Het Chinese fastfashionmerk Shein ging dinsdag bij zijn langverwachte beursgang onderuit. Na twee mislukte pogingen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk maakte de kledinggigant op de beurs in Hongkong zijn debuut.
Het aandeel kelderde in de eerste minuten met 10 procent. Uiteindelijk eindigde het op 48,50 Hongkong dollar (5,34 euro). Shein haalde omgerekend 1,4 miljard euro op om te investeren in de groei van het bedrijf.
Tijdens de covidpandemie werd de Chinese webwinkel razend populair door zijn grote aanbod van spotgoedkope kleding. Voor slechts enkele euro’s hebben consumenten keuze uit een assortiment van honderdduizenden artikelen. Op het hoogtepunt werd de waarde van het bedrijf op bijna 90 miljard euro geschat. De marktwaarde reikte uiteindelijk niet hoger dan 22 miljard euro.
Het tegenvallende resultaat wordt mede verklaard door toenemende concurrentie van vergelijkbare prijsvechters. Bedrijven als Temu bedienen dezelfde markt en bieden naast kleding ook goedkope huishoudartikelen en elektronica aan.
Ook kampt Shein met imagoproblemen. Volgens een rapport van de Amerikaanse organisatie China Labor Watch zijn er in de fabrieken van Shein in Guangzhou aanwijzingen voor dwangarbeid. Arbeiders zouden onder slechte omstandigheden twaalf uur per dag werken voor slechts 7 tot 28 dollarcent per kledingstuk.
De fast fashion van Shein wordt verder geassocieerd met een grote milieu-impact. Uit een onderzoek door Greenpeace zou blijken dat in kleding van Shein giftige stoffen zijn aangetroffen. Ook draagt de productie van flitsmode bij aan de groeiende berg textielafval.
Op de dag van de beursgang van Shein begon Frankrijk als eerste EU-land met heffingen op extreme vormen van fast fashion. Op producten van Shein kan een heffing van tot 50 procent komen. Frankrijk hoopt hiermee de aanwas van goedkope kleding te verminderen. Eerder dit jaar besloot de Franse regering al om reclame voor ultrafastfashionwinkels als Shein en Temu te verbieden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant