Ecologie Jonge beren krijgen van mensen een perfecte opvoeding, als ze in de opvang zitten. Dat blijkt een nadeel te zijn als ze worden vrijgelaten.
Een grizzlybeer in de Canadese provincie Brits-Columbia.
Internet smult van idyllische beelden: opgevangen wilde dieren die worden losgelaten en de vrijheid weer mogen proeven. Maar dat loopt niet altijd goed af, blijkt uit onderzoek naar gezenderde jonge grizzlyberen in de Canadese provincie Brits-Columbia. Van de dertien vrijgelaten jaarlingen waren er negen al vóór hun eerste winterslaap in het wild dood. Eén stierf direct daarna. Twee overleefden wel hun eerste vrije jaren. Eén zender raakte kwijt, van die beer is het lot dus onbekend.
Ontluisterende cijfers, recent verschenen in wetenschappelijk tijdschrift Frontiers in Conservation Science. Is die opvang zo slecht? Krijgen de dieren armzalig voer? Krijgen ze niets bijgebracht over het zoeken naar voedsel? Worden ze te opdringerig bijgestaan? Raken ze te gewend aan mensen? Nee, dat valt allemaal wel mee.
De beertjes worden perfect volgens de regels grootgebracht. Maar dat is ook: te groot. Opvangdieren, zeker de jongsten, krijgen een uitgebalanceerd en uitgebreid dieet. Dierenouders in het wild kunnen daar alleen maar van dromen. Een voor de vrijheid afgeleverde jonge opvangbeer weegt gemiddeld 127 kilo. Een altijd wild gebleven, ook eenjarige soortgenoot? Gemiddeld 36 kilo. De opvang vermenigvuldigt het gewicht met 3,5.
Dat lijkt een mooie, kansen biedende voorsprong. Maar het is een achterstand. Of zoals Lana Ciarniello, een van de auteurs van het artikel, het uitdrukt: een metabolische val. Jonge beren zijn nog lang niet zo efficiënt in voedsel zoeken als volwassen dieren, maar de ex-opvangdieren hebben wel al veel hogere onderhouds- en energiekosten. Een te groot skelet en gewicht eisen hun tol. Er komt te weinig binnen. En energie opslaan voor de winter – de befaamde vetlaag – is er al helemaal niet bij. Dat geldt zelfs tijdens de zalmentrek in snelstromende rivieren. Goed voedselaanbod, maar je moet als beer wel bekwaam toehappen en niet heen en weer rennen voor elke schijnbaar makkelijke prooi. Eén opvangbeer liep zelfs daar fataal in de metabolische val.
Bij het kleine aantal ‘proefdieren’ is de trend: hoe zwaarder, des te eerder sterfte. Sommige dieren kwamen niet direct aan hun eind door uithongering of doding door soortgenoten, maar door conflicten met mensen. Maar de uithongering was er wel, en vermoedelijk reden voor het opzoeken van door mensen verschaft voedsel. Post mortem onderzoek wijst op gestaag gewichtsverlies sinds de vrijlating.
Iets soortgelijks is te zien bij beren die zich hebben gespecialiseerd in afvalstortplaatsen. Worden die gesloten, dan schakelen de dieren schijnbaar efficiënt over op natuurlijk voedsel, maar de grootste dieren leggen vaak alsnog het loodje.
Het onderzoek benadrukt nog eens dat er haken en ogen zitten aan de overleving van ex-opvangdieren, en van bedreigde soorten die vanuit gevangenschap worden geherintroduceerd in het wild. De vraag die verzorgers zich kunnen stellen is nu: we doen goed, maar doen we het niet té goed?
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin