is columnist voor de Volkskrant
Ik geloof al een tijdje dat je het best idolen kunt hebben die wat ouder zijn dan jij. Dat is niet per se logisch als je op de helft van je leven bent, want veel mensen zijn dan jonger, dus ook je mogelijke idolen. Maar het is prettiger en gezonder om tegen mensen op te kijken die verder, ouder zijn dan jij, want dan kun je denken: goh, dat kan ik ook allemaal nog doen.
Schrijfster Deborah Levy is zo iemand: opgegroeid in Engeland, 67, gescheiden, volwassen kinderen, woonde een tijdje in Parijs en begon daar even een nieuw leven. Je gaat iemands boeken niet alleen maar lezen omdat ze biografisch gezien je oudere idool kan zijn, maar het toeval wil dat Levy’s boeken ook vaak over haar leven gaan. Dus dan vallen boek en mogelijk idool samen.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein (vertaald door Astrid Huisman) gaat over precies dat: Levy woont tijdelijk in Parijs en probeert uit alle macht een essay te schrijven over de legendarische Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein, die ook in Parijs woonde.
Boeken die gaan over schrijvers die iets proberen te schrijven over een andere schrijver gaan gelukkig meestal over veel meer dan daarover: in dit boek spelen ook haar twee nieuwe Parijse vriendinnen Eva en Fanny een grote rol, en het, de kwijtgeraakte kat van Eva die dus ‘het’ heet maar door de anderen is omgedoopt tot Bob, en bijvoorbeeld ook een oudere man met wie Levy een cringe date heeft. (Ook op je 67ste ben je niet te oud voor cringe dates.)
Natuurlijk schrijft ze ook over Gertrude Stein in het boek over schrijven over Gertrude Stein, maar meestal zijn dat kleine dingen, bijvoorbeeld dat Stein niet geloofde in de komma omdat die dwingend was voor de leeservaring van de lezer.
Op een gegeven moment concludeert Deborah Levy dat ze haar verse vriendin Eva eigenlijk interessanter vindt dan die hele Gertrude Stein, omdat Stein al door talloze mensen is bestudeerd, en Eva door niemand. Ik heb ook zoiets: dit boek mag dan over grootse literaire thema’s gaan, maar ik houd het meest van Levy’s piepkleine observaties.
Als Levy het intellectuele huis vol intellectuele boeken van de intellectuele Jean-Luc beschrijft, met wie ze de mislukte date heeft gehad, zegt ze bijvoorbeeld: ‘Tussen twee van zijn boeken stond een potje eczeemcrème.’ Of ze merkt op dat schrijver Ernest Hemingway het haar van Gertrude Stein beschreef als ‘immigrantenhaar’. Of ze beschrijft dat haar vriendin Fanny aan het hoofd van de tafel zit: ‘Per slot van rekening was zij de enige van ons die niet eenzaam en buitenlands was.’
Dan mag je wel worstelen met een essay, maar dan weet je toch dat je allang een groot schrijfster bent.
Source: Volkskrant