Home

Tijdens het bidden voel ik de blikken van de broeders. Verstoor ik de vibe?

Religie NRC-redacteur Hugo Schiffers loopt vier dagen mee in een trappistenklooster bij Tilburg om te zien of het kloosterleven aantrekkelijk kan zijn voor Gen-Z. „Je hebt je broeders nu eenmaal niet voor het uitzoeken.”

De kloostertuin van Abdij Koningshoeven moet met zijn hoge, beschuttende bomen de Hof van Eden verbeelden, maar deze ochtend hangt er een zwerm vliegen boven het gazon. Keurig naast elkaar liggen er twee koikarpers in het gras. Dood. Het is broeder Jacobus een raadsel hoe ze hier zijn beland, zo’n eind bij de vijver vandaan.

Hij had net uitgelegd dat iedere monnik die toetreedt tot het trappistenklooster bij Tilburg een karper voor in de vijver krijgt. Ik vraag me af hoe visrijk de vijver nog zal zijn. Een abdij in Zundert, zo’n vijftig kilometer verderop, sloot een jaar geleden de deuren wegens een tekort aan jonge monniken om het klooster draaiende te houden. La Trappe, de abdij in Normandië waaraan de trappistenorde zijn naam ontleent, maakte eerder dit jaar bekend mogelijk te stoppen in 2028, eveneens wegens een gebrek aan nieuwe aanwas.

Is het kloosterleven nog van deze tijd? Vier dagen loop ik mee met de monniken van Abdij Koningshoeven om daar een indruk van te krijgen. Is een contemplatief leven wel verenigbaar met de micro-aandachtsspanne van Gen-Z, de generatie waar ik toe behoor?

In Abdij Koningshoeven wonen nu achttien broeders, vertelt broeder Jacobus, die me rondleidt op mijn eerste dag. Zij zullen me op sleeptouw nemen als ‘kijkjongen’, zoals dat heet. Ik vermoed dat de term stamt uit een tijd dat de gemiddelde leeftijd van intreden een stuk lager lag. Ik ben 29, de enige andere kijkjongen is Aäron, een man van 56. Aäron loopt al tweeënhalve maand met de broeders mee en overweegt zelf ooit de eeuwige geloften af te leggen. Anders dan hij ben ik niet gelovig. Toch ben ik van harte welkom, had vader-abt Isaac Majoor aan de telefoon gezegd. „Omdat NRC mijn krant is. Wel een beetje weinig God, maar misschien hoeft dat ook niet altijd.” 

04.15 uur

Mijn voetstappen echoën door de lege, nog donkere, kloostergangen. Ik ben door getreuzel na het opstaan te laat voor de dienst en ren door ruimtes die zijn bedoeld voor contemplatie. Precies 65 meter lang zijn de gangen, die in een vierkant rondom de kloostertuin liggen. Lang genoeg – als je géén sprintje trekt – voor de overgang van het werk in de kaasmakerij of bierbrouwerij naar de verstilling van het gebed.

Je wandelt aan de linker- of de rechterkant van de gangen, nooit door het midden, daar loopt God. Oudere broeders mopperen dat de jongere monniken dat tegenwoordig niet meer lijken te weten. 

„Zevenmaal daags heb ik uw lof gezongen”, luidt de psalm. „En ook in de nacht ben ik opgestaan om U te loven.” En dus begeven we ons dag en nacht op vaste tijden naar de kapel om te bidden en te zingen. Te beginnen met de metten, het eerste gebed van de dag. Daarna volgen de lauden, tertsen, sext, noon en vespers. Waarna de dag om half acht ’s avonds wordt afgesloten met de completen. 

Eigenlijk valt het regime me nog wel mee. Dat ik me op de eerste dag met een enigszins zwaar gemoed bij de kloosterpoort meldde, had alles te maken met het boek dat ik ter voorbereiding van mijn verblijf had gelezen. In A Time to Keep Silence – dat ik nog in de boekenkast had staan – doet de Britse reisschrijver Patrick Leigh Fermor in de jaren vijftig verslag van zijn bezoeken aan een reeks kloosters. Van alle kloosters die hij aandoet, blijkt juist het trappistenklooster het strengst.

Denk daarbij aan monniken die slechts enkele uren per nacht slapen op een houten plank met wat stro erop, en om twee uur ’s nachts beginnen aan een dag vol gebed – vaak in het donker, met de knieën op de grond – en slopende, monotone landarbeid. Het leven werd geleid in bijna absolute stilte, het verbreken daarvan bestraft met vernedering en boetedoening. 

Maar ik slaap in Abdij Koningshoeven gewoon op een matras, in een simpele maar lichte kamer met uitzicht op de kloostertuin. Het kruisbeeldje boven mijn bed oogt nog best gezellig.

En ja, we moeten vaak stil zijn, ook tijdens de maaltijden, maar naar eeuwenoud gebruik is er dan wel een broeder die voorleest. Deze week uit het boek: Denk als een monnik, van de populaire Britse zelfhulp-goeroe Jay Shetty. De beleving is niet heel veel anders dan als ik thuis tijdens het eten een podcast aanzet. 

06.30 uur

Wat minder went, zijn de diensten in de kapel. In mijn burgerkloffie zit ik tussen de broeders in wit habijt, met daarover een zwarte ‘scapulier’, een schouderkleed met capuchon. Tijdens het bidden ben ik me bewust van hun blikken en bedenk dat mogelijk niet iedereen blij is met mijn komst. Verstoor ik met mijn wat rusteloze en ongelovige aanwezigheid niet een beetje de vibe, om de taal van mijn generatie op het kloosterleven los te laten?

Was ik maar meer zoals mijn medekijkjongen Aäron. Hij zit een paar koorstoelen verderop, biddend met gesloten ogen alsof hij nooit anders heeft gedaan. Toch had ook hij het lastig in het begin, vertelde hij me. „Je beweegt wel heel veel hè?”, fluisterde een broeder hem na afloop van een dienst toe. 

Op dag één van mijn verblijf zit bij de hoogmis een grote groep gasten die alle gebeden uit hun hoofd lijkt te kennen. Ik niet. Zelfs niet het Onze Vader. En dat terwijl ik, in tegenstelling tot de gasten, tussen de monniken in de koorstoelen zit.

Soms voeg ik me met wat onverstaanbare klanken in het geprevel van de broeders om niet onnozel over te komen. Wat ook helpt is dat de oudere broeders wat trager zijn bij het vele opstaan en buigen tijdens de dienst, waardoor het niet zo opvalt als ik soms een paar tellen achterloop. 

Maar bij de eucharistie – het delen van brood en wijn – kan ik de schijn niet meer ophouden. Voor veel broeders, zo leer ik later, is het ontvangen van het lichaam van Christus het hoogtepunt van de dag, maar als ongedoopte moet ik de hostie afslaan. 

Na de terts (die direct volgt op de lauden), om een uur of zeven, gaan de broeders aan het werk. ‘Ora et labora’ – bid en werk – staat uitgehouwen in een stenen monument in de kloostertuin. De kaasmakerij, de chocolaterie, de bakkerij, de abdijwinkel en het gastenhuis vormen samen de „economie” van het klooster. Zo voorzien de broeders in hun eigen levensonderhoud en dat van anderen: een deel van de opbrengst gaat naar goede doelen.

Abdij Koningshoeven is ook de laatste plek in Nederland waar nog trappistenbier wordt gebrouwen. Het recept is van de monniken, het brouwen doet Bavaria. De dikke muren van de brouwerij, gebouwd aan het einde van de negentiende eeuw, moeten zorgen dat het geratel van loopbanden en klinken van bierflesjes het kloosterleven niet verstoren.

Zowel de fysieke arbeid als de noodzaak de hele kloostereconomie ook nog te managen, vereist dat er genoeg vitale en slagvaardige broeders in het klooster rondlopen.

„Op dit moment is de leeftijdsmix van de gemeenschap nog gunstig”, zegt broeder Jacobus. Dat komt mede doordat twee derde van de broeders uit andere landen komt, onder wie de jongsten. ”Ook hebben we een paar jaar twee jonge broeders uit ons dochterklooster in Oeganda te gast, die een studie theologie volgen aan de universiteit van Tilburg.”

En er lopen geregeld jonge mensen door het klooster omdat de broeders vluchtelingen opvangen. Zo woonden er in 2022 na de Russische invasie maandenlang twintig Oekraïners bij de monniken.

11.30 uur

„Ik laat me niet overhoren!”, roept een broeder boos. De vader-abt heeft hem net herhaaldelijk gevraagd of hij zich écht niet kan herinneren wat ze gisteren als groep hebben besproken. Alle broeders zitten in een kring in de kapittelzaal. Anders dan in de kapel ben ik nu niet de enige die zich ongemakkelijk voelt.

De kapittelzaal is de enige plek in het klooster waar het juist de bedoeling is dat er wordt gepraat en waar de dagelijkse gang van zaken wordt doorgenomen. Vroeger was het ook de plek waar broeders elkaar letterlijk ‘kapittelden’.

Hoe dat ging, las ik eerder in een boek uit de kloosterbibliotheek met de reglementen voor trappisten uit 1891. „Wanneer men iemand wil beschuldigen […] staat men op en zegt met luider stem: Ik beschuldig [naam broeder] van [overtreding].” Klikken was toen niet iets om je voor te schamen, maar een „werk van liefde” waarmee je je medebroeders op het christelijke pad kon houden.

De straffen logen er niet om. Wie kwaad sprak van een medebroeder, moest volgens het reglement „zes achtereenvolgende dagen water en brood op den grond eten en zich tevreden stellen met één portie”. De vader-abt kon je ook de voeten van je medebroeders laten kussen. Wat met meer dan honderd broeders indertijd een nog zwaardere tuchtiging was dan nu.

Nu loopt de confrontatie tussen de vader-abt en de broeder met een sisser af. De mannen besluiten het later samen uit te praten.

Hoewel de omgangsvormen tegenwoordig zachtzinniger zijn, is het volgens de vader-abt nog steeds een uitdaging om als grote groep mannen samen te wonen. „Je hebt je broeders nu eenmaal niet voor het uitzoeken en zit voortdurend op elkaars lip. Dan kan zo’n groot gebouw toch handig zijn. Zie je iemand met wie je ruzie hebt, dan loop je gewoon even de andere kant op.”

„Het is soms lonely at the top”, zegt de vader-abt ook, plots ernstig. „Als vader-abt zorg je voor je volwassen kinderen, maar wie zorgt er voor de vader-abt?”

Vader-abt Isaac Majoor (74) was in een vorig leven hoofd van de verpleging van het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht en werkte als verpleger in West-Afrika. Later op de dag loop ik met hem naar het kerkhof achter op het kloosterterrein. Twee kleine robotgrasmaaiers doen geruisloos hun werk. „Een geweldige vondst”, zegt de vader-abt, die me met zijn snor en kaalgeschoren hoofd steeds doet denken aan mijn joviale oom Leo. „Vroeger werd er altijd nét tijdens een dienst met veel lawaai gemaaid.” 

Vroeger, weet ik ook, groeven trappistenbroeders na een begrafenis alvast een deel van een volgend graf. Het trappistenleven zat volgens Patrick Leigh Fermor vol met zulke memento mori’s. Maar op het kerkhofje van het klooster zie ik nergens een half gegraven graf. De eerste trappisten sloegen door in hun ascese, zegt de vader-abt. „Monniken sliepen in doodskisten, dat soort dingen. Nu zijn we helemaal niet meer zo streng.”

.

14.30 uur

Elke keer dat ik plaatsneem in de koorbanken, ligt mijn psalmenboekje al op de goede bladzijde opengeslagen. Het zijn dit soort kleine gebaren waardoor ik me steeds meer bij de monniken thuis voel. Zoals ook dat sommige broeders me ondanks de stilte-regel toch elke keer ‘goedemorgen’ of ‘eet smakelijk’ toefluisteren.

Op momenten dat we mogen praten, vertellen ze me over hun levens vóór het klooster: over carrières, over exen en over waarom ze uiteindelijk voor het monnikenbestaan hebben gekozen. Neem broeder Jacobus (59), die zeven jaar geleden intrad: hij herinnert zich een tuinfeest met oud-studiegenoten uit Wageningen. Die hadden een vrouw en kinderen, terwijl hij toentertijd was getrouwd met zijn werk. „Wat is het grotere doel in mijn leven”, vroeg hij zich af. Dat vond hij in het klooster.

Gegadigden voor het klooster „moeten niet alleen weten waar ze ‘ja’ op zeggen, maar ook vooral waar ze ‘nee’ tegen zeggen”, zegt de vader-abt. „Namelijk: het leven buiten in de maatschappij.” Het is niet de bedoeling dat de monniken vaak buiten het klooster komen, ze doen dat hooguit voor een doktersbezoek of nieuwe schoenen – hoewel ze in het klooster ook een voorraadje schoeisel hebben liggen.

De vader-abt weet nog niet zo goed wat hij vindt van de hier en daar gesignaleerde opleving van religieuze belangstelling onder jongeren. Hij ontving de afgelopen tijd drie brieven van mannen van eind twintig die interesse tonen in het kloosterleven. Een van hen komt binnenkort op gesprek. Het lijkt me een bemoedigende ontwikkeling, maar de vader-abt heeft reserves. „Over het algemeen zijn we op zoek naar broeders met wat meer levenservaring.” Jonge mensen die online in aanraking met het geloof zijn gekomen kunnen volgens hem nogal „dweperig” zijn. Dat is misschien niet helemaal de juiste match met de „nuchtere trappistenbroeders”.

Later die middag vertelt Pieter van de technische dienst van het klooster dat er vanochtend een reiger rondhing bij de vijver. Het verklaart de brute karpermoord van eerder in de week. „Die vissen zijn zo groot, dat-ie ze uit de bek laat vallen.” Een Indiase broeder stelt voor de vissen uit de vijver dan maar zelf op te eten, zoals monniken dat in de middeleeuwen deden met hun kweekvissen. „Hij maakt geen grapje”, zegt de vader-abt licht geagiteerd.

17.45 uur

Het avondgebed. Ik zit te knikkebollen in mijn koorstoel. Maar dan, opeens: een lofzang. Zoals we er al zoveel hebben gehad. Maar deze keer voelt het anders.

We zingen hem antifoon, wat betekent dat we ons opdelen in twee koren en beurtelings een vers zingen. 

Mijn kant van de kapel heeft er duidelijk minder zin in en zingt een stuk zachter. Hier kan ik met mijn jeugdige stem een steentje bijdragen, realiseer ik me. En dus zet ik aan, en zing uit volle borst:

„Ge-ze-gend zij God, de vader van Jezus Christus, onze heer! Met Christus in de he-mel-en geeft hij ons alle zegen van de geest.”

Weg is de gêne, weg de voorzichtigheid. Voor het eerst voel ik me helemaal onderdeel van de club.

Het is verfrissend om ergens te verblijven waar de idealen zo verschillen van die in de rest van de maatschappij. Monniken zijn niet bezig met het maken van carrière, het hebben van een afgetraind lichaam of het kopen van een huis. En hoewel de broeders de eersten zullen zijn om te beamen dat ijdelheid hen niet vreemd is, gaat het hier om hele andere dingen. Wie het geloof met de meeste overtuiging belijdt, bijvoorbeeld, wie de beste zanger is of – voor een enkeling – wie wordt verkozen tot vader-abt, een functie waarvan het niet de bedoeling is dat je hem nastreeft.

19.30 uur

In processie verlaten we voor de laatste keer die dag de kapel. Ik loop achteraan, samen met de broeders die het meest recent zijn ingetreden. Niet omdat we minder belangrijk zijn maar, zo is me uitgelegd, omdat God heeft bepaald dat we in deze volgorde onze weg naar het klooster hebben gevonden.

Patrick Leigh Fermor beschrijft de laatste gebedsdienst van de dag als een „soort preventieve bezwering tegen de verschrikkingen van de nacht”. Lang werd volgens hem gedacht dat zodra de avond valt, de duivel zijn demonen richting aarde stuurt. Van alle mogelijke plekken zijn de vrome kloosters het aantrekkelijkste doelwit voor de helse horden.

Masturbatie – ik verslikte me even toen het onderwerp tijdens een gesprek spontaan ter sprake kwam – zou volgens de vader-abt geen taboe moeten zijn binnen het monastieke leven. „We vragen mannen te leven in het celibaat, maar durven binnen de orde vervolgens niet te praten over wat dat precies betekent.” Hij probeert er wel over in gesprek te gaan, vertelde hij. „Ik zeg niemand of ze het wel of niet zouden mogen doen, maar we kunnen het wél hebben over de manier waarop het gaat. Waar denk je bijvoorbeeld aan tijdens de handeling? Denken aan een bekende, of iemand waar je verliefd op bent, is misschien niet de bedoeling. ‘Maar ja’, reageerde een broeder ooit. ‘Op een houten plank lukt het ook niet.’”

„Het habijt neemt onze menselijkheid niet weg”, zei de vader-abt eerder vandaag tijdens een kleine preek. Monnik zijn is „geen prestatie die wij eenmaal geleverd hebben, maar een weg die iedere morgen opnieuw begint”.

Een week nadat ik het klooster heb verlaten, zit ik na een feestje op de fiets terug naar huis. In de verte luidt een kerkklok. Vier uur. De broeders beginnen de dag, bedenk ik me. Op afstand neurie ik een psalm mee.

De auteur was te gast bij de Abdij Koningshoeven en mocht van de broeders, ondanks herhaaldelijk aandringen van NRC, niet voor zijn verblijf in het gastenhuis betalen.

Religie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next