Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
‘Nou, weet je. Zo kan-ie wel weer’, dacht ik een paar weken geleden, toen ik op een zonovergoten strand lag. Het was de zoveelste keer die vakantie. Spullen inpakken, spullen uitpakken, parasol uitklappen, kinderen insmeren, mezelf insmeren, vervolgens niet weten wat ik met mijn kleverige handen aan moet, boomerbed uitklappen, boek lezen, stokbrood smeren op de koelbox, verkoelende duik, et cetera, et cetera. Het was wel mooi geweest. Dacht ik toen. Alsof een zomer niet opeens afgelopen zou kunnen zijn.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Alsof ik niet met mijn ogen knipperde en nu opeens op een vouwfiets zit met een fladderende regenponcho, binnensmonds scheldend bij elke wegafzetting. De zomer is niet een seizoen om lichtzinnig mee om te gaan. Heb ik haar toch weer te veel voor lief genomen, bedenk ik, terwijl ik mijn benen optrek als ik door een diepe plas fiets. Misschien is het die zomerspijt waardoor ik al een paar dagen een onverklaarbare droefenis voel. Verdriet is een te groot woord, daar is het te troebel voor. Heimwee, dat is het.
Heimwee naar de luie, warme dagen, heimwee naar de dingen die ik nog had willen doen in de zomer, maar niet deed. Aan de andere kant, volkomen in balans met de heimwee is er een net zo diffuse vreugde. Waarschijnlijk is het verlangen. Niet brandend, maar smeulend. Verlangen naar heldere, frisse ochtenden, naar duizend kleuren in de bomen, naar flanellen overhemden, naar copieuze hoeveelheden kaas en port. Het zit al in de lucht; vanochtend rook ik een houtkachel.
Ingeklemd zijn we nu, tussen het verscheiden van de zomer en de geboorte van de herfst. Geen mooiere plek om tijdelijk gevangen te zitten. Tussen heimwee en verlangen. Tussen Sabrina Carpenter en Stevie Nicks. Te laat voor korte broeken, te vroeg voor sjaals. ‘We gingen naar bed in de zomer en werden wakker in de herfst’, schreef Henry David Thoreau in A Week on the Concord and Merrimack Rivers, waarin hij een verslag doet van een boottocht die hij met zijn broer maakte. ‘Want ergens, tijdens een niet vast te stellen moment in de tijd, vergaat de zomer tot de herfst, zoals het keren van een blad.’
Dat niet vast te stellen moment van Thoreau is best vast te stellen. Het is nu. Het was er gisteren, het is er vandaag, het zal er morgen zijn. Misschien overmorgen ook nog. De warmte van de zomer trekt uit de straatstenen. De westenwind blaast verbetenheid op zongebruinde gezichten. De haast keert terug. En daarmee het chagrijn. Het beste ligt weer eens achter ons, verzuchten we terwijl we de foto’s van de vakantie bekijken. Niet waar. Het moet nog komen. Als het er niet nu al is.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant