Hoe win je een handelsoorlog? Niet, is de gangbare opvatting: iedereen verliest. Toch heeft econoom Soumaya Keynes wel een paar wenken. De belangrijkste: heb vertrouwen in de flexibiliteit van je eigen economie. ‘Je kunt niet ál je kwetsbaarheden in kaart brengen.’
In de zomer van 1944 namen honderden economen en diplomaten uit 44 landen hun intrek in het Mount Washington Hotel in de afgelegen Amerikaanse plaats Bretton Woods. Het dak lekte, het meubilair was kapot, de nachten waren drankovergoten en vol spionage en intriges. Het was het ‘monsterlijkste apenhuis dat je ooit gezien hebt’, zo verzuchtte de Britse hoofdonderhandelaar John Maynard Keynes tijdens onderhandelingen.
Hij vreesde dat er niets zou terechtkomen van het grote doel dat hij met de conferentie voor ogen had: een overeenkomst over het monetaire en handelssysteem van na de oorlog. Waarbij de geallieerden hun vijanden niet, zoals na de Eerste Wereldoorlog, het vel over de neus zouden trekken, maar hen juist zouden helpen hun economieën opnieuw op te bouwen en door onderlinge handel welvaart te creëren.
Tegen Keynes’ vrees in eindigden de drie weken durende onderhandelingen wel degelijk met afspraken. Die legden de basis voor de naoorlogse vrijhandel en voorspoed van Amerika en de bevriende naties. En van een wereldwijd handelsnetwerk waar in de loop van de 20ste eeuw steeds meer landen onderdeel van werden.
82 jaar na Bretton Woods mengt een andere Keynes zich ook in de internationale discussie over de wereldhandel. John Maynards achternicht Soumaya Keynes (37) publiceerde deze zomer samen met de Amerikaanse econoom Chad Bown (54) het boek How to win a trade war.
Het is een vraag waarmee economen en beleidsmakers in talloze hoofdsteden worstelen, nu de VS en China handelsmaatregelen volop inzetten als geopolitiek wapen. Door de heffingen die ze elkaar en andere landen opleggen, en door de toevoer van kritieke grondstoffen of producten af te knijpen om hun zin te krijgen.
Aan het einde van het boek maakt Soumaya een knipoog naar haar oudoom. Keynes en Bown schetsen daar drie toekomstscenario’s voor 2050, waarin het meest gedroomde toekomstperspectief opnieuw een conferentie is, zij het dit keer in een oud Engels landhuis. En wederom met een prominente rol voor een Keynes: Soumaya geeft ten overstaan van vertegenwoordigers uit de hele wereld een openingsspeech.
De onderhandelaars maken vervolgens lange dagen om tot afspraken te komen over nieuwe regels die de internationale handel ordenen. Uiteindelijk komt er een deal, verscheurt Soumaya haar ‘zoveelste cynische column’ en schrijft ze een stuk waarin ze de landen prijst voor hun lerend vermogen.
Econoom en journalist Soumaya Keynes is zelf de eerste om toe te geven dat zo’n conferentie nu ver weg is. De oorlog in het Midden-Oosten zet de handelsverhoudingen op scherp en recentelijk heeft Donald Trump het afkondigen van importheffingen een nieuwe slinger gegeven. Afgelopen week nog klapten de onderhandelingen tussen Canada en de VS en dreigt een nieuw potje tarieftoepen tussen de twee buurlanden.
De twee andere scenario’s die jullie schetsen, lijken vooralsnog realistischer: dat China de huidige handelsoorlog wint en de dominante wereldmacht wordt, of dat de huidige situatie voortduurt. En landen en bedrijven constant bezig zijn hun economische machtspositie zo slim mogelijk uit te spelen.
‘Klopt. We hebben ook de kritiek gekregen dat we te optimistisch zijn door dat scenario te schetsen waarin de wereld samenkomt en afspraken maakt. Daar worstelden we zelf ook wel mee, het voelde toch een beetje als een sprookje. Ik denk dat dingen nog heel veel erger moeten worden voor we daar aankomen. Dat veel huidige leiders eerst het veld moeten ruimen.’
Andere kritiek op jullie boek is de suggestie dat je een handelsoorlog kunt winnen. Terwijl de economie leert dat er alleen maar verliezers zijn.
‘In zekere zin zijn wij het daar wel mee eens. Je creëert de meeste welvaart in een wereld zonder handelsbarrières. Maar als je uitgaat van het idee dat een handelsoorlog niet te winnen is, kan je de conclusie trekken dat je maar beter niets kunt doen tegen landen die handel als wapen inzetten. Daar zijn we het fundamenteel mee oneens. Je moet er wel op reageren. Zodat je misschien niet echt wint, maar het verlies wel zo veel mogelijk beperkt.’
Soumaya Keynes treedt als invloedrijke econoom al aardig in de voetsporen van haar beroemde oudoom. Vlot nadat ze in 2015 was begonnen als journalist bij The Economist, wist ze een groot publiek te bereiken met haar slimme en lichtvoetige artikelen over wereldhandel. Samen met Chad Bown begon ze de podcast Trade Talks. Waarin Keynes – ‘de kleine cynische Brit’ – en Bown – ‘de lange ideologische Amerikaan’ – de trends in de wereldhandel doornamen.
De podcast stopte toen Bown hoofdeconoom werd in de regering van Joe Biden. Keynes stapte intussen over naar dat andere boegbeeld van de financiële journalistiek, de Financial Times. Daar maakt ze nu wekelijks de podcast The Economics Show en schrijft ze een column.
Naast de zware wereldeconomie behandelt ze daarin ook meer persoonlijke onderwerpen, zoals recentelijk een zeer goed gelezen stuk over de spreadsheet waarin zij en haar partner al vier jaar bijhouden hoeveel tijd ze besteden aan de zorg voor hun twee jonge kinderen.
Schrijven over handel was lang heel saai, weet Keynes. De stroom van geld en goederen ging tamelijk onbelemmerd de wereld over en geschillen werden beslecht in slepende juridische procedures bij de Wereldhandelsorganisatie. ‘Maar vanaf het moment dat ik bij The Economist begon, in 2015, gebeurde er heel veel. Zeker toen Trump aan de macht kwam, want in zijn eerste termijn begon hij al met het opleggen van handelsbarrières richting China. Hij ging er echt met gestrekt been in.’
Hoe kijkt u nu terug op die periode?
‘Met terugwerkende kracht betreur ik hoe de media en ikzelf daar toen mee zijn omgegaan. Vele kolommen hebben we gebruikt om Trump uit te jouwen om zijn obsessie met het handelstekort dat de VS heeft met China. Dat de wereldeconomie te ingewikkeld is om daar met heffingen en handelsbeperkingen tegen één land wat tegen te doen.
‘Het was lekker om zulke kritiek op te schrijven. Maar daardoor hebben we als journalistiek wel te weinig aandacht gehad voor het structurele probleem dat Trump tot deze maatregelen bracht. Dat China totaal dominant is geworden in sommige sectoren. En dat het land daar misbruik van kan maken.’
Is het nu zo geëscaleerd omdat dat destijds onvoldoende is gezien?
‘Dat zullen we nooit weten, maar ik vrees van wel, ja. Er is rond 2018 wel een poging gedaan van Japan om samen met Europa en de VS een blok te vormen en afspraken te maken met China. Waarbij Trump zijn heffingen voor China zou verlagen en China afspraken zou tekenen over eerlijker handel. Ik heb daar nog een hoopvol omslagartikel over geschreven voor The Economist. Maar er gebeurde vervolgens niets.
‘Later heb ik begrepen dat de VS dat initiatief om zeep hebben geholpen door eenzijdig een lijst met voorwaarden naar Beijing te sturen. Of ze dat even wilden tekenen. De VS bleven vervolgens restricties opleggen aan de export van allemaal hoogwaardige technologie. Europa verzette zich niet. Vanuit Chinees perspectief vind ik het niet irrationeel om in die context te denken: wij moeten zorgen dat we sterker komen te staan.’
Dat speelde dus in het vorige decennium al, maar het grote publiek in Europa zag de handelsoorlog waarschijnlijk pas vorig jaar gebeuren, toen Trump in de Rozentuin van het Witte Huis een bord ophield met de verschillende importheffingen die hij landen ging opleggen.
‘Ja. Maar dat was eigenlijk een escalatie van wat al jaren aan de gang was, waarbij hij de hele wereld in het conflict betrok.’
Daarop was de reactie van veel economen wederom dat Trump niks snapt van economie. Dat die importheffingen uiteindelijk betaald worden door de Amerikaanse bevolking. Met inflatie en economische crisis in de VS tot gevolg.
‘Dat is ook wel gebeurd. De inflatie in de VS is te hoog.’
Maar de totale chaos die veel economen voorspelden is er niet gekomen.
‘De gemiddelde importheffing in de VS is nu zo’n 20 procent. Maar de prijzen die consumenten betalen, worden daardoor niet ook 20 procent duurder. Onder meer doordat bedrijven zelf een deel van het verlies opvangen en importeurs op zoek gaan naar goedkopere alternatieven. De belangrijkste les van het afgelopen jaar is denk ik dat economieën flexibeler zijn dan veel economen uit hun modellen halen.’
Jullie adviseren landen in jullie boek ook om daar op te vertrouwen en niet te gedetailleerd te proberen te voorspellen hoe kwetsbaar je bent voor elke handelsmaatregel die een ander land kan opleggen.
‘Zeker. Je zag ook na de coronapandemie dat regeringen zichzelf gek maakten door te proberen al hun kwetsbaarheden in kaart te brengen. Maar dat is belachelijk, want je kunt lang niet al je valkuilen uit data halen.’
Hoe kun je je dan wel goed wapenen tegen een handelsoorlog?
‘Je staat als land sterker als je een aantal goederen of diensten hebt waarvoor andere landen sterk van jou afhankelijk zijn. Daar hebben we ook een paar voorbeelden van gezien vorig jaar. Met name natuurlijk China, dat het monopolie heeft op zeldzame aardmetalen. Door de export daarvan te beperken, brengen ze andere landen echt in de problemen.’
Veel landen staan zo bezien betrekkelijk machteloos, beschrijven jullie. Zeker Groot-Brittannië. De Britten hebben alleen het monopolie op scheepsverzekeringen en tv-programma’s over taarten bakken.
‘Ja, de wereld zou er kapot aan gaan als ze geen beelden van slecht rijzende taarten meer van ons zouden krijgen… Maar er zijn verder inderdaad heel weinig Britse diensten en goederen die de wereld niet elders kan krijgen.’
Staat Nederland er wat dat betreft beter voor met ASML?
‘Zeker. De geavanceerde chipmachines die ASML maakt, zijn echt een choke point. Er is geen ander bedrijf dat machines maakt zoals ASML en chips zijn essentieel voor bijna alle moderne elektronische producten. Dus als je leveranties van die machines afknijpt, doet dat pijn.
‘Onder druk van Amerikanen mogen de meest geavanceerde machines van ASML niet naar China geëxporteerd worden. Dat zegt iets over de macht van de VS, maar het maakt ook dat de Amerikanen Nederland en Europa serieuzer moeten nemen.’
Een ander Nederlands bedrijf dat in jullie boek wordt genoemd, is chipproducent Nexperia. De Nederlandse overheid onteigende de Chinese eigenaar en China blokkeerde vervolgens de export van de chips die Nexperia in China produceert.
‘Het is een voorbeeld van hoe kwetsbaar de Europese economie dan is. Het waren niet eens heel geavanceerde chips. Maar toch was er binnen korte tijd een groot tekort bij autofabrikanten, en dreigde dus die hele industrie stil te vallen.
‘Het aanleggen van voorraden is zeker ook iets waar je tijdens een handelsoorlog goed over moet nadenken, zodat je tijd hebt om je aan te passen. En ik vind de Europese auto-industrie daarvan een slecht voorbeeld. Hun toeleveringsketens zijn blijkbaar zo krap dat ze gevoelig zijn voor de kleinste verstoringen.
‘Toen tijdens de pandemie de toelevering uit China haperde, zagen we al dat Europese autobouwers het minder goed doen dan de concurrentie. Toyota en Koreaanse bedrijven hebben daarvan geprofiteerd omdat zij wel grotere voorraden hadden en dus langer konden blijven produceren toen de toevoer vanuit China stilviel.’
Nexperia laat ook zien dat een betrekkelijk klein bedrijf een handelsconflict met grote gevolgen kan ontketenen.
‘Ja. En je ziet dat er in de VS – en in mindere mate in Europa – ook al steeds meer zo gekeken wordt. Niet alleen: waar halen onze bedrijven spullen vandaan en waar zetten ze hun producten weer af. Maar ook naar eigenaarschap: wie zit er achter onze strategische bedrijven?’
Dat deed de Nederlandse regering toch ook? Maar toen het daartegen wilde optreden, had dat voor heel Europa gevolgen.
‘Ja dat is zo. Ik denk dat de reactie uit China in elk geval laat zien waarom het voor Europa bedreigend is als strategische bedrijven in buitenlandse handen komen.’
De noodlijdende Nederlandse energie-intensieve industrie, zoals de staalproductie en de chemie, benadrukt in de lobby steeds dat zij uit strategische bedrijven bestaat. Hoe kijkt u daartegenaan?
‘Mijn meer nerdige economieblik was altijd dat het maken van staal niet een zeer hoogwaardige technologie is, terwijl we als consumenten wel veel staal gebruiken. Waarom zou je dat voor de samenleving duurder maken door met subsidies je eigen industrie te stimuleren of de import van goedkoper staal zwaar te belasten?
‘Maar inmiddels heb ik dat standpunt bijgesteld. Omdat ik niet uitsluit dat we ergens in het komende decennium in een militair conflict belanden met China. Dan vind ik het niet gek om je zorgen te maken over het feit dat bijna de helft van alle staal en chemicaliën in de wereld uit dat land komt. Als je in een oorlog komt, moet je wel de capaciteit hebben om de tanks of drones te maken die daarvoor nodig zijn.’
Veel mensen die jullie voor je boek spraken, vroegen aan jullie: als je het antwoord hebt over hoe je een handelsoorlog wint, laat het ons dan alsjeblieft weten. Hebben jullie hun iets nieuws kunnen vertellen?
‘Niet als het gaat om de specifieke vragen waar zij vaak mee zitten, zoals hoe hoog de heffing moet zijn op een specifiek soort producten. Maar wel doordat we het overkoepelende beeld wat helderder kunnen maken. Voor Europeanen is dat bijvoorbeeld dat de VS echt niet meer zo geïnteresseerd zijn in samenwerking, met name als het om China gaat. Europa moet daarin steviger zijn.
‘Nu zeggen ze wel dat China zich niet netjes gedraagt, maar vervolgens doet de EU weinig om China's economische macht in te perken. Als Europa bij de grote jongens wil horen, dan moet het zich ook wat meer zo gaan gedragen.’
Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant