gigantische perscentrum voor de ruim drieduizend journalisten die zijn geaccrediteerd voor COP21, de klimaattop in Parijs, weet niemand het precies. Allemaal zijn we op zoek naar snippers informatie, we delen wat we horen van onze informanten, van wie zelden helemaal duidelijk is hoe dicht ze op het vuur zitten. Er schijnt iets mis te zijn met de definitieve tekst van het klimaatakkoord waarover in de afgelopen twee weken – en eigenlijk al het hele jaar – intensief is onderhandeld.
Vanochtend had COP-voorzitter Laurent Fabius, na eindeloos nachtelijk beraad, het akkoord nog geprezen als evenwichtig, ambitieus en eerlijk. Hij sprak, op een voor zijn doen geëmotioneerde toon, van „een akkoord waarvan we nooit hadden gedacht dat we het zouden bereiken”. Maar voordat hij kon afhameren, ontstond er onrust op het podium en verdwenen onderhandelaars toch weer achter de coulissen. Gek, want volgens Franse collega’s was president François Hollande al onderweg vanuit het Élysée, de presidentiële residentie in hartje Parijs. Dan kon het niet lang meer duren.
Toeristen kijken naar smeltende ijsbergen in de Ilulissat-ijsfjord nabij Ilulissat, Groenland. Sinds 1850 is de Sermeq Kujalleq-gletsjer ongeveer 40 kilometer teruggetrokken, een proces dat de afgelopen decennia is versneld.
De rest van de dag is het wachten op het verlossende woord. Delegatieleden zitten te kletsen of staren berustend naar hun laptop of telefoon. Sommigen zijn met hun hoofd op tafel in slaap gesukkeld na een doorwaakte nacht. De meeste restaurants zijn gesloten. Het immense vergadercomplex dat op de voormalige luchthaven Le Bourget voor de gelegenheid uit de grond is gestampt, wordt afgebroken alsof het gaat om decorstukken van een voorbije toneelvoorstelling.
En dan, iets voor half acht in de avond, neemt het rumoer toe en verzoekt Fabius iedereen om plaats te nemen. De apotheose duurt amper een minuut. „Ik kijk in de zaal”, zegt Fabius. „Ik zie positieve reacties, ik hoor geen bezwaren. Het Klimaatakkoord van Parijs is aangenomen.” In de zaal gaat een oorverdovend gejuich op, mensen vliegen elkaar in de armen, velen met tranen in de ogen. Eindelijk gaat de wereld verlost worden van de gevaren van klimaatverandering.
Zelfs in de perszaal wordt geapplaudisseerd, maar lang niet door iedereen. Ik aarzel, maar besluit niet mee te klappen. Al vijftien jaar schrijf ik over klimaat en altijd waak ik voor het verlies van mijn journalistieke distantie. Nog nooit was dat zo moeilijk als nu. Met een brok in mijn keel voel ik me getuige van een grote historische gebeurtenis. Naar dit ene moment heb ik jaren toe geschreven.
En vandaag, bijna elf jaar na Parijs, neem ik afscheid van deze wonderlijke tak van de journalistiek. Wonderlijk, omdat de belangrijkste verhalen vaak niet gaan over wat er is gebeurd, maar over wat de wereld te wachten staat – waarvan we deze zomer weer een voorproefje hebben meegemaakt. Wonderlijk ook, omdat het ‘nieuwe’ in de nieuwsverslaggeving zo tergend langzaam gaat dat het amper opvalt.
Ik heb het vak sneller zien veranderen dan het klimaat zelf. Toen ik vijfentwintig jaar geleden mijn eerste verhalen over klimaatverandering schreef, was ik, samen met een wetenschapsredacteur, bij NRC de enige. Tegenwoordig houden zeker zeven redacteuren zich permanent met het onderwerp bezig, en schrijven ook sport- en cultuurjournalisten geregeld over klimaat. Mode, terreur, voetbal, migratie – er is nauwelijks een thema te bedenken zonder raakvlakken met klimaatverandering.
Een activist zal ik nooit worden, maar voor één keer laat ik de distantie varen die NRC – terecht – van zijn redacteuren vraagt. Althans dat wil ik proberen, want het valt niet mee om het journalistieke ambacht zo’n andere draai te geven. Welke keuzes heb ik de afgelopen vijfentwintig jaar gemaakt? Welke emoties heb ik bij lezers opgeroepen? Waar zaten mijn twijfels? Hoe ging ik om met mijn frustraties over weer een mislukte klimaattop, met de vrees dat we dit immense probleem onvoldoende aanpakken om de planeet ook voor de generaties na ons leefbaar te houden? En met de hoop dat we dat misschien toch gaan doen.
Scholieren waden door het water na overstromingen in Sivasar in Assam, India.
De analyse die ik na dat emotionele moment in Parijs heb geschreven, staat een uur later online en die maandag op de voorpagina van de krant. „Na twee weken onderhandelen heeft de wereld zaterdag een klimaatakkoord gesloten dat het einde inluidt van een economie die is gebaseerd op fossiele brandstoffen”, schrijf ik. „In het akkoord van Parijs is het besef vastgelegd, dat bij velen al bestond: dat de wereld moet stoppen met het gebruik van kolen, olie en gas om een gevaarlijke opwarming van de aarde af te wenden.”
De toon is optimistisch, de woorden zijn groot. Zijn ze achteraf te groot? Ben ik, met de kennis van nu, te optimistisch geweest? Misschien, maar ik verkeer in goed gezelschap. „Een fantastische dag voor de mensheid”, schrijft de Süddeutsche Zeitung. „Het grootste diplomatieke succes ooit”, aldus The Guardian. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry spreekt van „een overwinning voor de hele planeet en voor toekomstige generaties”. Volgens de Indiase minister van Milieu Prakash Javadekar is er in Parijs „een nieuw hoofdstuk van hoop geopend”.
In al die reacties klinkt iets door van opluchting dat het eindelijk is gelukt. Voor het eerst lijkt de hele wereld te onderkennen dat klimaatverandering misschien wel de grootste crisis is waarmee de mensheid ooit is geconfronteerd, een crisis die alleen met een ongekende en gezamenlijke krachtsinspanning het hoofd kan worden geboden.
Schoonmakers vegen modder en puin naar buiten in een school in Sivasagar in Assam, India op 5 augustus. Het noorden van India werd in juli getroffen door overstromingen en aardverschuivingen.
De grenzen van de planeet zijn bereikt, schrijft de Franse filosoof Bruno Latour in 2017 in zijn prachtige essay Waar kunnen we landen. Als het Parijsakkoord wordt uitgevoerd zoals het bedoeld is, kunnen alle mooie, op overdaad gebaseerde ontwikkelingsplannen regelrecht de prullenmand in, aldus Latour. Want om ze allemaal te realiseren zijn ettelijke planeten nodig. En we hebben er maar één.
Eeuwenlang is de aarde gebruikt als een schijnbaar oneindig magazijn vol grondstoffen en een bodemloze put voor afval. Na de industriële revolutie leidde dat tot een ontwrichting van het klimaat die al lang niet meer met wat extra technologie en slim beleid kan worden opgelost. Het Parijsakkoord, als het wordt uitgevoerd zoals het is bedoeld, maakt een einde aan…
Ja, waaraan eigenlijk? Aan de eindeloze groei van economieën? Aan de ongelijke verdeling van welvaart? Aan de belofte dat iedereen op aarde kan leven als een rijke westerling? Geen politicus die het hardop durft te zeggen – en als het hun was gevraagd, zouden ze het wellicht ontkennen – maar in Parijs is onderhandeld over mondiale schaarste en hoe die eerlijk kan worden verdeeld.
„De American way of life is niet onderhandelbaar. Punt”, zei de Amerikaanse president George H.W. Bush bij aankomst op de eerste grote klimaatconferentie in 1992 in Rio de Janeiro. Terwijl juist die Amerikaanse manier van leven op deze conferentie, en alle conferenties sindsdien, ter discussie staat.
„Als er geen planeet, geen aarde, geen bodem, geen territorium is”, waar iedereen kan delen in de rijkdom, schrijft Latour in zijn essay, „dan is er voor niemand meer een vaststaand ‘thuis’.” Aan ons de keuze: „Blijven we dromen van ontsnapping of komen we in beweging om een territorium te vinden dat wij en onze kinderen kunnen bewonen?”
Sinds die druilerige, veel te warme decemberdag in 2015 is dat het dilemma waarop elke regering in elk land telkens weer een antwoord moet formuleren, een antwoord dat steeds opnieuw moet worden bevochten. Omdat onwillige en bange politici, aarzelende bedrijven en twijfelende burgers het liever niet willen horen.
Door het water beschadigde schoolboeken en schriften liggen buiten te drogen in Sivasagar, India.
Wat niet helpt om dit dilemma op te lossen is onzekerheid over de risico’s van klimaatverandering. Het onderwerp is zo gepolitiseerd en gepolariseerd, dat de ene partij probeert de onzekerheid uit te vergroten, terwijl de andere onzekerheden relativeert. Als klimaatjournalist kun je het eigenlijk nooit goed doen. Ik ben geregeld beschuldigd van overdrijving en bekritiseerd omdat ik geen ruimte bood aan ‘een tegengeluid’. Maar ik krijg ook het verwijt dat ik ‘klimaatvervuilers’ niet hard genoeg aan de schandpaal nagel, terwijl de tijd voor nuance echt wel voorbij is.
Het fundament van de klimaatwetenschap is eigenlijk al 130 jaar klip en klaar. In 1896 heeft de Zweedse natuur- en scheikundige Svante Arrhenius het principe van het versterkte broeikaseffect beschreven. Op basis van de kennis over absorptie van infraroodstralen door kooldioxide (CO2) becijfert hij wat er gebeurt met de temperatuur op aarde als de concentratie van dit gas in de atmosfeer verandert. Hij publiceerde zijn resultaten in het Philosophical Magazine. Zijn conclusie is overduidelijk: de atmosfeer werkt als een actieve thermostaat van de planeet. Hoe meer broeikasgassen, hoe warmer het wordt.
Waarom ligt ontkenning dan toch steeds weer op de loer? Kan het zijn dat twijfel dient als een laatste strohalm? Als het misschien niet ‘waar’ is, kunnen de gevolgen dus ook nog meevallen. Of komt die nadruk op onzekerheid door oliemaatschappijen, die de twijfel jarenlang hebben gevoed?
Al heel vroeg beseften Shell, Exxon en al die andere fossiele bedrijven wat hun product met de aarde doet. Zo waarschuwde Edward Teller, de ‘vader van de waterstofbom’, op het eeuwfeest van het American Petroleum Institute in 1959 dat het verbranden van kolen, olie en gas „in de atmosfeer zorgt voor een broeikaseffect”. Als de vraag naar deze fossiele brandstoffen groeide, zou de gemiddelde temperatuur op aarde volgens Teller genoeg stijgen om „ijskappen te laten smelten en New York onder te dompelen”.
Koraal bij het noordelijke Ari-atol, Maldiven in januari 2026. Door de stijgende zeetemperatuur sterft het koraal af.
Drie jaar later voorspelde de geologische dienst van Shell dat het snel toenemende gebruik van fossiele brandstoffen kon leiden tot „een ernstige vergiftiging van de atmosfeer”. Het gerenommeerde Stanford Research Institute, dat in 1968 onderzoek deed in opdracht van Big Oil, noemde de uitstoot van CO2 zelfs een „groot geofysisch experiment” met de planeet. Volgens de Stanford-wetenschappers was er maar één oplossing om schade te voorkomen: stoppen met het gebruik van benzine.
Geen fijne boodschap voor oliemaatschappijen. Als antwoord volgden ze de strategie die de tabaksindustrie toen al met succes gebruikte om de schadelijkheid van roken in twijfel te trekken. In een vertrouwelijk document uit 1969 schreef de Amerikaanse tabaksfirma Brown and Williamson: „Twijfel is ons product, omdat het het beste middel is om te concurreren met de ‘feitelijke opvatting’ die in de hoofden van het grote publiek bestaat. Het is tevens het middel om een controverse te creëren…”
Oliemaatschappijen begonnen onzekerheden over klimaatverandering uit te vergroten, gevolgen te relativeren en (hun eigen) onderzoeken te verdoezelen. „Het lijkt een gerechtvaardigde conclusie”, schreef de National Petroleum Council (NPC) in 1972, „dat zeker tot het einde van de eeuw onmogelijk is vast te stellen of we te maken hebben met een serieus probleem”. Technologie kon tegen die tijd de risico’s beperken, verwachtte de NPC. Zo was het in de loop van de geschiedenis altijd gegaan.
De fossiele industrie erkent intussen schoorvoetend dat het klimaat verandert, maar dat heeft geen einde gemaakt aan de stroom aan fake news over klimaat, compleet met denktanks, quasiwetenschappelijke congressen en neptijdschriften vol grafieken die selectief winkelen in de data. De Amerikaanse president Donald Trump is niet de enige die klimaatverandering wegzet als „de grootste oplichterij ooit”, zoals hij vorig jaar deed in zijn toespraak bij de Verenigde Naties. Radicaal-rechtse denktanks en politieke partijen zoals in Nederland Forum voor Democratie en BBB doen alsof de opwarming niets voorstelt en klimaatbeleid weggegooid geld is.
Dat doen ze met dezelfde overwegingen die ik in honderden ingezonden brieven en e-mails in de afgelopen 25 jaar van lezers heb ontvangen. Zij proberen me veelvuldig op andere gedachten te brengen, vaak met herhaaldelijk weerlegde argumenten. Maar natuurlijke variatie in het klimaat, schommelingen in de activiteit van de zon, onbetrouwbare meetstations kunnen geen van alle verklaren waarom de aarde sinds de industriële revolutie zo snel opwarmt. De toename van CO2 in de atmosfeer door het verbranden van kolen, olie en gas kan dat wel.
In 2017 kwam een lezer met een opmerkelijk lijstje van oorzaken voor klimaatverandering – alles lijkt mogelijk, zolang het maar geen broeikasgassen zijn: „Magnetische-pool-verdraaiing, zonne-energie-wijziging, invloed van de 9de planeet, verandering van warmtestromen vanuit de aardkern via de tektonische plaatverschuivingen…” Een andere lezer schreef in diezelfde tijd: „Het antwoord is natuurlijk dat er wel klimaatverandering gaande is, niet anders dan in de afgelopen miljoenen jaren, maar dat wij daar niets aan kunnen doen, in ieder geval niet door CO2-beperking.”
Vaak vinden lezers dat ik de échte oorzaak verzwijg: „Als de mens al verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde, dan ligt dit uitsluitend aan de enorme groei van de wereldbevolking [in ontwikkelingslanden].” Natuurlijk, schrijf ik terug, beïnvloedt de groei van de wereldbevolking de uitstoot van broeikasgassen – de Club van Rome schreef dat al in de jaren zeventig. Maar het is een afleidingsmanoeuvre waarbij arme landen de schuld krijgen van een probleem waaraan ze nauwelijks hebben bijgedragen. De rijkste 10 procent van de wereldbevolking, waartoe zo’n beetje iedereen in Nederland behoort, is verantwoordelijk voor de helft van alle broeikasgassen.
Melese Desta (45) bij zijn huis in Tigray, Ethiopië. De regio wordt geteisterd door droogte en aanhoudende gewapende conflicten.
Veel lezers zijn verontwaardigd omdat ik in hun ogen soms doelbewust probeer „angst te zaaien”. Zo schreef iemand: „Ik vind het eigenlijk een schande dat zoveel mensen langzamerhand doodsbang gemaakt zijn over de gevolgen van CO2-uitstoot en serieus denken dat de mens de hoofdoorzaak is van klimaatverandering en dat de wereld zware tijden tegemoet gaat.” Sommigen stelden met een bijna religieuze zekerheid dat de mensheid niet verantwoordelijk kan zijn voor de opwarming van de aarde: „Wat een zelfoverschatting heerst hier als gedacht wordt dat de mens een grote invloed heeft op het klimaat.” Kortom: „Dit is pure bangmakerij. Het is helemaal niet urgent met het klimaat. Steeds meer mensen zien dat, behalve redacteur Luttikhuis.”
Tegenwoordig gaan reacties meestal over beleid. Daar kun je inderdaad over van mening verschillen. Rechtse critici vinden klimaatbeleid ‘te duur en betuttelend’. Ze noemen het een lobby van linkse politici, geholpen door linkse media (waar ze ook NRC onder scharen) die de socialistische heilstaat dichterbij willen brengen. Mijn visie op klimaat heeft niets te maken met politieke voorkeuren. Ik ben ervan overtuigd dat de prijs voor een gebrek aan beleid hoog zal zijn, veel hoger dan de kosten om klimaatverandering te beperken.
Niet de kennis schiet tekort, maar de mens vormt de grootste onzekere factor in de klimaatwetenschap. De mate van opwarming hangt af van onze bereidheid om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren. In het najaar van 2017 kom ik op duurzaamheidsfestival Springtij op Terschelling Leo Meyer tegen, expert op het gebied van internationaal klimaatbeleid. We lopen samen langs een expositie over ‘vernieuwers en koplopers’.
Bij een paneel over de gevolgen van klimaatverandering zegt hij: „Ik wou dat ik over honderd jaar nog eens op aarde kon terugkeren, voor een bevestiging van alles wat nu nog met onzekerheden is omgeven.” Ik herken die emotie. Die gaat niet over twijfel, maar over de vraag of we deze eeuw genoeg zullen doen om het tij te keren.
In 2015 heb ik daarover een verhaal geschreven getiteld ‘Onze apocalyps in slow motion’. Het begint zo: „De opwarming van de aarde kent zoveel onzekerheden dat passief afwachten verleidelijk is, terwijl dat eigenlijk niet kan. Het kan je moedeloos maken, als klimaatjournalist.” Om mezelf moed in te spreken, ging ik te rade bij klimaatexperts op het snijvlak van wetenschap en beleid.
Mensen rapen bessen van de grond in het district Yechila in de regio Tigray, Ethiopië. Volgens schattingen van het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (UNOCHA) hebben meer dan 9 miljoen mensen in Noord-Ethiopië voedselhulp nodig.
Bij aardwetenschapper Klaas van Egmond bijvoorbeeld, die in 2004 de eerste directeur werd van het pas opgerichte Planbureau voor de Leefomgeving. „We gooien gerust iedere maand miljarden in de economie om ons uit de [euro]crisis te slepen”, zegt Van Egmond. „Maar over het klimaat zijn we al decennia aan het praten, zonder dat er veel gebeurt. Terwijl de klimaatwetenschap zo’n beetje de best georganiseerde wetenschap ter wereld is.” In alle wetenschap bestaat volgens Van Egmond „een soort wet van behoud van onzekerheid”, maar dat mag geen reden zijn om dan maar te twijfelen.
Weerman en glacioloog Peter Kuipers Munneke, tegenwoordig columnist bij NRC, legt me uit dat het begrip ‘onzekerheid’ in het dagelijks leven iets heel anders betekent dan op een wetenschappelijk symposium. Wetenschappers kunnen eindeloos steggelen over de mate waarin opwarming en zeespiegelstijging het gevolg zijn van de toename van CO₂, maar politici kunnen dat beter niet doen, vindt Kuipers Munneke. „Tegen beleidsmakers zou ik zeggen: ga daar nou maar van uit, want het is de beste basis om beslissingen op te nemen. Het gevaar van nietsdoen terwijl er wel iets aan de hand is, is vele malen groter dan van iets doen terwijl het meevalt.”
Dat kan zo zijn, maar politici investeren niet graag miljarden in beleid waarvan mogelijke voordelen pas op lange termijn zullen blijken. En dat wordt er niet gemakkelijker op als ze dat moeten doen op basis van IPCC-rapporten die bol staan van de relativeringen. De conclusies van het IPCC zijn zelden ‘virtually certain’ (vrijwel zeker). Kun je als politicus beleid baseren op onderzoek waarvan de kans dat het klopt hooguit ‘more likely than not’ is (iets hoger dan 50 procent)?
Het doet me denken aan wat premier Mark Rutte zei aan het begin van de coronacrisis. Hij vond het moeilijk om met 50 procent van de kennis 100 procent van de besluiten te nemen. Maar hij deed het toch, omdat er geen andere keuze was. Over klimaatbeleid heeft hij nooit iets dergelijks gezegd, al geldt daarvoor al decennialang hetzelfde. Wachten op 100 procent zekerheid is te gevaarlijk. Tegen die tijd is er geen weg terug.
Gember Girmay (63) breekt bessen open die zaden bevatten, in de regio Tigray in Ethiopië, bij gebrek aan ander voedsel.
In 2018 onderzoeken klimaatwetenschappers of het uiterste doel van het Parijsakkoord (de temperatuurstijging beperken tot 1,5 graden) nog haalbaar is. Met man en macht wordt gewerkt aan een rapport dat af moet zijn voor de klimaattop in het Poolse Katowice eind van dat jaar. Het vormt een goede gelegenheid om samen met een collega de prominente Nederlandse klimaatwetenschapper Heleen de Coninck te interviewen, een van de hoofdauteurs.
Het is een warme, zonnige dag aan het einde van een zomer die al bijna net zo droog is als die van dit jaar. Het water in de zijtak van de Waal bij Nijmegen, waar De Conincks woonboot ligt, staat extreem laag. Maar ze heeft geluk gehad, de boot ligt nog min of meer waterpas – in tegenstelling tot die van de buren.
Bij een opwarming van 1,5 graden zijn de gevolgen voor de mensheid nog min of meer in de hand te houden. Voorbij die grens kunnen we de controle verliezen over het afsterven van koraalriffen, over de stijging van de zeespiegel, over verlies van biodiversiteit en het stilvallen van de golfstroom. Dan worden hittegolven extremer en gaan droogtes langer duren. Dan zullen overstromingen frequenter voorkomen, natuurbranden gevaarlijker worden en orkanen verwoestender – een opsomming die ik in allerlei variaties heb opgeschreven.
Om dat allemaal te voorkomen moet de wereld volgens De Conincks rapport binnen dertig jaar af van zijn verslaving aan fossiele brandstoffen, moet de ontbossing stoppen en het eetpatroon drastisch veranderen. Ook moeten mensen minder spullen gaan kopen. Dat is onmogelijk, dunkt me. Hoe denkt De Coninck daarover? „In dit rapport schetsen we een wereld waardoor mensen zich wél kunnen voorstellen dat het lukt”, legt ze uit. „En misschien helpt dat.” Maar de vraag gaat niet over hoop, maar over haalbaarheid. Denkt ze werkelijk dat het nog kan? De Coninck: „Ik weiger te geloven dat het niet meer mogelijk is. Het móét kunnen.”
Het klinkt bijna wanhopig. De Coninck krijgt geregeld de vraag of ze niet pessimistisch wordt van zo’n deprimerend onderwerp. „Eigenlijk vind ik dat geen interessante vraag”, vertelt ze. „Ik vind mezelf helemaal geen optimist, daar ben ik te realistisch voor. Maar ik ben ook geen pessimist. Als ik een pessimist zou zijn, kan ik er beter meteen mee ophouden. Ik ben hoopvol. We kunnen de toekomst veranderen.”
Ook ik vraag me wel eens af hoe ik zo lang heb kunnen schrijven over een probleem dat alleen maar erger lijkt te worden, terwijl de oplossingen voorhanden zijn. Soms denk ik dat juist het schrijven, juist de journalistiek, me heeft geholpen. Al zwalk ik af en toe tussen pessimisme en hoop, kennis en de wens om die met lezers te delen, hebben me ook een gevoel van grip en controle gegeven.
Ik moet denken aan twee voor mij belangrijke citaten. Het ene is van de jonge klimaatactiviste Greta Thunberg (2003), het andere van de bijna zeventig jaar oudere landbouweconoom en ecoloog Lester Brown (1934). In Het Klimaatboek, een uitstekend compendium over klimaatwetenschap, zegt initiatiefnemer Thunberg dat ‘hopen’ een werkwoord is, iets „wat je moet verdienen, moet creëren”. Brown, oprichter van het World Watch Institute, werd door filmmaker Renée Scheltema geïnterviewd in haar indrukwekkende documentaire Normal Is Over (2015). Scheltema vraagt Brown of hij niet somber wordt van de enorme opgave waar de wereld voor staat. Nee, antwoordt hij, het is te laat voor pessimisme.
Hoe het met De Conincks rapport is afgelopen? Slecht. Op de top in Katowice weigerden olie-exporterende landen het rapport te „verwelkomen” – jargon om te bevestigen dat landen met conclusies aan de slag gaan. Alleen de „tijdige voltooiing” van het rapport wordt verwelkomd en partijen mogen de conclusies gebruiken in toekomstige besprekingen. Vrijblijvender kan het niet.
Een brandweerman rust uit in het gras tijdens de bestrijding van een bosbrand in de buurt van Lanton, in het zuidwesten van Frankrijk, op 29 juli 2026.
In maart 2023 sluit het IPCC zijn meest recente rapportencyclus af met een samenvatting voor beleidsmakers. Het is een mooie aanleiding om samen met een wetenschapscollega een verhaal te maken over klimaatmodellen. Die zijn er in soorten en maten en dienen al sinds de Club van Rome in 1972 om inzichtelijk te maken wat de wereld te wachten staat. Zoals gezegd gaat klimaatjournalistiek vaak meer over de toekomst dan over het heden – al is die toekomst afgelopen zomer ineens heel dichtbij gekomen.
Klimaatmodellen liggen gevoelig. Ontkenners wekken graag de indruk dat ze niet deugen. Ze zouden de ernst van de opwarming overschatten, te weinig rekening houden met natuurlijke variatie en te veel onzekere parameters bevatten. Dat is niet zo, klimaatmodellen geven een behoorlijk getrouw beeld van wat er wordt gemeten en hebben dus een voorspellende waarde.
Ingewikkelder ligt dat voor zogeheten integrated assessment models (IAM’s). Die proberen de interactie tussen economie, samenleving en milieu in kaart te brengen door gevolgen van beleidskeuzes te becijferen. Wat betekent het als de vleesconsumptie daalt? Hoeveel bossen moeten er worden aangeplant om voldoende CO2 op te nemen? Kan Nederland genoeg energie opwekken met zonnepanelen en windturbines? Bij gebrek aan een glazen bol zijn IAM’s een nuttig gereedschap om in de toekomst te kijken.
Detlef van Vuuren, een van de invloedrijkste klimaatmodelleurs ter wereld, legt in het artikel uit dat hij met zijn modellen zo neutraal mogelijk maatschappelijke en economische keuzes schetst. „Ik kan wel beweren dat ik met alleen windmolens het klimaatprobleem kan oplossen”, zegt hij. „Maar als ik dat in een model moet uitwerken, word ik gedwongen om over het geheel na te denken.” IAM’s dragen volgens Van Vuuren bij aan een „debat over mogelijke en gewenste toekomsten”. Ze dienen om te voorkomen „dat het sciencefiction wordt”.
Hulpdiensten vlak bij een bosbrand in Lege-Cap-Ferret in het departement Gironde op 28 juli 2026.
Maar volgens activistische wetenschappers hebben modelleurs zich met hun IAM’s voor het karretje van de politiek laten spannen. Op wetenschapswebsite The Conversation stellen drie klimaatwetenschappers in 2021 dat IAM’s de samenleving in slaap sussen. Als je klimaatmodellen blijft voeden met bosaanplant en onbeperkte CO2-opslag, rolt er vanzelf een geruststellend getal uit.
Naar aanleiding van dit artikel had ik destijds een uitgebreide e-mailwisseling met een van de auteurs, de Duitse fysisch geograaf en ecosysteemanalist Wolfgang Knorr. Voor het modellenverhaal zoek ik in 2023 opnieuw contact met hem. Zijn ergernis over IAM’s is er niet minder op geworden. In tegendeel, hij heeft de wetenschap vaarwel gezegd en runt met zijn vrouw een olijvenboomgaard in Griekenland. „De klimaatwetenschap ging mij te langzaam.”
Het probleem met IAM’s is dat ze „eigenlijk gewoon verhaaltjes” opdissen, legt Knorr uit. „Ze worden gezien als wiskundige modellen en krijgen zo een wetenschappelijk tintje, omdat er data in worden gestopt en omdat er vergelijkingen in zitten over vraag en aanbod, over prijselasticiteit.” Maar ze zijn volgens Knorr gebaseerd op ideologische keuzes. Ze kiezen nooit als uitgangspunt een rechtvaardige verdeling van emissies en grondstoffen tussen rijk en arm. De voorwaarden zijn altijd die van het neoliberale kapitalisme. „De modellen lijken op een spelletje Monopoly”, vindt Knorr. „Dat kun je ook nooit winnen op basis van het principe van eerlijke verdeling.”
Twee jaar daarvoor vroeg ik Knorr in onze e-mailwisseling naar een alternatief. „Laten we beginnen op een andere manier naar de klimaatcrisis te kijken”, antwoordde hij. „De realiteit onder ogen zien is een eerste stap. Daarna moeten we gezamenlijk bepalen hoe we met deze crisis willen omgaan. Willen we redden wat er nog te redden valt, zoals je doet in een echte noodsituatie? Of nemen we oncontroleerbare en nog onbekende gevolgen van klimaatverandering voor lief, alleen om vast te houden aan een manier van leven die we in rijke en bevoorrechte landen gewend zijn?”
Een dood hert ligt in een verkoold bos na een bosbrand op 30 juli 2026 in Lanton, Frankrijk.
Het is dezelfde vraag die Latour stelt in zijn essay: blijven we dromen, of zoeken we een plek om te landen? Staat de Amerikaanse manier van leven waar Bush in 1992 aan vast wil houden ter discussie of niet? Beperken we ons tot klimaatmaatregelen die „haalbaar en betaalbaar” zijn, zoals oud-premier Mark Rutte zijn visie ooit samenvatte, of zijn we bereid offers te brengen om extreme opwarming af te wenden? Versoepelt de Europese Unie haar klimaatbeleid als haar concurrentiepositie in gevaar komt? Aanvaarden we de conclusies van de klimaatwetenschap en handelen we er ook naar?
Veel mensen lijken zich weliswaar zorgen te maken over de opwarming van de aarde, maar willen er alleen iets aan doen als dat geen grote ingrepen vraagt in hun manier van leven. Dat ergert Kevin Anderson, hoogleraar energie en klimaat aan de universiteit van Manchester. Ik sprak hem in 2022 over zijn onderzoek naar harde cijfers achter mondiale klimaatbeloftes.
Die cijfers getuigen van een gebrek aan actie. Maar Anderson weigert om politici als enigen daarvan de schuld te geven. Ook veel klimaatwetenschappers zijn volgens hem niet bereid om de uiterste consequentie van hun analyses te accepteren. „Ze proberen de bittere klimaatpil wat zoeter te laten smaken”, zegt hij. „De klimaatwetenschap is robuust en zorgvuldig als het om de feiten gaat, maar veel wetenschappers zijn niet eerlijk over de politieke implicaties van die feiten.”
Het IPCC – dat geen beleid mag voorschrijven – doet volgens Anderson nog steeds alsof het mogelijk is om de opwarming te beperken tot 1,5 à 2 graden Celsius. En mocht de wereld er toch overheen schieten, dan kan de opwarming altijd later worden gecorrigeerd. Anderson windt er geen doekjes om. Dat soort optimisme over toekomstige technologieën om de temperatuur te laten dalen bestaat vooral „in de verbeelding van ingenieurs” en is „een gevaarlijke vorm van greenwashing van het huidige klimaatbeleid”.
Maar kennelijk laten we ons graag voor de gek houden. Politici komen hun klimaatbeloftes liever niet na, bedrijven wachten af, burgers hebben weinig zin om politici aan hun toezeggingen te houden en zelfs milieuorganisaties durven het vaak niet aan om de maatschappelijke consequenties van hun soms extreme eisen expliciet te maken.
Zo doen we met zijn allen net alsof we de klimaatwetenschap accepteren, maar dat is niet zo als je er niet naar handelt, vindt Anderson. „Want dan zouden we deze erfenis nooit doorgeven aan onze kinderen. Wij zeggen tegen hen: ‘Sorry, wij hebben nog wat extra olie en gas nodig, en daarom schepen we jullie op met 3 tot 4 graden opwarming’.”
Zelf ben ik geen haar beter. En het erge is, ik kan me niet verschuilen achter een gebrek aan kennis. In 2017 hoorde ik Peter Kuipers Munneke tegen een gezelschap van pensioenbeheerders, bankiers en verzekeraars zeggen: „Ik denk dat de volgende vijftien jaar bepalend zijn voor het klimaat van de komende tienduizend jaar.”
Wow! Als we nog maar vijftien jaar hebben (en nu dus nog maar zes) om de scherpe kantjes af te slijpen van de grootste en langdurigste crisis ooit, moet morgen de revolutie uitbreken. Maar na de lezing klets ik gezellig mee op de netwerkborrel, en stap daarna in de auto om aan te sluiten in de file op de A2. Het lijkt wel of de boodschap ook tot mij niet werkelijk doordringt.
Ik besloot om uit te zoeken hoe dat kan en stuit op het boek Don’t even think about it van George Marshall uit 2014, over de vraag ‘waarom onze hersenen geprogrammeerd zijn om klimaatverandering te negeren’. Volgens Marshall komen mensen in beweging voor duidelijke, zichtbare problemen met directe gevolgen voor hun leven, een simpele oorzaak en een aanwijsbare schuldige. Klimaatverandering is in alles het tegenovergestelde. Het is een onduidelijk probleem, het voltrekt zich langzaam en nauwelijks zichtbaar. Klimaatverandering heeft bovendien complexe oorzaken en omdat de hele wereld er aan meedoet, ontbreekt een duidelijke vijand.
Marshall citeert econoom en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman, die pessimistisch is over de kans dat de mensheid klimaatverandering serieus zal aanpakken. „Ook al zijn mensen zich nog zo bewust van het probleem”, zegt hij, „dat zal nooit de weerstand overwinnen om hun eigen levensstandaard te verlagen.”
Sociologe Kari Marie Norgaard vreest dat dit soort pessimisme als een excuus dient om niet te hoeven handelen. Net als overigens het optimisme van ecomodernisten, die dromen dat kernfusie, thoriumcentrales, of kleine modulaire kernreactoren alle klimaatproblemen kunnen wegtoveren zonder onze manier leven aan te passen.
„Er is een grote kloof tussen onze opvattingen over klimaatverandering en onze acties om er iets tegen te doen”, schrijft psycholoog Robert Gifford in zijn artikel The road to climate hell (2015) in New Scientist. „Helaas zijn het onze daden die tellen, niet onze gevoelens of goede bedoelingen.”
Acties! Daden! Handelingsperspectief is het buzzword in de klimaatjournalistiek. Je moet niet alleen drama oproepen, maar ook oplossingen aandragen. Klimaatnieuws kan mensen lamslaan als je er niet bij vertelt „wat ze er zelf aan kunnen doen”, legt omgevingspsycholoog Linda Steg me uit in 2021. Ze zijn dan „geneigd de kop in het zand te steken”.
Steg heeft ongetwijfeld gelijk, en toch vind ik het ergerlijk. Waarom moet ik als klimaatjournalist oplossingen aandragen? Dat hoeven mijn collega’s die schrijven over woningnood of asielcrisis toch ook niet. In een recalcitrante bui heb ik een keer een soort bijsluiter gemaakt over handelingsperspectief, geschikt voor al mijn verhalen: „Mocht u na lezing van dit artikel behoefte voelen om zelf bij te dragen aan het voorkomen van klimaatverandering, kunt u het volgende overwegen: veel minder spullen kopen, minder en liefst helemaal niet meer vliegen, de auto de deur uit doen, vegetariër of nog liever veganist worden en kleiner gaan wonen.” En ook: praat erover met buren, vrienden en familie, sluit je aan bij een actiegroep of politieke partij die zich inzet voor verandering.
Een kolkende watermassa raast langs huizen en door de Trishuli-rivier na de overstromingen in Betrawati, in het district Nuwakot in Nepal op 29 augustus 2026.
Maar op dat handelingsperspectief zit niemand te wachten (ikzelf ook niet). Afval scheiden, minder plastic gebruiken, korter douchen, de thermostaat een graadje lager – het zou heerlijk zijn als het daarbij blijft.
Voor een serie over de toekomst van het kapitalisme en het behoud van de aarde, sprak ik in de zomer van 2022 met bouwfysicus Ronald Rovers, die zich heeft gespecialiseerd in ‘volhoudbaarheid’, een woord dat hij liever gebruikt dan het sleetse ‘duurzaamheid’. Hij noemt zichzelf een ‘fundamentalist’. Als je de aarde eerlijk verdeelt over ruim acht miljard mensen, heeft iedereen ongeveer recht op de opbrengst van twee hectare grond. „Om er toch overheen te gaan, als individu of als maatschappij, zijn er maar twee mogelijkheden”, zegt hij, „de aarde verder uitputten, of stelen van de buren.”
De aarde uitputten is ook een vorm van stelen, betoogde de Belgische cultuurhistoricus en schrijver David Van Reybrouck in 2021 in de Huizinga-lezing, maar dan van onze kinderen en kleinkinderen. „Wij gedragen ons als de kolonisatoren van de toekomstige generaties”, zegt Van Reybrouck. „We zadelen hen op met onszelf en we doen dat met een brutaliteit en onverschilligheid die doen duizelen. Wij doen alsof zij er niet zijn, alsof hun land het onze is, alsof hun wereld leeg is, alsof wij mogen graaien in daar voorradige grondstoffen – drinkbaar water, vruchtbare grond, geologische reserves – er niet aan denkend dat zij die grondstoffen misschien ook nodig zullen hebben.”
Twee vrouwen zoeken tussen het puin naar hun spullen na de overstromingen in Devighat in het district Nuwakot in Nepal, op 31 augustus 2026.
Zowel Van Reybrouck als Rovers laat zien hoe beperkt ons handelingsperspectief is. Wie zijn hoop heeft gevestigd op ‘groene groei’ komt bedrogen uit, zegt Rovers. Groei aan de ene kant zal altijd ergens anders verlies opleveren, zoals verlies aan grondstoffen, uitputting van vruchtbare aarde en klimaatverandering. Ook is het een illusie om te denken dat technologie ons gaat redden en als vanzelf voor duurzaamheid zal zorgen. Hoogwaardige technologie heeft tot nu toe altijd geleid tot een versnelling van het grondstofgebruik.
De kern van Rovers’ betoog is dat we onszelf de verkeerde vraag stellen. We moeten ons niet afvragen hoe we duurzaam in onze welvaart kunnen voorzien, maar welke welvaart mogelijk is bij een duurzaam, volhoudbaar gebruik van grondstoffen. Dit kan maar één ding betekenen: mensen in de geïndustrialiseerde wereld zullen met minder genoegen moeten nemen. Een terugkeer naar een leven zoals begin jaren zestig van de vorige eeuw zou genoeg moeten zijn, is Rovers’ inschatting. Niet uit een soort nostalgie, maar om binnen de grenzen van de planeet te blijven. Al is dat volgens hem alleen dankzij „alles wat we al hebben afgesnoept van toekomstige generaties, en wat we ons hebben toegeëigend van andere landen”.
Een vrouw bekijkt foto’s van vermiste personen in de nasleep van de overstromingen, bij het Tribhuvan University Teaching Hospital in Kathmandu op 30 augustus 2026.
Afsnoepen, graaien, toe-eigenen. Dat ik uiteindelijk bij deze woorden uitkom, is geen toeval. Als mij wordt gevraagd wat klimaatverandering betekent, begin ik zelden over opwarming, fossiele brandstoffen of netto-nul emissies. Klimaatverandering is voor mij in de eerste plaats een verdelingsvraagstuk.
Vanaf het moment in 1992 dat Bush weigerde de Amerikaanse manier van leven ter discussie te stellen, is het mondiale klimaatbeleid een strijd geweest tussen arm en rijk. Logisch, want er zit een diepe onrechtvaardigheid in de klimaatontwrichting. „Rijke landen zijn juist rijk geworden door het ongebreidelde gebruik van kolen, olie en gas. Nu veel opkomende economieën ook toe zijn aan die welvaartsprong, mag dat niet langer met fossiele brandstoffen.” Deze gedachte, uit een verhaal over de klimaattop in Bakoe (2024), heb ik in wisselende bewoordingen misschien wel het vaakst opgeschreven.
Het is meer dan alleen een pijnlijke constatering. Klimaatverandering kan onmogelijk worden opgelost zonder een rechtvaardige verdeling van schaarse middelen. Of dat nu gaat om het restje CO2-uitstoot dat de planeet nog aankan, om de laatste klompjes steenkool en druppels olie voordat het koolstofbudget op is, of om de hoeveelheid eindige grondstoffen die nodig zijn voor een op consumptie gebaseerde levensstijl.
Zolang rijke landen geen stap terug doen ten gunste van arme landen, zullen die hun economische groei betalen met broeikasgassen. Als rijke landen niet bereid zijn hun grondstoffengebruik te beperken en eerlijker te verdelen, zullen tekorten nog sneller toenemen.
Reint Jan Renes, gedragswetenschapper voor duurzaamheid aan de Hogeschool van Amsterdam, vergelijkt welvarende landen met olifanten en landen in het mondiale Zuiden met muizen. „Je kunt de olifanten op dieet zetten, maar ze zullen nog steeds meer eten dan een muis die zich volvreet”, zegt Renes in een interview in 2024. Voor radicale rechtvaardigheid moeten de olifanten krimpen om de muizen te laten groeien.
Boten liggen op het droge nadat het waterpeil van de Donau in Petrovaradin, Servië, is gedaald, op dinsdag 25 augustus 2026.
Hoe dat moet? Ook na 25 jaar weet ik het antwoord niet. Maar zeker is dat de weg vooruit niet langer betaald kan worden met oneindige groei. En dat de weg terug naar de nostalgie van de natiestaat, waarin mensen zich veilig wanen achter hun eigen dijken, onbegaanbaar is geworden. De ecologische crisis doet immers niet aan grenzen. Het maakt voor de opwarming niet uit waar de CO2 wordt uitgestoten.
Twee jaar geleden berekende het Kennisprogramma Zeespiegelstijging, waarin overheid, bedrijven en wetenschappers samenwerken, dat Nederland ook met een vijf meter hogere zeespiegel nog steeds „veilig en leefbaar” is en voldoende „verdienvermogen” overhoudt. Echt? Hoe denkt het Kennisprogramma dat die wereld eruitziet? Wat is er tegen die tijd gebeurd met de tientallen miljoenen mensen die leven in delta’s zonder dat „verdienvermogen” – zoals de Amazone, de Ganges of de Mekong? Welke Afrikaanse kuststeden zijn dan nog niet weggespoeld? Hoeveel mensen zullen er op drift zijn geraakt? En hoe, en vooral met welk recht, houden we mensen buiten de deur van wie het leefgebied onbewoonbaar is geworden?
Misschien, heel misschien kan Nederland vijf meter zeespiegelstijging aan. Maar leefbaar is de wereld dan allang niet meer. Zoals Bruno Latour schreef: zonder een veilige planeet is er voor niemand meer een vaststaand ‘thuis’. Het enige rechtvaardige aan klimaatverandering is dat uiteindelijk geen mens aan de gevolgen ontkomt. Ik hoop dat ik dat met mijn verhalen in de afgelopen jaren heb laten zien.
Mensen lopen over de drooggevallen bedding van de Donau nabij de stad Ruse op 21 augustus 2026.