Ook in zijn tweede verhoor voor de parlementaire enquêtecommissie corona hield oud-minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge voet bij stuk: het virus bood nauwelijks ruimte voor een andere aanpak. ‘Uiteindelijk gaat het om leven en dood.’
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over de volksgezondheid.
De kracht zit in de herhaling, moet De Jonge donderdag voorafgaand aan zijn tweede verhoor voor de enquêtecommissie hebben gedacht. In zijn eerste verhoor, voor de zomer, sprak hij al over de coronacrisis als ‘twee jaar balanceren’ en ‘lopen op een koord’, en ook nu benadrukt hij de ‘evenwichtskunst’ die hij als minister tijdens de pandemie bezigde. Ook over de maatregelen houdt hij zijn boodschap vast: ja, ze waren pijnlijk, maar tegelijk ‘onvermijdelijk’.
Dat De Jonges verhaal in grote lijnen hetzelfde is, kan geen verrassing zijn voor de commissieleden. De oud-minister verklaart al sinds het einde van de pandemie dat er weliswaar fouten werden gemaakt tijdens de pandemie, maar dat veel van de beslissingen simpelweg niet anders konden.
In de week waarin het thema ‘reflecteren en vooruitkijken’ centraal staat, zet de commissie dan ook niet zozeer in op nieuwe inzichten, maar wil zij vooral de kritiek van andere getuigen nog eens voorleggen aan enkele hoofdrolspelers in de hoop er ‘lessen voor de toekomst’ uit te trekken.
Dat is ook wat er gebeurt tijdens De Jonges tweede verhoor. Afgelopen weken uitten getuigen meermaals kritiek op het handelen van De Jonge en andere bewindspersonen. Met name het gebrek aan aandacht voor de schadelijke gevolgen die de maatregelen voor de samenleving hadden, was een gemene deler.
Voor De Jonge is die kritiek niet nieuw. Hij vindt het bovendien voor een groot deel terecht, zegt hij donderdag. Ook hij denkt dat het bij een volgende pandemie verstandig is om meer perspectieven een vaste plek aan tafel te geven bij het nemen van besluiten.
Tegelijk denkt hij niet dat het tijdens de coronacrisis veel had uitgemaakt als dat was gebeurd. ‘Uiteindelijk gaat het toch om vraagstukken over leven en dood’, zegt De Jonge daarover. ‘Wat het zwaarste is, moet ook het zwaarst wegen. En hoe zwaar eenzaamheid onder jongeren en de sluiting van horecaondernemers ook zijn, je kon niet zeggen: laat om die reden de ziekenhuizen maar overlopen.’
Het is tot nu toe de boodschap van alle nauw betrokken oud-bewindspersonen: de gevolgen van de maatregelen waren zwaar, maar het virus en de impact ervan gaven hun simpelweg geen ruimte om die niet te nemen.
De Jonge gaat in zijn verhoor nog iets verder als hij wordt gevraagd of het kabinet geen last had van ‘tunnelvisie’ door te eenzijdig te focussen op het aanpakken van het virus, zoals onder meer de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) concludeerde. Hij noemt het juist ‘standvastig’ dat het kabinet ondanks alle kritiek vasthield aan de doelstelling om kwetsbaren te beschermen en overbelasting van de zorg te voorkomen. ‘En ik denk dat dat iets krachtigs is.’
Ook de kritiek die (oud-)Kamerleden uitten over de werkwijze van het kabinet heeft nauwelijks vat op de oud-minister. Volgens onder anderen oud-PVV-Kamerlid Fleur Agema kon de Tweede Kamer haar controlerende taak nauwelijks uitvoeren doordat het kabinet maatregelen al voor een debat aankondigde. Ook stuurde het kabinet een grote hoeveelheid informatie pas kort van tevoren.
In tegenstelling tot Agema prijst De Jonge juist het feit dat de parlementaire controle tijdens de pandemie altijd ‘overeind is gebleven’. Volgens de oud-minister heeft de Kamer tijdens de crisis ‘heel vaak’ aanpassingen kunnen doen aan het beleid. Hij had wel begrip voor de hoge werkdruk bij Kamerleden, maar dat er zo veel informatie over hen heen werd gestort, kwam juist doordat het kabinet de Kamer ‘compleet’ wilde informeren.
De commissie confronteert De Jonge in dat verband ook met een appje waarin hij tegenover oud-collega Ferdinand Grapperhaus zijn ongenoegen uitte over de vele Kamerdebatten die hij moest voeren en de tijd die dat wegnam van het bestrijden van de crisis. In het appje noemde hij een debat waarin hij moet opdraven ‘ruk’. ‘Ooit zullen ze hiervoor gestraft worden in het hiernamaals.’
De Jonge noemt die woordkeuze ‘misplaatst’, maar is het nog steeds eens met de strekking van zijn bericht. ‘De intensiteit was gewoon heel hoog’, zegt hij. ‘Ik zou geen ander land weten waar iedere twee weken een coronadebat was.’ Voor een volgende crisis zou het volgens De Jonge goed zijn als daar tussen kabinet en Kamer afspraken over worden gemaakt. ‘Het is het recht van de Kamer, maar het moet wel een beetje doenlijk blijven.’
Tegen het eind van het verhoor wordt De Jonge ook nog geconfronteerd met recente berichtgeving van Nieuwsuur. Uit interne documenten bleek dat het ministerie van Volksgezondheid zich al heel vroeg in de crisis voorbereidde op latere evaluaties van de corona-aanpak, zoals een parlementaire enquête. Het ministerie huurde een bureau in om een eigen ‘narratief’ over de aanpak op te stellen.
De commissie wil weten of het doel daarvan was om alvast controle te hebben op ‘latere kritiek’. Maar volgens De Jonge moet er niet te veel achter worden gezocht. ‘Dit had te maken met het evalueren van jezelf tijdens de crisis. Ook om goed vast te leggen wat we nou voor dingen deden’, zegt hij. ‘We wisten: we gaan iets heel groots doen. Het is onmogelijk dat we daar geen fouten bij gaan maken, maar laten we daar in ieder geval van gaan leren.’
Source: Volkskrant