Home

Smachten, zingen, dansen in de regen: wat maakt de films van regisseur Jacques Demy zo onweerstaanbaar Frans?

Franser dan de films van Jacques Demy is de cinema nooit geworden. Niemand wist de onbezonnenheid en het optimisme van de jaren zestig beter te vangen in beeld, muziek, kleur en dans. Nu zijn vijf grootste films weer draaien: wat maakt ze toch zo verrukkelijk?

was jarenlang correspondent in Frankrijk voor de Volkskrant.

Het zijn de jaren waarin het geluk niet op kan. Frankrijk maakt de mooiste auto’s, laat de snelste treinen rijden, bouwt supersonische vliegtuigen, heeft internet voordat iemand weet wat dat is. De briljantste schrijvers, de ingewikkeldste filosofen, de gevoeligste zangeressen, de knapste acteurs en de langste president zijn Frans.

En dan is er nog al dat eten en drinken... de rest van de wereld kan er alleen maar naar kijken en zich amechtig afvragen: wat doen wij in hemelsnaam verkeerd? Hoe kan het dat alles wat een beetje de moeite waard is uit Frankrijk komt?

‘Les trente glorieuses’ werden die eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog genoemd toen ze eenmaal voorbij waren. Dertig jaren van voorspoed en zorgeloosheid, waarin alles wat in de oorlog was kapotgemaakt weer werd opgebouwd, bij voorkeur beter dan daarvoor. Die dertig jaar, die eindigen met de oliecrisis van 1973, dat is de periode die Jacques Demy (1931-1990) in zijn films laat zien.

Plekken waar je heen wil

Franser dan Demy – vooral in Les parapluies de Cherbourg (1964) en Les demoiselles de Rochefort (1967) – is de cinema nooit geworden. Hij vangt de zorgeloosheid, de naïviteit, het optimisme, de onbezonnenheid van die tijd in beelden en muziek – stemmingen die lastig naar film te vertalen zijn, omdat het dan al snel onnozel of saai kan worden.

Demy slaagt erin, omdat hij aan dat geluk een structuur geeft waardoor hij kan doorschakelen naar euforie en uitzinnigheid. Een prille liefde wordt bij Demy al snel een uitgelaten dans in de regen. Sterker nog: door zijn kleuren en dynamiek verandert Cherbourg, van zichzelf een naar binnen gekeerde havenstad, in een bruisende plek waar je het liefst meteen heen zou willen.

Gelukkige jaren

Wie beter kijkt, ziet dat Demy voorbij die euforie oog heeft voor de keerzijde van die gelukkige jaren: de sappelende middenstanders die met een door de oorlog uitgedunde bevolking geen klandizie overhouden, de jeugd die vertrekt uit de provincie, de vele gebroken gezinnen.

Vijf films die Demy maakte tussen 1960 en 1970 zijn afgestoft en nu weer te zien in de bioscoop: Lola, La baie des anges, Les parapluies de Cherbourg, Les demoiselles de Rochefort en Peau d’âne. Dat zijn ook de films waarmee hij school heeft gemaakt. Hedendaagse regisseurs als Damien Chazelle (La La Land), Todd Phillips (Joker: Folie à Deux) en Greta Gerwig (Barbie) lieten zich erdoor inspireren.

Les parapluies de Cherbourg (1964) is de film waarmee hij zijn beeldtaal uitvindt. Hij krijgt er op het festival van Cannes de Gouden Palm voor en wint twee Oscars. Na twee zwart-witfilms had Demy eindelijk het budget om in kleur te draaien. En wat voor kleuren! Het openingsshot is een van bovenaf gefilmd ballet van gekleurde paraplu’s, dansend in een gestileerde regen die zowat een film lang op de prachtig glimmende klinkerstraten van de Normandische havenstad Cherbourg zal vallen – Demy houdt van havens.

Knappe mensen

Niet alleen de klinkers zijn mooi, ook alle mensen zijn buitengewoon knap, ze dragen ook nog eens bijzonder smaakvolle en toch niet aanstellerige kleren. Dat geldt natuurlijk vooral voor Catherine Deneuve, de grote ster in de films van Demy, die hier als Geneviève een van haar eerste grote rollen speelt.

Geneviève is de dochter van de eigenares van Les parapluies de Cherbourg, de parapluwinkel van de stad. Ze wordt verliefd op een jonge automonteur, en hij op haar, wat aanleiding is voor veel smachten en zingen. Maar ze verruilt hem moeiteloos voor een passerende diamantair met een snorretje, en ook hij verpandt zijn hart snel weer aan een ander. Dat is de ondraaglijke lichtheid van het bestaan in de films van Demy, waar de lyriek het doorgaans ruimschoots wint van het drama.

Hallucinant universum

Voor het verhaal hoef je niet naar Cherbourg, dat zal duidelijk zijn. Maar des te meer voor dat hallucinante universum dat Demy optuigt. Dat komt ook doordat alles wordt gezongen. Dus ook zinnetjes als: ‘Tante Elise, hoe is het met uw benen?’ Klinkt vreemd, maar aangezien in de wereld van Demy al het ongewone normaal is, past het naadloos. Demy wordt vaak tot de nouvelle vague gerekend, de stroming waartoe regisseurs als Jean-Luc Godard, François Truffaut en Agnès Varda behoorden. Maar anders dan zij is Demy licht en opgewekt.

Liever ingewikkelde choreografieën dan dito intriges, liever hartstocht dan gepsychologiseer, liever onschuld dan zware complexen. Naar de diepere drijfveren van zijn personages blijft het gissen, hooguit duikt soms een jeugdverhaal op over een verbroken liefde. Liefde is sowieso de drijvende kracht achter alle handelen, waar dat toe kan leiden is van later zorg. Het leven is bij hem te kort om bij de pakken neer te zitten.

Les demoiselles de Rochefort (1967) levert daarvan de overtreffende trap. De film begint met een kermiskaravaan die rijdt over de imposante smeedijzeren zweefbrug die de grootste bezienswaardigheid van het Zuid-Franse havenstadje Rochefort vormt. Met Rochefort kan Demy uitpakken. Het slaperige stadje krijgt voor de film een grondige make-over, de gevels werden geschilderd in felle kleuren, er komt een feestterrein op het grote plein: Rochefort wordt mooier dan ooit en de lucht is er altijd blauw.

De Amerikaanse steracteur Gene Kelly doet mee, net als Michel Piccoli. Meer nog dan Cherbourg is Rochefort een dansfilm, elk moment kan aanleiding zijn voor een volgende show. De tweelingzussen Delphine en Solange, gespeeld door Deneuve en Françoise Dorléac (die ook in het echte leven haar zus was), zijn de ballet- en muziekjuf van het stadje.

Overal matrozen

De tweeling wil vooruit, Rochefort is voor hen te klein. Zoals in bijna alle films van Demy wemelt het in Rochefort van de matrozen; in hun witte uniformen en met een rode pompon op de muts duiken ze overal op. Al is de oorlog nog recente geschiedenis, van hen gaat geen dreiging uit. Het zijn pretmatrozen, ook hun avances blijven in het nette.

Met Peau d’âne (1970) ontstijgt Demy dan echt de werkelijkheid. Geen provinciestadjes meer, maar een sprookjeskasteel waarin een koning woont met zijn vrouw en dochter (alweer Deneuve). Om zijn geluk compleet te maken is er een ezel die geld en edelstenen poept.

Als de koningin sterft, moet de koning op zoek naar een nieuwe vrouw. Omdat hij de mooiste wil, valt de keus op zijn eigen dochter. In films van Demy is zoiets niet vreemd. Bovendien staan de sixties in volle bloei, Parijs is net door mei ’68 op de kop gezet, taboes zijn er om geslecht te worden.

Ziek van verliefdheid

Dochterlief moet bij haar peetmoeder, tevens fee, te rade om te horen of zo’n huwelijk kan. Als die onverbiddelijk is, laat ze de ezel van haar vader slachten, hult zich in diens huid en vlucht. Vanaf dan heet ze Peau d’âne – ezelvacht. Een prins vangt een glimp van haar op en wordt ziek van verliefdheid. Inderdaad, Assepoester is niet ver weg, Ezeltje strek je trouwens ook niet.

Om de verhalen gaat het niet bij Demy, wel om de schitterende scènes waartoe ze aanleiding geven, zoals die waarin de prinses de jurken past die haar vader voor haar laat maken, met de kleuren van het weer, de zon en de maan. Of die met de lange stoet meisjes die de prinselijke ring willen passen die uiteindelijk alleen soepel aan de vinger van Peau d’âne schuift.

Er zit nogal wat flowerpower in deze Peau d’âne, dat zie je aan het pluchen beest waarop de troon van de koning steunt, aan de hippie-regenbogen in het paleis en aan het witte bootje waarin prins en prinses voorbijvaren, ieder lurkend aan een pijp. Dat er een helikopter aan de horizon verschijnt, is niet zo vreemd in een koninkrijk waar alle dienaren zo blauw als smurfen zijn.

De kiemen voor die kleurenpracht zie je in de films die Demy vroeg in de jaren zestig maakte. Lola (1961) is opgenomen in Nantes, zijn geboortestad. Daar verschijnt een witte cabriolet met aan het stuur een man die het verleden wil laten herleven. Danseres Lola (Anouk Aimée) vertrekt met deze oude liefde, en laat de arme jeugdvriend die ook verliefd op haar is eenzaam achter op de kade.

Chansons en swing

Lola is gedraaid in zwart-wit, kleur was te duur. Ook de hoeveelheid dans moest worden beperkt omdat de middelen beperkt waren. Al wel aanwezig is de muziek van Michel Legrand, de huiscomponist van Demy. Zijn jazzy orkestpartijen zijn cruciaal voor de sfeer, je hoort er chansons maar ook Amerikaanse swing in terug. In Lola versterkt hij de onrust met springerige slagwerksolo’s.

De gedeelde eenzaamheid spreekt nog sterker uit La baie des anges (1963). ‘Je lijkt op een Amerikaans romanpersonage’, zegt bankbediende Jean tegen de glamoureuze gokster Jackie (Jeanne Moreau). Hij is zo’n typische eenzaat die Demy door zijn films laat dwalen, zij is grillig, warrig, verstrooid en verstaat hem maar half. Aan Jean blijft ze vooral hangen omdat die haar geluk brengt in het casino. Dat ze samen verdergaan, is vooral omdat het getweeën beter is dan alleen.

Angstvallig buiten beeld

Veel in de films van Demy is autobiografisch. Zijn vader was automonteur, net als de hoofdpersoon in Cherbourg, een meisje in Lola wil kapster worden, zoals zijn moeder was. Er is een cruciaal autobiografisch gegeven dat Demy angstvallig buiten beeld hield. Van 1962 tot zijn dood in 1990 was hij getrouwd met filmmaker Agnès Varda, ze kregen samen een zoon. Na zijn dood vertelde Varda dat hij biseksueel was, en dat hun huwelijk daardoor niet altijd gemakkelijk was.

Ze zou een liefdevol filmportret van hem maken, Jacquot de Nantes (1991), waarin ze vertelde over zijn jeugd in de oorlog. Nog weer veel later, in de documentaire Les plages d’Agnès (2008), onthulde ze dat hij niet aan kanker maar aan de gevolgen van aids was overleden. De lichtheid van zijn films was geen weerspiegeling van zijn eigen leven.

De vijf opnieuw uitgebrachte films van Jacques Demy – Lola (1961), La baie des anges (1963), Les parapluies de Cherbourg (1964), Les demoiselles de Rochefort (1967) en Peau d’âne (1970) – draaien in vrijwel alle grotere filmhuizen. De documentaire Jacques Demy, le rose et le noir (2024) draait in het Eye Filmmuseum op 3/9 en 11/9.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next