Home

Opinie: Is stikstof werkelijk het grootste probleem van de Nederlandse landbouw?

Boeren protesteren opnieuw en de discussie verhardt over de aanpak van de stikstofcrisis. Maar stikstof is niet hét probleem. Om uit de loopgraven te komen zou het goed zijn naar de toekomst te kijken: welke landbouw willen we eigenlijk in Nederland?

Nederland praat al ruim veertig jaar over stikstof. Eerst vooral vanwege de vervuiling van grond- en oppervlaktewater, later steeds nadrukkelijker vanwege de gevolgen voor de natuur. Sinds de uitspraak van de Raad van State in mei 2019 is stikstof bovendien uitgegroeid tot een economisch en politiek vraagstuk: vergunningverlening kwam grotendeels stil te liggen, met grote gevolgen voor woningbouw, infrastructuur en bedrijven.

Zeven jaar, vele boerenprotesten en drie kabinetten later ligt er opnieuw een pakket maatregelen op tafel. Landbouwminister Jaimi van Essen presenteerde vlak voor het zomerreces de plannen waarmee het kabinet de stikstofproblematiek de komende jaren wil aanpakken.

Over de auteur

Jan Willem Erisman is hoogleraar milieu en duurzaamheid aan de Universiteit Leiden en voorzitter van de Wetenschappelijke Klimaatraad.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Nieuwe bedreiging

De richting van de plannen is begrijpelijk. Als stikstof niet langer een blokkade vormt voor vergunningverlening, is dat goed voor zowel de natuur als de economie. Maar voor veel boeren voelt het beleid vooral als een nieuwe bedreiging voor hun bestaanszekerheid. De voorgenomen maatregelen roepen vragen op over de prestaties die van individuele boeren worden gevraagd, over de financiële compensatie en over de zekerheid dat investeringen in verduurzaming daadwerkelijk perspectief bieden. De discussie verhardt en de angst onder boeren groeit, zeker nu wordt gedreigd met het intrekken van de vergunningen van vijf pluimveehouders in Noord-Brabant; dit kan dus iedere boer overkomen.

En toch dreigt er iets belangrijks uit beeld te raken: stikstof is een probleem, maar stikstof is niet hét landbouwprobleem. Terwijl Den Haag zich vastbijt in stikstof, worden we deze zomer opnieuw geconfronteerd met een ander probleem: klimaatverandering. We hebben inmiddels vijf regionale hittegolven achter de rug en kampen met een grote droogte. Door de lage waterstanden mogen boeren niet overal meer beregenen. Dat is logisch. De veiligheid van dijken en de beschikbaarheid van drinkwater gaan vóór het beregenen van gewassen en het vullen van kassen. Maar daarmee wordt ook zichtbaar hoe kwetsbaar onze landbouw is geworden voor een veranderend klimaat.

De landbouw ondervindt de gevolgen van klimaatverandering, maar draagt er tegelijkertijd zelf aan bij. Denk aan de uitstoot van methaan door rundvee en varkens en aan de uitstoot van broeikasgassen door ontwatering van veenweidegebieden. En stikstof is bepaald niet het enige vraagstuk. Ook het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, zoönosen, vogelgriep, dierenwelzijn en de achteruitgang van de biodiversiteit in het agrarisch gebied vragen om antwoorden. Wie alleen naar stikstof kijkt, ziet dus maar een deel van het probleem.

De echte vraag is daarom niet hoe we de stikstofnormen zo efficiënt mogelijk kunnen uitvoeren. De vraag is: welke landbouw willen we eigenlijk in Nederland?

Niet theoretisch

Dat is een fundamenteel andere discussie. Zelf bepalen welke landbouw we in Nederland willen, betekent dat de overheid, boeren, natuurorganisaties, onderzoekers en andere betrokken partijen samen een helder toekomstbeeld ontwikkelen. Een landbouw die gezond voedsel produceert, boeren een goed en stabiel inkomen biedt, binnen de grenzen van het klimaat en de leefomgeving past en tegelijkertijd bijdraagt aan biodiversiteit en het landschap.

Dat klinkt misschien ambitieus, maar het is niet theoretisch. Er zijn inmiddels genoeg boeren die laten zien dat andere productiesystemen mogelijk zijn. De vraag is niet of verandering mogelijk is, maar of we bereid zijn om die verandering gezamenlijk vorm te geven. Daarvoor is ook geld beschikbaar. Het kabinet heeft ongeveer 20 miljard euro gereserveerd voor de aanpak van de landbouw- en stikstofproblematiek. Dat is een enorm bedrag. Gaan we dat geld vooral gebruiken om de huidige landbouw stap voor stap door steeds nieuwe milieuregels heen te loodsen, of om daadwerkelijk te investeren in een landbouw die over twintig of dertig jaar nog steeds toekomst heeft?

Als politiek en boerenorganisaties de komende maanden opnieuw tegenover elkaar komen te staan, zou het daarom verstandig zijn om niet meteen de volgende loopgraven te graven. Begin met het gezamenlijke toekomstbeeld. Niet beginnen met de vraag hoeveel stikstof een individuele boer moet verminderen. Niet beginnen met de vraag welke vergunning wanneer wordt ingetrokken. Maar met de vraag waar we over twintig jaar willen staan.

Positief doel

Welke landbouw willen we? Waar willen we voedsel produceren? Hoeveel ruimte geven we aan natuur en landschap? Hoe gaan we om met water en droogte? Welke rol spelen dieren in onze landbouw? Hoe zorgen we ervoor dat boeren een fatsoenlijk inkomen verdienen? En hoe zorgen we ervoor dat verduurzaming niet alleen een rekening voor boeren wordt, maar ook een investering van de samenleving in haar eigen voedselvoorziening?

Dat geeft iedereen perspectief en een positief doel om naartoe te werken. Dan kunnen we bepalen welke maatregelen nodig zijn. Dan wordt stikstof weer wat het hoort te zijn: een middel om een doel te bereiken en niet het doel zelf. Nederland heeft geen gebrek aan stikstofplannen. We hebben behoefte aan een landbouwvisie.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Source: Volkskrant

Previous

Next