De uit Hongarije afkomstige Eva Besnyö (1910-2003) is een van de grote Nederlandse fotografen van de 20ste eeuw. Toch vond haar nalatenschap pas kort geleden vast onderdak. De omslag in denken en werk die Besnyö gedurende haar bewogen leven meemaakte, heeft daar alles mee te maken.
is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over fotografie en de zakelijke kant van de kunstwereld.
Een straathoek, wat wandelende mensen op het trottoir, een reclamezuil. Kinderen spelen rond een auto. Al met al een weinig opzienbarend schouwspel, en toch trekt de foto de aandacht.
Die werd in 1931 genomen, vanaf een hoog balkon, wat een opvallende compositie opleverde. De zon stond op het moment van afdrukken laag. De lange schaduwen suggereren beweging en dragen bij aan de sterke lijnen in de foto.
Van dezelfde plek, de Starnberger Straße in Berlijn, is door dezelfde maker, misschien wel op dezelfde dag en vanaf hetzelfde balkon, nog een opname gemaakt. Daarop is louter het kruispunt te zien. Een fietser steekt ogenschijnlijk loom de viersprong over. Op een van de hoeken staat een groepje mensen te praten. Ook hier werpt de zon langgerekte schaduwen.
‘Beng, met zo’n beeld boort ze zich dus de geschiedenis in’, zegt Willem Diepraam zeventig jaar later in een documentaire, terwijl hij in een boek op de foto van het kruispunt wijst. Hij is niet alleen fotograaf, maar ook een verzamelaar en taxateur van foto’s. ‘Zo’n beeld is zo overstelpend en overtuigend. En staat dus schouder aan schouder met het beste wat er in die tijd gemaakt is.’
Hij doelt op de ‘Nieuwe Fotografie’, die na de Eerste Wereldoorlog ontkiemde in Midden-Europa. De aanhangers van deze stroming wezen het populaire ‘picturalisme’ af, waarbij de fotografie de schilderkunst probeerde na te bootsen. Zij legden de wereld op objectieve en experimentele wijze vast, waarbij verrassende camerastandpunten en sterke lijnen een belangrijke rol speelden. Fotografie moest in hun ogen een autonoom uitdrukkingsmiddel zijn. Vele van hun foto’s werden beroemd, en dus kostbaar.
Wat de twee opnamen in Berlijn nog unieker maakt: ze zijn genomen door een nog jonge vrouw. Eva Besnyö was in 1930, net 20 jaar oud, van haar geboorteplaats Boedapest naar de Duitse hoofdstad getrokken, juist omdat de fotografie daar nieuwe wegen insloeg. Ze verbleef er twee jaar, waarna zij zich voorgoed in Nederland vestigde.
Als Willem Diepraam in de documentaire zijn lofrede afsteekt over de foto van het kruispunt in de Starnberger Straße, staat Besnyö op het punt het bovenhuis in Amsterdam-Zuid te verlaten dat ze een halve eeuw heeft bewoond. Ze heeft een plek bemachtigd in een huis voor kunstenaars op leeftijd. Het is een goed moment om afstand te doen van haar werk, dat ze altijd thuis heeft bewaard.
Tijdens dit proces wordt ze gefilmd door haar veel jongere collega Leo Erken, die een documentaire maakt (Eva Besnyö – De Keurcollectie verschijnt in 2002, in het jaar daarna overlijdt Besnyö, 93 jaar oud). De negatieven van het werk van Besnyö gaan naar een archief. Daarnaast heeft ze nog veel afdrukken in huis. Wat moet ze daarmee doen? Ze heeft Diepraam om advies gevraagd.
Hij meent dat je als fotograaf zelf moet beslissen wat je daarvan achterlaat, zodat je ook zelf de kwaliteit daarvan kunt bepalen. Met instemming van Besnyö worden, zo is in de documentaire te zien, alle prints een voor een bekeken. Wat goed is, blijft. Wat slecht is, wordt doorgescheurd en verdwijnt in de vuilniszak.
Het eindresultaat van dat selectieproces is vanaf zaterdag voor het eerst voor publiek te zien. Fotomuseum Den Haag kocht twee jaar geleden 341 afdrukken van Iara Brusse, de dochter van Besnyö, en toont ruim de helft daarvan in een expositie.
De collectie is bijzonder, omdat vrijwel geen fotograaf aan het eind van zijn of haar leven een soortgelijke keuze maakt; het is gebruikelijk dat alle afdrukken in het archief blijven zitten.
Nog een reden om de tentoonstelling te bezichtigen: Besnyö was al bij leven uitgegroeid tot een internationaal tentoongestelde en gelauwerde fotograaf, vooral op basis van haar opnamen uit de vroege jaren dertig van de 20ste eeuw. Zoals die uit de Starnberger Straße, maar ook de van achteren genomen foto van een zigeunerjongetje in Hongarije dat op zijn rug een bas draagt die groter is dan hijzelf.
Dat beeld dateert eveneens uit 1931. Daarna zou haar werk ingrijpend veranderen door gebeurtenissen in haar leven.
Ze leert het vak in Boedapest, als middelste dochter in een welgesteld gezin. Ze maakt al vroeg foto’s, maar weet aanvankelijk niet dat dit ook een heus beroep is. Als ze begint aan een opleiding tot fotograaf staat onmiddellijk voor haar vast dat dit haar bestemming is.
Haar vader, een jurist die zijn Joodse achternaam Blumgrund in het meer Hongaars klinkende Besnyö heeft veranderd, stimuleert haar. Hij schenkt haar een Rolleiflex-camera (waarmee ze decennialang zal fotografen) en het in 1928 verschenen Die Welt ist schön van Albert Renger-Patzsch, een Duitse fotograaf die tot de voorhoede behoort van de Nieuwe Fotografie. Dat fotoboek wordt een bijbel voor Besnyö.
Ze mag van haar vader haar opleiding vervolgen in Parijs. György Kepes, een kunstzinnige veelkunner die ze in Boedapest heeft ontmoet, adviseert haar echter om naar Berlijn te gaan. Daar maakt de fotografie volgens hem een grote ontwikkeling door. Parijs is volgens hem passé. Haar vader houdt voet bij stuk. Berlijn vindt hij te gevaarlijk voor zijn nog jonge dochter. Na lang aandringen mag ze er toch heen.
In de Duitse hoofdstad dompelt ze zich onder in de Nieuwe Fotografie. Kepes werkt daar inmiddels in de ontwerpstudio van László Moholy-Nagy, ook al een Hongaar en een aanjager van de revolutionaire stroming. Besnyö ziet in het eerste halfjaar Kepes bijna elke dag (ze is ook verliefd op hem). Dankzij hem vergaart ze veel kennis.
Praktische ervaring doet ze op als vrijwillig assistent van fotografen. Ze beleeft een ‘fantastische tijd’ in de studio van Peter Weller – hij geeft haar veel vrijheid, al verschijnt haar werk wel onder zijn naam. Heimwee naar Hongarije heeft ze niet. ‘In Berlijn ben ik geboren als de Eva Besnyö die ik ben geworden’, zal ze later zeggen.
In 1932 voelt ze zich echter gedwongen de stad te verlaten. De opkomende nazipartij vormt voor haar als Joodse een bedreiging. Ze verkast naar Nederland, waar haar vriend vandaan komt, de Nederlandse filmer en fotograaf John Fernhout. Ze vestigt zich in Amsterdam en wordt liefdevol in zijn familie opgenomen.
In een klap staat ze in het hart van cultureel Nederland. Fernhouts moeder, de schilder Charley Toorop, kent vooruitstrevende kunstenaars, dichters, filmmakers, architecten. Besnyö schiet rolletjes vol met het artistieke leven in en rond Villa De Vlerken, de atelierwoning van Toorop in het Noord-Hollandse dorp Bergen.
De schilder, die weg is van haar nieuwe schoondochter en ook haar talent ziet, helpt haar een eerste tentoonstelling te krijgen in een galerie, waardoor ze een naam kan opbouwen. Besnyö pakt van alles aan om geld te verdienen: portretten, reportages en architectuurfotografie. Vooral in dat laatste genre blinkt ze uit. Dankzij haar kennis van de Nieuwe Fotografie heeft ze Nederlandse opdrachtgevers veel te bieden.
Haar internationale contacten komen goed van pas als ze helpt om een grote fototentoonstelling op te zetten in het Stedelijk Museum Amsterdam. Ze ontpopt zich als een drijvende kracht, mede doordat haar mannelijke mede-organisatoren het laten afweten. Foto ‘37 komt te boek te staan als een baanbrekende expositie.
De relatie met Fernhout, die veel in het buitenland is als cameraman van de documentairemaker Joris Ivens, komt ten einde, tot haar verdriet. Ze blijft met hem getrouwd, uit voorzorg: de macht van de nazi’s blijft in Duitsland groeien en hij is niet Joods. De warme band met Charley Toorop houdt stand. In 1939 gaat Besnyö samenwonen met de grafisch ontwerper Wim Brusse.
Tijdens de oorlog wordt haar vader vermoord in een concentratiekamp. Haar moeder en twee zussen weten tijdig te vluchten. Zij kiest ervoor om in Nederland te blijven en moet in 1942 onderduiken. Twee jaar later wordt ze ‘geariseerd’: dankzij vervalste papieren geldt ze niet meer als een volbloeds Joodse en kan ze de straat weer op. Ze verricht verzetswerk door portretfoto’te maken voor nagemaakte persoonsbewijzen.
In de Hongerwinter wordt ze zwanger. Ze krijgt in 1945 een zoon en drie jaar later een dochter, die ze vernoemt naar in de oorlog omgekomen verzetsmensen die ze kende. Ze treedt toe tot de net opgerichte GKf, een groep van gelijkgezinden die een stempel zal drukken op de fotografie in Nederland. Als de kinderen wat groter zijn, zet ze haar werk op een lager pitje om er meer voor hen te kunnen zijn – wat niet helemaal lukt, geeft ze later toe.
In 1968 eindigt haar relatie met Brusse. Ze wordt ernstig ziek en depressief, ook omdat de kinderen inmiddels het huis uit zijn. In 1970 sluit ze zich aan bij de Dolle Mina’s, die demonstreren voor meer vrouwenrechten, een doel dat ze hartgrondig steunt. Zes jaar lang is ze de huisfotograaf van de beweging.
Haar zoon bezwijkt daarna op 33-jarige leeftijd aan kanker, een gebeurtenis waarover ze nooit in de openbaarheid zal spreken. Ze brengt haar archief op orde. Ze kiest uit haar negatieven de tweehonderd beste beelden, die ze de ‘Keurcollectie’ doopt (Leo Erken ontleent er twintig jaar later de titel van zijn documentaire aan).
Decennialang zet ze zich ook achter de schermen in voor de fotografie. Zo helpt ze Foam (Fotomuseum Amsterdam) oprichten en maakt ze deel uit van het bestuur van het Maria Austria Instituut, het archief waarin het werk van tientallen Nederlandse fotografen ligt opgeslagen. Dat van haar, besluit ze, zal daar ook heen gaan.
Sinds Besnyö in 1952 haar huis in Amsterdam-Zuid betrok, bewaart ze al haar negatieven in dezelfde kast. In de documentaire van Erken is te zien dat die na vijftig jaar wordt leeggehaald. Adriaan Elligens, directeur van het Maria Austria Instituut, komt de glasplaten, filmstroken en contactafdrukken persoonlijk ophalen.
Hij beziet Besnyös oeuvre vooral in het licht van de hoogstaande reportagefotografie die in Nederland is gemaakt en waarvan zich vele voorbeelden in zijn archief bevinden. Hij vindt het niet alleen prachtig, zo vertelt hij voor de camera, dat zijn instituut een internationaal geprezen oeuvre mag ontvangen, maar ook dat dit wordt herenigd met het werk van voormalige collega’s van haar.
Diepraam betreurt het daarentegen dat Besnyö zich na haar revolutionaire ontwikkeling in Berlijn heeft aangepast aan de documentaire stijl van haar Hollandse vakgenoten. Hij erkent dat de vele foto’s die ze van de Dolle Mina’s nam, historisch gezien belangrijk zijn; de beweging heeft veel betekend voor de emancipatie van vrouwen. Maar het zijn rechttoe rechtaan reportagefoto’s, die het volgens hem niet halen bij het vroege werk. In de verzameling afdrukken die mogen blijven, worden er daarom slechts drie afdrukken van opgenomen.
Besnyö is het met hem eens wat de kwaliteit van de Dolle Mina-foto’s betreft. Ze vertelt openhartig voor de camera dat ze geen persfotograaf is die op het juiste moment weet af te drukken. Maar ze zegt ook dat ze niet meer het esthetisch aantrekkelijke werk wilde maken dat ze in Berlijn schoot. ‘In die tijd was voor mij vorm primair. En daar ben ik totaal op teruggekomen.’ Op de vraag waarom ze van standpunt is veranderd, antwoordt ze: ‘Omdat ik in de oorlog ondervond dat inhoud heel ingrijpend kan zijn.’
Rond dezelfde tijd stelt ze in een interview in het tv-programma De Plantage dat ze door de oorlog ‘totaal veranderd’ is. Vrienden van haar werden door de Duitse bezetter gefusilleerd, pleegden zelfmoord of kwamen om in concentratiekampen. ‘Je hebt enorme klappen gekregen en afbraak gezien, wat je hele opvatting over het leven veranderde’, legt ze uit.
Hoe groot de omslag in haar denken is, bewijst ook haar veranderde mening over de foto’s die ze in 1940 in Rotterdam maakte, enkele maanden na het grote bombardement van het Duitse nazi-regime. Op die beelden is geen mens te zien, louter verwoesting. Ze wijst deze serie later niet alleen af, maar zegt in de documentaire zich zelfs daarvoor te schamen. Omdat ze de puinhopen te mooi heeft gefotografeerd. ‘Het had schrijnend moeten zijn, maar dat is het helemaal niet.’
De verzameling vintage prints die Besnyö en Diepraam hebben geselecteerd, wordt na haar dood bij meerdere musea aangeboden. Pas twintig jaar later wordt de collectie aangekocht, door Fotomuseum Den Haag. Niet alles daarin is even sterk, menen kenners. Besnyö moest in haar werkzame leven om tal van redenen concessies doen.
Bovendien had ze niet al haar werk nog in eigendom. Zo had ze de foto van het kruispunt in Berlijn, door Diepraam zo bejubeld, in 1985 verkocht aan het Stedelijk Museum Amsterdam (en daarom hangt die niet op de tentoonstelling in Den Haag).
Veel bestaat ook niet meer, zoals bijna alle beelden die zij in 1931 voor de studio van Peter Weller schoot. Diens archief ging in de Tweede Wereldoorlog verloren. Alleen de afdrukken die Besnyö extra voor zichzelf had gemaakt, zijn er nog.
De verzameling past goed in het Haagse museum: de instelling heeft veel voorbeelden van Nieuwe Fotografie in de collectie – en nu ook de meeste Besnyö-afdrukken ter wereld.
Voor de opening van de tentoonstelling valt er al een succes te noteren. Rencontres d'Arles, het prestigieuze fotofestival dat jaarlijks plaatsvindt in Zuid-Frankrijk, neemt die over voor de editie in 2027. Directeur Christoph Wiesner raakte geïnspireerd door het leven van Besnyö, waarin de roerige geschiedenis van Europa als het ware is samengebald.
Migrant, vluchteling, vervolgde, verzetsstrijder, moeder, voorvechter van vrouwenemancipatie: ze stond in haar leven op heel wat kruispunten.
Eva Besnyö – De bevrijde camera, Fotomuseum Den Haag, 5/9 t/m 31/1. Bij de tentoonstelling verschijnt een gelijknamige catalogus, Hannibal Books, € 64,50. De documentaire Eva Besnyö - De Keurcollectie (51 minuten) is op de expositie te zien.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant