is opinieredacteur en columnist voor de Volkskrant.
Veel opiniestukken in Nederlandse dagbladen bevatten (deels) teksten die door AI zijn gegenereerd, bleek deze week uit onderzoek van platform AI Report. De meeste hoofdredacties keken er niet van op. Als opinieredacteur ben ik ook niet omvergeblazen door het nieuws. Zo had ik vóór de komst van AI meer dan eens het vermoeden dat een opiniestuk niet was geschreven door de vermelde auteur, maar door menselijke AI: een communicatiemedewerker.
In die zin toont het onderzoek vooral aan dat ‘cheaten’ in het publieke debat niet langer is voorbehouden aan directeuren en politici met een eigen pr-afdeling, maar dankzij AI ook toegankelijker is geworden voor een bredere groep mensen. Of dat gegeven misschien een noodzakelijk kwaad is om het publieke debat te democratiseren, is weer een andere discussie.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Interessanter vond ik de aangehaalde quote van AI-onderzoeker Ethan Mollick in The Financial Times. ‘Authenticiteit wordt overal een groot probleem’, stelde hij. ‘We zijn als maatschappij nog aan het uitzoeken welke delen van het schrijven we menselijk willen houden en welke delen we accepteren als AI.’
Ik zou zeggen: we hebben als maatschappij nooit echt een gesprek gevoerd over de definitie van ‘menselijk schrijven’ en ‘eigen stemmen’, laat staan welke ‘authentieke stemmen’ acceptabel genoeg zijn voor een podium.
De realiteit is immers dat de meeste mensen gelaagd zijn en dus geen specifieke eigen stem hebben, maar voortdurend codeswitchen: schakelen tussen verschillende talen, culturen en sociaal-economische posities, zoals Gloria Anzaldúa bijna vier decennia geleden al beschreef in haar essay How To Tame a Wild Tongue.
Vervang ‘love’ door ‘language’, en codeswitchen laat zich nog het best uitleggen met een passage uit Their Eyes Were Watching God van Zora Neale Hurston: ‘Love is lak de sea. It’s uh movin’ thing, but still and all, it takes its shape from de shore it meets, and it’s different with every shore.’
Zelf spreek en schrijf ik alleen al binnen het Nederlands in minstens vijf verschillende talen met even zoveel stemmen, afhankelijk van de gesprekspartner(s), locatie en situatie. Die stemmen zijn allemaal even authentiek en eigen, en ik beheers die vloeiend.
Maar vraagt u mij welke stem mij het dierbaarst is, dan is het antwoord wat Anzaldúa de ‘home’ tongue noemt: de stem die ik gebruik met de mensen die het langst in mijn leven zijn of bij wie ik mij veilig genoeg voel. In essentie is dat de stem die Nederlands spreekt met leenwoorden uit andere talen, die de ene keer snoeihard is en dan weer liefdevol. Een stem die vrij voelt omdat het niet het gewicht draagt van klassenbewustzijn, hiërarchie op de werkvloer, het gebrek aan deze taalkennis bij de ander of politieke gedoetjes over afkomst.
Een stem bovendien die zich niet makkelijk laat vertalen naar Standaardnederlands. Al was het maar omdat het risico bestaat dat de tekst wordt doodgeslagen met extra toelichtingen en vertalingen tussen haakjes, waardoor de speelse broeja (Surinaams voor ‘chaos’ – ziet u, dit bedoel ik dus) in de toon direct versterft. In eindredactietermen heet zo’n tekst dan ‘onleesbaar’. Je kunt misschien wel íéts van die stem behouden, maar dat vergt jarenlange training.
Kranten kunnen dus wel snakken naar authentieke stemmen, maar wat blijft er van die authenticiteit over als het Standaardnederlands en overtuigingen van wat een goed en leesbaar opiniestuk is nu nog grote drempels vormen?
Source: Volkskrant