Rouw laat zich niet afmeten aan het aantal dagen dat iemand heeft geleefd. En ook niet aan het aantal jaren dat iemand onderdeel was van je leven. Rouw gaat over alles wat je samen nooit meer zult beleven.
Hoeveel kinderen heb je? Op die vraag weet ik eigenlijk nooit goed wat ik moet antwoorden. Meestal zeg ik vijf. Een leugen. Het zijn er zes.
Deze zomer verloren twee Nederlandse voetballers hun pasgeboren kind. In juni de zoon van Cody Gakpo, Elijah, midden in het WK. In augustus de dochter van Mats Seuntjens, Celine Inaya. Beide kinderen werden bij naam genoemd in een verklaring van de club, en het hele land las mee.
Gakpo stond dagen later weer op het veld. Hij scoorde, viel op zijn knieën, en de hele selectie kwam naar hem toe. Ze hoefden niets op te lossen. Ze hoefden niets te zeggen. Ze waren er gewoon.
Over de auteur
Saskia Ebbers is spreker en schrijver over rouw, verlies en verder leven. Ze was wethouder van de gemeente Westerwolde.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Toen mijn zoon overleed, in 2003, bestond die taal niet. Ik was 21 toen ik na dertig weken zwangerschap het HELLP-syndroom kreeg. Mijn zoon Lars werd veel te vroeg geboren. Zelf lag ik op de intensive care. Met hem leek het eerst goed te gaan. Met mij niet. Pas dagen later kon ik hem voor het eerst vasthouden. Een dag later was hij hersendood. Hij overleed in mijn armen.
Ik verloor mijn eerste kind. Ik verloor ook de toekomst waarin ik hem zou leren fietsen. Zijn eerste schooldag. Zijn verjaardagen. In een paar dagen verdween niet alleen mijn zoon, maar ook het leven dat ik al voor me zag.
Toen ik weken later het ziekenhuis mocht verlaten, wilden artsen mij meteen weer laten opnemen. Op een psychiatrische afdeling. Ze maakten zich zorgen om hoe het met mij ging. En natuurlijk ging het niet goed. Mijn zoon was overleden. Dat is geen ziekte. Dat is rouw.
De eerste jaren noemde ik hem nog weleens. Al snel voelde het alsof hij er niet toe deed, omdat hij nog zo jong was. Geen echt leven had gehad. Dus leek het of mijn verdriet er ook niet mocht zijn. Iets wat ik weg moest stoppen, iets waar niemand naar vroeg. Geen vragen, geen taal. Niets. Dus zeiden mensen de dingen die niet hielpen. ‘Gelukkig ben je nog jong’, ‘gelukkig kun je nog kinderen krijgen’. Alsof mijn verdriet minder was dan dat van iemand die een ouder kind had verloren. Dat idee plantte zich in mijn hoofd.
Pas jaren later begreep ik dat er geen meetlat is voor verdriet. Want rouw laat zich niet afmeten aan het aantal dagen dat iemand heeft geleefd. En ook niet aan het aantal jaren dat iemand onderdeel was van je leven. Rouw gaat over alles wat je samen nooit meer zult beleven. Daarom doet een miskraam pijn. Daarom doet een stilgeboorte pijn. Daarom doet een kinderwens die nooit uitkomt pijn. Elk verlies neemt zijn eigen toekomst mee.
Mijn verhaal staat niet op zichzelf. In 2024 overleden in Nederland 1.254 kinderen vlak voor, tijdens of kort na de geboorte. Op 161.069 geboorten is dat ongeveer één op de 128. Achter elk van die getallen zit een gezin dat niet alleen een kind verloor, maar ook een toekomst.
Van vaders wordt na een paar dagen weer verwacht dat ze presteren. Alsof zij niet zozeer een kind verloren, maar vooral weer medewerker moeten zijn. Wat er daar na dat doelpunt gebeurde was dan ook geen troost. Het was erkenning. Geen oordeel, geen vergelijking, geen ‘gelukkig’. Gewoon ruimte voor verdriet. Dat kan iedereen geven, ook zonder stadion.
Als iemand mij nu vraagt hoeveel kinderen ik heb, aarzel ik soms nog even. Maar steeds vaker zeg ik zes. Omdat Lars mijn zoon is. Niet was. Is.
En omdat geen enkel verlies te klein is om genoemd te worden. Ook niet het kind dat er nooit kwam.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant